Over overlijden

 

 

Wie moet er op korte termijn verwittigd worden?

1. De werkgever van de overledene

De werkgever heeft een uittreksel van de overlijdensakte nodig. Hij zal ervoor zorgen dat alle verschuldigde lonen, vergoedingen en premies uitbetaald worden.
Als de overledene bediende was, dan zal de werkgever het vakantiegeld rechtstreeks aan de erfgenamen uitbetalen. Was de overledene arbeider, dan moet je de uitkering van het vakantiegeld aanvragen bij het vakantiefonds waarbij de overledene aangesloten was.
Ambtenaren en gepensioneerde ambtenaren hebben recht op een begrafenisvergoeding van de overheid waar ze tewerkgesteld waren. Die vergoeding vraag je aan bij het tewerkstellende bestuur of bij de pensioendienst.

2. De dienst pensioenen

Was de overledene een werknemer in de privésector, dan zal het overlevingspensioen uitbetaald worden door de Rijksdienst voor Pensioenen (RVP). Je kan de aanvraag online doen of via je gemeentebestuur.
Was de overledene een ambtenaar, dan zal het de Pensioendienst voor de Overheidssector (PDOS) zijn waar je je aanvraag moet indienen.
Was de overledene een ambtenaar, dan moe je je richten tot het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen (RSVZ).

3. De boekhouder

Als de overledene een zelfstandige activiteit uitoefende, vraag dan aan zijn of haar boekhouder om op zakelijk vlak de nodige stappen te zetten (schrapping van de inschrijving in het handelsregister, aangifte van stopzetting van de werkzaamheden bij de btw-administratie, contracten met de belangrijkste schuldeisers en klanten,…).

4. De notaris of de testamentuitvoerder

Een nalatenschap moet niet in alle gevallen afgehandeld worden door een notaris. Het kan echter nuttig zijn dat er bewarende maatregelen getroffen worden met het oog op het beschermen van de nalatenschap (bv. Het verzegelen van de woonst of het inventariseren van de roerende en onroerende goederen). De notaris is daarvoor de aangewezen persoon. Hij zal ook nagaan of er een testament geregistreerd werd.
De overledene kan ook een andere persoon als uitvoerder van zijn of haar testament aangeduid hebben.

5. Het ziekenfonds van de overledene

Wacht niet te lang om het ziekenfonds te verwittigen, zeker niet als de overleden een ziekte- of invaliditeitsuitkering kreeg. Het ziekenfonds zal nagaan of je recht op een verhoogde tegemoetkoming voor gezondheidszorgen.
De geneeskundige kosten van vóór het overlijden kunnen nog terugbetaald worden. Je kan de getuigschriften binnenbrengen tot twee jaar na de datum die erop vermeld staat.

6. De banken

Je moet de banken en financiële instellingen zelf verwittigen. Vanaf het ogenblik dat de bank op de hoogte is, blokkeert ze alle tegoeden op de zicht- en spaarrekeningen, ook op de rekeningen van de overlevende echtgenoot en dit ongeacht het huwelijksstelsel. Spaarrekeningen van de kinderen worden niet geblokkeerd. Pas wanneer de bank in het bezit is van een officieel document (een akte van bekendmaking of een erfrechtenverklaring) waaruit blijkt wie de erfgenamen zijn, worden de rekeningen gedeblokkeerd en vrijgegeven en wordt de inhoud van een eventuele kluis verdeeld.
De langstlevende partner (gehuwd of wettelijk samenwonend) kan tot de helft van het bedrag dat op alle rekeningen staat, tot een plafond van 5.000 euro, als voorschot uitgekeerd krijgen om dringende uitgaven te doen, zonder dat een attest of akte van erfopvolging moet worden voorgelegd.

7. De verzekeringsmaatschappijen

Je kan je wenden tot de makelaar of rechtstreeks tot de maatschappij. Zolang het verzekerde risico blijft bestaan, zullen de maatschappijen de dekking laten doorlopen. Is het risico door het overlijden weggevallen, dan schorsen ze de polis. Het gedeelte van de betaalde premies dat nog niet opgebruikt is, zal later toegevoegd worden aan de nalatenschap.
Als het gaat over een verzekering in verband met het overlijden zelf (levensverzekering, schuldsaldoverzekering,…), dan zal de maatschappij de procedure starten om zo de begunstigden te kunnen vergoeden. Daarvoor hebben ze in elk geval een uittreksel uit de overlijdensakte nodig.

8. De huiseigenaar

De Wet bepaalt dat het huurcontract niet beëindigd wordt door het overlijden van de huurder of de verhuurder. Het overlijden van één van beiden is dus geen reden van opzegging. De erfgenamen kunnen de overeenkomst enkel beëindigen door de gewone opzeggingsprocedures te volgen.

9. Nutsvoorzieningen en abonnementen

Ga na wie de leveranciers zijn van water, gas, elektriciteit, telefoon, televisie, internet,… en breng de betrokken maatschappijen op de hoogte van het overlijden. Je kan eventueel de contracten laten aanpassen zodat ze op je eigen naam komen te staan.
Denk ook aan abonnementen op kranten, boeken, bepaalde diensten,…

10. De dienst Wegverkeer

Had de overledene een auto? Laat dan de dienst Wegverkeer weten wat er met dat voertuig zal gebeuren. Misschien wordt het uit verkeer genomen, verkocht of blijft iemand van de familie ermee rijden. De nummerplaat en het inschrijvingsbewijs moeten teruggestuurd worden of het inschrijvingsbewijs moet aangepast worden.

 

naar boven

 

De 5 fasen van rouwverwerking

De vijf fasen van rouw: omgaan met verlies

Elisabeth Kübler-Ross onderscheidde in het rouwproces 5 fasen. Ze beschouwde rouw echter niet als een lineair proces, dat iedereen stap voor stap doorloopt. Bij iedereen verloopt het rouwproces anders. Sommige mensen slaan fasen over. Anderen blijven lang in één fase hangen of hernemen een eerdere fase. Ook verlieservaringen uit het verleden bepalen mee hoe iemand vandaag omgaat met rouw.

Mensen in rouw hebben nood aan een veilige plek om hun gevoelens te kunnen uiten. Het is daarbij belangrijk dat ze niet alleen worden gelaten. Ook respect voor het unieke proces van iedere persoon is nodig. Iemand kan niet op bevel een bepaalde fase doorleven of afsluiten. Bewustzijn van het proces helpt wel om te (h)erkennen wat er gebeurt en om geduld te hebben.

Hoewel de focus van Elisabeth Kübler-Ross op stervensbegeleiding lag, zijn de 5 fasen herkenbaar in elke emotionele reactie op persoonlijke trauma en verandering.

Ontkenning: “Dit gebeurt niet bij mij.”
Ontkenning is een bewuste of onbewuste weigering om de realiteit onder ogen te zien. Het is een natuurlijke vorm van zelfbescherming. Het helpt om zelf te bepalen in welk tempo het verdriet wordt toegelaten. We laten niet meer binnen dan we aankunnen. Sommige mensen blijven echter opgesloten in deze fase.

Marchanderen: ”Ik beloof een betere persoon te worden als…”
In deze fase probeert men te onderhandelen. Men belooft het één te doen als er iets anders tegenover staat. Men denkt bijvoorbeeld “Als ik vanaf nu heel aardig ben voor iedereen, dan kan ik vast mijn kinderen nog wel zien opgroeien”. Veelal is de hoop (op herstel) een grote drijfveer.

Woede: “Waarom met mij?”
Als de waarheid tot iemand is doorgedrongen ontstaat er vaak boosheid. In deze periode is de rouwende meestal moeilijk te benaderen. Onder de woede ligt de pijn.

Verdriet en depressie: ”Ik geef het op.”
Wanneer men de realiteit begint te accepteren komen gevoelens van verdriet, spijt, angst en onzekerheid naar boven. Vaak dienen ook verliezen uit het verleden zich weer aan. De rouwende is bijna niet meer te bereiken. Men kan behoefte hebben aan het steeds weer uiten van het verdriet. Op de bodem van het verdriet ligt vaak woede. Onderdrukte woede is vaak de oorzaak van een depressie.

Aanvaarding: “Ik ga verder met mijn leven.”
Als iemand voldoende tijd en vaak ook enige hulp heeft gehad om door de genoemde fasen te gaan begint men de realiteit te accepteren. Er komt berusting en men kan onthechten, loslaten. Loslaten is niet hetzelfde als vergeten. Het is het verlies een plaats geven in het leven en verder gaan.

 

naar boven

 

Kinderen rouwen op hun eigen manier

We zouden het graag willen, maar we kunnen kinderen de verdrietige kant van het leven niet besparen. Het is een misverstand te denken dat kinderen zich niet bezig houden met de dood. Vele, intussen volwassen mensen, kampen nog steeds met trauma’s die ze hebben opgelopen in hun jeugd bij de confrontatie met de dood van een geliefd iemand. Er zijn helaas geen pasklare antwoorden hoe je kan omgaan met rouwende kinderen. Elk kinderverdriet is uniek en vraagt een persoonlijke benadering. Toch willen we graag enkele tips meegeven.

Hoe denken kinderen over de dood?

Kinderen gaan anders om met de dood naargelang hun leeftijd en ontwikkelingsniveau. Weten hoe kinderen over de dood denken kan ons helpen om hen op een aangepaste manier voor te bereiden en op te vangen.

Kinderen tot drie jaar:
–   Hebben geen echt besef van de dood, ze kennen het onderscheid nog niet tussen levende en niet levende dingen (een knuffel is voor een peuter net echt).
–   Kennen wel scheidingsangst, angst om weg van mama of papa te zijn. Ze voelen gemis, kennen gevoelens van verloren of alleen zijn en kunnen dus verdriet voelen.
–   Reageren vanuit hun behoeften en hebben geen angst voor de dode.

Kinderen tussen drie en zes jaar:
–   Kennen het verschil tussen leven en dood, maar weten niet precies wat dood is.
–   Begrijpen het definitieve karakter van de dood nog niet, het is tijdelijk. De dood is zoiets als op reis gaan, even weg zijn, slapen.
–   Omdat het begrijpen van de dood zo moeilijk is, kunnen ze vele, vaak zeer praktische, vragen stellen. Langzamerhand beginnen ze te begrijpen dat dood een afscheid is voor altijd.
–    Beginnen te beseffen dat dood en verdriet met elkaar te maken hebben.

Kinderen tussen zes en negen jaar:
–   Beginnen al iets meer de dood te begrijpen, komen tot het besef dat de dood onomkeerbaar is.
–   Begrijpen nog niet dat de dood onvermijdelijk is en iedereen overkomt.
–   Het is erg verwarrend voor hen, het maakt angstig, zeker als ze leren dat ook jonge mensen, kinderen, mensen van wie ze houden, kunnen sterven.
–   Ze gedragen zich soms net terug als een kleuter en zijn bang om alleen gelaten te worden.
–   Ze zijn kwetsbaar omdat ze de mogelijkheid hebben om het te begrijpen, maar nog niet in staat zijn om met alle informatie om te gaan.

Kinderen van negen jaar en ouder:
–   Weten dat al wat leeft ook doodgaat.
–   Begrijpen dat de dood onomkeerbaar en definitief is, waarbij de overledene niets meer voelt, weet, hoort of ziet.
–   Begrijpen dat de dood iedereen overkomt.
–   Vragen niet altijd aandacht van de volwassenen, durven niet altijd vragen stellen. Ze tonen hun gevoelens vaak in andere reacties en proberen in hun eentje hun verdriet op te lossen.

Wat vertel je best niet?

“Mama slaapt voor altijd”: kinderen kunnen dan bang worden om te gaan slapen en denken dat ze niet meer wakker zullen worden.
“Mama ging dood omdat ze zo ziek was”: kleine kinderen kunnen dan denken dat als ze eens heel erg ziek zijn dat ze dood zullen gaan. Je kan beter zeggen dat mama’s lichaam zo stuk was dat het niet meer gemaakt kon worden. Zelfs de allerbeste dokters die heel erg hun best hebben gedaan, konden dit niet meer.
“Papa is op een verre reis gegaan en komt nooit meer terug”: dit beeld is ook onbegrijpelijk voor kleine kinderen. Waarom mochten ze niet mee en meestal komt papa toch terug als hij op reis gaat…

Wat kan je wel vertellen?

Vertel zo concreet mogelijk at dood zijn betekent. Gebruik woorden die het kind kan verstaan. Bij iemand die dood is, klopt het hart niet meer. Hij is koud, kan niet meer bewegen, niets meer voelen. Hij of zij hoeft nooit meer te eten of te drinken, kan niet meer praten, zien of horen en voelt ook geen pijn meer. Iemand die dood is kan nooit meer wakker worden.
Je hoeft niet op elke vraag te antwoorden. Soms is het beter om te zeggen dat je het ook niet weet in plaats van iets te gaan verzinnen. Vraag eens wat ze zelf denken, meestal hebben ze zelf al een antwoord bedacht waarover je dan kan doorpraten.

Emoties

Verdriet: het is goed verdriet toe te laten. Huilen helpt het kind om zich te ontladen van interne spanningen. Durf als volwassene je eigen verdriet te tonen.

Boosheid: dit is een vorm van verzet tegen pijn. Het kind wil de pijn niet voelen en gaat niet huilen, maar wordt boos. Het is belangrijk dat dit gevoel er mag zijn.

Angst: het overlijden van iemand uit de naaste omgeving kan angstgevoelens oproepen. Angst voor de eigen dood, angst dat nog een dierbare gaat sterven. Kleine kinderen kunnen terug scheidingsangst krijgen. Praat erover met het kind, geef eerlijke informatie. De fantasie van een kind is vaak erger dan de werkelijkheid.

Schuldgevoelens: ga schuldvragen niet uit de weg. “Ben ik wel altijd lief geweest? Had ik niet meer moeten helpen? Waarom heb ik zoveel ruzie met mijn broer gemaakt?” Erken deze vragen, luister naar het kind en praat erover. Op die manier kan het kind de dingen voor zichzelf een plaats geven.

 

naar boven

 

De nalatenschap

Als we geen schenking of testament maken, wijst de wet onze erfgenamen aan.
De wetgever heeft een rangschikking opgesteld en de erfgenamen ingedeeld in vier orden volgens bloedverwantschap, namelijk:
– alle afstammelingen van de erflater: kinderen, kleinkinderen, achterkleinkinderen,…
– als de overledene geen afstammelingen achterlaat: de ouders van de erflater samen met zijn broer(s) en zuster(s) en/of hun afstammeling(en)
– als de overledene noch afstammelingen, noch broer(s), zuster(s) en/of hun afstammeling(en) nalaat: alle bloedverwanten in opgaande lijn: ouders grootouders, overgrootouders,…
– als de overledene geen erfgenamen van eerste, tweede of derde orde nalaat: ooms, tantes en hun nakomelingen (neven en nichten dus), grootooms, groottantes. Een hogere orde sluit een lagere steeds uit.
Binnen de orde bepaalt de graad of men al dan niet erft.
In rechte lijn zijn er zoveel graden als er generaties zijn tussen de personen.
Zo is er tussen ouders en hun kinderen één generatie. Zij staan dus tot elkaar in de eerste graad.
Tussen grootouders en kleinkinderen telt met twee generaties. Zij staan tot elkaar in de tweede graad. In de zijlijn bepaalt men de graad via de gemeenschappelijke stamouders. Men tel de generaties vanaf de overledene tot de gemeenschappelijk stamouder in opgaande lijn. Vanaf deze stamouder daalt men vervolgens af tot aan de erfgenaam. Een zus is bijvoorbeeld een bloedverwante in de tweede graad. Twee neven staan tot elkaar in de vierde graad.

Bijzonder statuut van de echtgenoot

De echtgenoot neemt een bijzonder plaats in.
Gehuwd zijn en wel of geen kinderen hebben, geeft een totaal verschillend beeld. Laten wij enkele herkenbare situaties overlopen.

1.   De overledene was gehuwd en had kinderen.

De weduwe of weduwnaar krijgt het vruchtgebruik van de hele nalatenschap, de kinderen de blote eigendom. Alle kinderen, uit een vorig of uit het laatste huwelijk, buitenhuwelijkse en geadopteerde, zijn gelijkgesteld en hebben dezelfde rechten.
De kinderen krijgen ieder een gelijk deel. Als een kind vooroverleden is, erven zijn kinderen in zijn plaats. Zijn er geen kinderen, dan gaat zijn deel naar zijn broers en zusters.

2.   De overledene was gehuwd en had geen kinderen

De weduwe of weduwnaar krijgt de hele gemeenschap in volle eigendom en het vruchtgebruik van de eigen goederen van de echtgeno(o)t(e). De blote eigendom van deze goederen gaat naar de familie van de overledene. Zolang de weduwe of weduwnaar leeft, moet de famille haar of hem het gebruik en het genot van die eigen goederen laten.
Een speciale bescherming is voorzien voor de gezinswoning met huisraad. De weduwe of weduwnaar zal deze woning steeds mogen betrekken en gebruiken, wie ook blote eigenaar is, kinderen, stiefkinderen, broers, zusters, neven en/of nichten.

Moet men een erfenis aanvaarden?

Niet noodzakelijk. De wet laat je de keuze tussen:
– zuiver te aanvaarden: dit houdt in dat je de erfenis ontvangt, maar ook instaat voor de betaling van alle schulden.
– te aanvaarden onder voorrecht van boedelbeschrijving: dit is een welbepaalde procedure, waarbij men nooit méér schulden zal moeten betalen dan het actief dat men erft. In het slechtste geval zal men dus niets ontvangen, maar ook niets moeten opleggen.
– te verwerpen.

Hoeveel kost erven?

De Belgische successiebelasting wordt berekend per erfdeel. De ontvanger berekent precies wat elke erfgenaam of legataris krijgt, en daarop wordt het tarief berekend, dat verhoogt naar gelang van het bedrag en naar gelang van de graad van verwantschap.

Kunnen wij onze erfgenamen zelf kiezen?

Niet altijd. De wet voorziet dat al naar gelang van de omstandigheden de echtgenoot, kinderen, klein-, achterkleinkinderen, ouders, groot- of overgrootouders een voorbehouden deel hebben.
Zo kunnen ouders hun kinderen niet onterven.
Indien men geen kinderen heeft en niet gehuwd is, zijn de ouders eveneens voorbehouden erfgenamen.

1.   Gehuwden met kinderen

Indien de echtgenoten een wettelijke of bedongen gemeenschap hebben, kunnen zij deze in volle eigendom aan elkaar toebedelen. Dit houdt in dat de langstlevende volledig eigenaar wordt en zelfs (een deel van) de erfenis kan verkopen. De toebedeling wordt meestal als beding ingelast in het huwelijkscontract. Daar de huwelijksvoorwaarden tijdens het huwelijk kunnen worden aangepast, kan deze toebedeling later aan het huwelijksregime worden toegevoegd. Ook van de eigen goederen kunnen zij elkaar meer geven dan het wettelijk voorziene vruchtgebruik, via een akte van schenking of via een testament.

2.   Gehuwden zonder kinderen

De wet bepaalt dat de gemeenschap in volle eigendom toekomt aan de langstlevende. Eigen goederen keren echter terug naar de familie van de overledene. Wil men dat ook deze goederen naar de langstlevende gaan, dan moet er bijgestuurd worden. Immers de wet voorziet in principe enkel een vruchtgebruik. Via een akte van schenking of via een testament kan men ervoor zorgen dat de langstlevende ook de eigen goederen van de vooroverledene in volle eigendom krijgt.

3.   Ongehuwden of niet meer gehuwden met kinderen

Men kan de helft van zijn nalatenschap weggeven wanneer men één kind heeft. Dit wordt één derde als men twee kinderen, en één vierde als men drie of meer kinderen nalaat. Dit beschikbaar gedeelte kan men geven aan eender welke derde of als extra aan een van zijn kinderen door dat kind het maximum te geven en het minimum aan de overige kinderen. Bij deze aanrekening zal men rekening houden met de door de testateur/testatrice reeds gedane schenkingen.

De aangifte van nalatenschap

Na een overlijden moeten de erfgenamen een aangifte van nalatenschap indienen.

 

naar boven
 

Hoe worden successie- en registratierechten geïnd?

Sinds 1 januari 2015 int niet langer de federale overheid, maar wel het Vlaamse Gewest de successierechten en bepaalde registratierechten. Dat heeft een aantal praktische gevolgen.

Het Vlaamse Gewest bepaalt al langer de tarieven van de successierechten en bepaalde registratierechten. Maar sinds 1 januari 2015 staat het ook in voor de inning ervan. Tot nu toe was dat een bevoegdheid van de federale overheid. De tarieven blijven dezelfde, maar er zijn wel een aantal praktische gevolgen van de bevoegdheidsoverdracht. U moet de verschuldigde successie- of registratierechten niet meer aan de FOD Financiën betalen, maar zal een uitnodiging tot betaling ontvangen van de Vlaamse Belastingdienst.

1. Welke successie- en registratierechten zijn overgenomen door het Vlaams Gewest?
Dat zijn op de eerste plaats de successierechten op de nalatenschap van overleden rijksinwoner die zijn woonplaats in het Vlaams Gewest had. Daarbij wordt niet enkel gekeken naar de laatste fiscale woonplaats. Als de overledene tijdens de vijf jaar vóór zijn overlijden in meer dan één gewest woonde, dan moet de aangifte van nalatenschap enkel in het Vlaams Gewest worden ingediend als de overledene daar het langst zijn fiscale woonplaats heeft gehad.
Gaat het om een niet-rijksinwoners? Het Vlaamse Gewest int de successierechten op diens onroerende goederen in het Vlaams Gewest. Let wel, heeft de overleden niet-rijksinwoner onroerend goed in meer dan één gewest, dan moet de aangifte van nalatenschap enkel in het Vlaams Gewest worden ingediend als het deel van de onroerende goederen met het hoogste kadastraal inkomen daar gelegen is.
Het Vlaamse Gewest int ook bepaalde registratierechten. Dat zijn de registratierechten op verkopen, hypotheekvestigingen en verdelingen van in het Vlaams Gewest gelegen onroerende goederen. Daarnaast gaat het om de schenkingsrechten op roerende en onroerende goederen als de schenker zijn fiscale woonplaats in het Vlaams Gewest heeft.

2. Waar moet ik een aangifte van nalatenschap indienen?
Aangiften van nalatenschap moet u vanaf 1 januari 2015 bij de Vlaamse Belastingdienst indienen. Deze aangiften stuurt u naar: Vlaamse Belastingdienst – Erfbelasting, Vaartstraat 16, 9300 Aalst

3. Waar moeten de schenkings-, verkoops- en pachtakten aangeboden worden?
De FOD Financiën blijft bevoegd voor de registratie van akten. U moet alle akten nog altijd bij de federale registratiekantoren aanbieden.
De FOD Financiën bezorgt vervolgens de akten die aan de Vlaamse registratierechten onderworpen zijn aan de Vlaamse Belastingdienst. Die zal de verschuldigde registratierechten berekenen en u vervolgens een uitnodiging tot betaling sturen.

4. Kan ik nog schenkingsrechten betalen aan het loket van het federale registratiekantoor?
Schenkt u bijvoorbeeld geld en wilt u die schenking laten registreren? De akte of het geschrift moet u nog steeds op het federale registratiekantoor aanbieden. Maar de ontvanger van het registratiekantoor aanvaardt geen betalingen meer. Het registratiekantoor zal de akte registreren zonder dat de schenkingsrechten betaald zijn. De Vlaamse Belastingdienst zal u daarna een uitnodiging tot betaling sturen.
Voor de registratierechten die door het Vlaams Gewest overgenomen zijn, kunt met andere woorden geen betalingen bij de FOD Financiën meer doen. Dat geldt zowel voor contante betalingen aan het loket als voor betalingen via overschrijving.

5. Wie is bevoegd voor de aflevering van de attesten van erfopvolging?
Voor de aflevering van de attesten van erfopvolging verandert niets: de FOD Financiën blijft nog steeds bevoegd.

6. Wie is bevoegd voor de registratie van huurcontracten?
De FOD Financiën blijft nog steeds bevoegd voor de registratie van huurcontracten.

 

naar boven
 

Overlevingspensioen

Het overlevingspensioen biedt de langstlevende echtgenoot de mogelijkheid een pensioen te verkrijgen, berekend op basis van de beroepsactiviteit als werknemer van zijn overleden echtgenoot.

Om een overlevingspensioen te krijgen, moet je aan de volgende twee voorwaarden voldoen:
– Je moet minstens 45 jaar zijn of, als je jonger bent, een kind ten laste hebben of blijvend arbeidsongeschikt zijn voor minstens 66%. Voor ambtenaren en beroepen zoals mijnwerker bestaan er bijzondere regels.
– Het overlijden moet minstens een jaar na het huwelijk plaatsvinden, behalve als tijdens het huwelijk een kind is geboren, als het overlijden het gevolg is van een ongeval dat plaatsvond na de huwelijksdatum of als er een kind ten laste was waarvoor een van de echtgenoten kinderbijslag ontving.

Het overlevingspensioen kan uitbetaald worden door drie verschillende instanties.
1. De Rijksdienst voor Pensioenen (RVP) als de overledene werknemer was in de private sector.
2. De Pensioendienst voor de Overheidssector (PDOS) als de overledene een ambtenaar was.
3. Het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen (RSVZ) als de overledene werkte als zelfstandige.

Geen levenslang overlevingspensioen meer

Gehuwden die op jonge leeftijd hun partner verliezen, kunnen sinds begin 2015 niet meer rekenen op een levenslang overlevingspensioen. Ze moeten het stellen met een overgangsuitkering van een of twee jaar. Maar die is er ook voor langstlevenden die een eigen broodwinning hebben.

Vrouw aan de haard? Of een man die minder of niet ging werken om zijn partner voluit carrière te laten maken? De vrouw of man in kwestie heeft weinig of geen eigen inkomen en bouwt amper pensioenrechten op. Het overlijden van de werkende partner is meteen ook een financiële opdoffer. Toch blijft de langstlevende niet met lege handen achter. Al sinds jaar en dag is in een overlevingspensioen voorzien.
Sinds 1 januari zijn de regels wel grondig bijgestuurd. Het overlevingspensioen blijft bestaan, maar de minimumleeftijd wordt opgetrokken. De hervorming werd uitgewerkt onder de vorige regering en is bedoeld om jonge weduwen of weduwnaars opnieuw op de arbeidsmarkt te krijgen. Waarom? Wie een overlevingspensioen ontvangt, mag maar beperkte beroepsinkomsten hebben. In de praktijk gaat men om die reden na het overlijden van zijn partner meestal deeltijds of zelfs helemaal niet meer werken. De grote principes bij de hervorming zijn dezelfde voor werknemers, zelfstandigen en ambtenaren.

Wie zijn partner verliest en op dat moment geen 45 jaar is, krijgt voortaan een tijdelijke overgangsuitkering en geen levenslang overlevingspensioen. ‘De leeftijdsgrens voor een overlevingspensioen lag ook vroeger op minimaal 45, maar er waren uitzonderingen. Zo kregen weduwen of weduwnaars die arbeidsongeschikt waren of kinderen ten laste hadden al op jongere leeftijd een overlevingspensioen. Die uitzonderingen vallen nu weg’, zegt Mieke Bruyninckx, juridisch adviseur bij Acerta. Bovendien wordt over een tijdspanne van tien jaar de leeftijdsgrens jaarlijks met zes maanden opgetrokken. Vanaf 2025 moet men 50 jaar zijn om een overlevingspensioen te ontvangen.
Bent u vandaag al ouder dan 45 jaar? Of ontvangt u al een overlevingspensioen? Voor u blijft de hervorming zonder gevolgen. U blijft levenslang een overlevingspensioen ontvangen, volgens de bestaande voorwaarden.

12 of 24 maanden

De overgangsuitkering wordt tijdelijk betaald: gedurende 12 maanden voor wie geen kinderen ten laste heeft. Die periode wordt verdubbeld tot 24 maanden als er een kind is waarvoor kinderbijslag wordt betaald.

De weduwe of weduwnaar krijgt die uitkering boven op haar of zijn loon, zonder enige beperking of voorwaarde. Ook een goedverdienende partner zal gedurende een of twee jaar de overgangsuitkering ontvangen. Het is dus niet langer nodig de beroepsactiviteiten op een lager pitje te zetten. Ook de combinatie met een vervangingsinkomen voor ziekte, invaliditeit, werkloosheid,… is mogelijk.

Dat is een belangrijk verschil met wie een overlevingspensioen ontvangt. De beroepsinkomsten mogen een bepaald plafond niet overschrijden. Hoeveel dat is, hangt af van de activiteit en kinderlast. Een weduwe of weduwnaar die meer verdient dan de grenzen ziet haar of zijn overlevingspensioen proportioneel verminderd worden.
Hebt u na het verstrijken van die periode voor de overgangsuitkering geen werk? U ontvangt onmiddellijk een werkloosheidsuitkering, zonder enige wachttijd. ‘De werkloosheidsuitkering is er ook voor iemand die nog nooit heeft gewerkt. Maar net zoals voor alle andere werklozen moet rekening gehouden worden met de verstrengde voorwaarden, zoals het beschikbaar blijven voor de arbeidsmarkt’, zegt Bruyninckx.
De weduwe of weduwnaar die een overgangsuitkering heeft of ooit heeft gekregen, kan een overlevingspensioen krijgen wanneer hij of zij een rustpensioen kan genieten.

Een jaar gehuwd

De voorwaarde voor een overgangsuitkering of een overlevingspensioen is dezelfde: minstens een jaar getrouwd zijn. Voor wie voor het huwelijk al wettelijk samenwoonde, kan die periode van samenwoning meegeteld worden. In een uitzonderlijke gevallen hoeft het huwelijk geen volledig jaar geduurd te hebben, bijvoorbeeld als er een kind – zelfs postuum – geboren is uit het huwelijk.
‘Wettelijke en feitelijke samenwoners kunnen momenteel geen aanspraak maken op een overgangsuitkering of een overlevingspensioen. Voor de wettelijke samenwoners is op termijn wel een gelijkschakeling met gehuwden gepland’, zegt Mieke Bruyninckx. Feitelijke samenwoners – die geen verklaring van wettelijke samenwoning hebben afgelegd – zullen ook in de toekomst dus geen overlevingspensioen of overgangsuitkering krijgen. Zo ook niet broers of zussen die samenwonen.

Hoogte

De overgangsuitkering wordt berekend op basis van de beroepsactiviteit van de overleden echtgenoot. De berekening voor werknemers en zelfstandigen is vergelijkbaar met die van het rustpensioen voor een alleenstaande. ‘In tegenstelling tot het klassieke rustpensioen wordt niet gerekend in 45-sten, maar wel volgens het aantal jaren van de 20ste verjaardag tot aan het overlijden’, zegt Mieke Bruyninckx. Er is een minimumuitkering van 12.731 euro per jaar vastgelegd, een forfait dat niet jaarlijks wordt geïndexeerd. ‘Het forfait geldt als de overleden partner een volledige loopbaan had. Als die minder jaren werkte, ontvangt de langstlevende een breukdeel’, zegt Bruyninckx.
Voor een overleden ambtenaar wordt de overgangsuitkering op dezelfde manier berekend als het overlevingspensioen voor ambtenaren. Als de berekende overgangsuitkering lager is dat het gewaarborgd minimum van 1.121,72 euro, dan wordt in een aantal gevallen een supplement toegekend.

Aanvraag

De overgangsuitkering moet worden aangevraagd. Enkel als de overledene al een rustpensioen kreeg of zelf zijn of haar pensioen had aangevraagd, zullen de pensioendiensten het initiatief nemen.
Bij een aanvraag binnen een jaar na het overlijden gaat de overgangsuitkering met terugwerkende kracht in vanaf de maand van of na het overlijden. Doet u de aanvraag later, dan krijgt iemand zonder kinderen geen uitkering meer. Zijn er wel kinderen, dan wordt voor de resterende maanden tussen uw aanvraag en de 24ste maand na het overlijden betaald.

 

naar boven
 

Bankrekeningen opzoeken na een overlijden

Wanneer iemand sterft is het voor de erfgenamen niet altijd evident om te achterhalen bij welke banken de overledene een rekening aanhield of een kluis huurde. Febelfin brengt meer duidelijkheid.

Bij een sterfgeval is het vaak niet helemaal duidelijk bij welke banken de overledene klant was. Zonder die informatie is het voor de erfgenamen echter moeilijk om de nalatenschap te verdelen en om hun fiscale verplichtingen na te komen.

Gelukkig kan je een aanvraag indienen bij Febelfin, de Belgische federatie van de financiële sector. Dat kan via e-mail (li@febelfin.be), per fax (02/888.68.11) of per post (Aarlenstraat 82 in 1040 Brussel). Deze instantie gaat dan na bij welke financiële instellingen de overledene titularis was van een rekening, andere tegoeden (bijvoorbeeld effecten op naam) had of een kluis huurde.

Wie kan de aanvraag indienen?
De aanvraag kan gedaan worden door een van de erfgenamen of door de notaris die met de vereffening van een nalatenschap belast is. Ook de curator bij een onbeheerde erfenis of een advocaat kunnen hiervoor aankloppen bij Febelfin.

De aanvraag moet de volgende gegevens bevatten:
– Naam, voornaam, adres, geboorteplaats, geboortedatum en sterfdatum van de overledene.
– Een kopie van de officiële overlijdensakte.
– Informatie over de aanvrager (naam, voornaam, adresgegevens en een kopie van de identiteitskaart).
– Een akte van bekendheid of een erfrechtverklaring, waaruit blijkt dat de aanvrager een erfgenaam is.
– Het kan ook nuttig om extra info over bijvoorbeeld de burgerlijke staat van de overledene en de naam van zijn partner toe te voegen. Zulke gegevens kunnen de zoektocht immers vergemakkelijken.

Hoeveel betaal je hiervoor?
Na ontvangst van de aanvraag controleert Febelfin de bijhorende documenten. Als aanvrager krijg je een bevestiging en word je verzocht om (125 euro + 21% btw =) 151,25 euro over te schrijven. Daarna wordt de aanvraag doorgestuurd naar alle aangesloten financiële instellingen.

naar boven