Oude artikels

Miserietaks discrimineert niet

Knack – 30 juni 2016

Feitelijk samenwonenden betalen een verdeelrecht van 2,5 procent als een van hen de gemeenschappelijke woning inkoopt na een scheiding. Gehuwden en wettelijk samenwonenden betalen in dat geval slechts 1 procent. In zijn arrest van 25 mei 2016 zegt het Grondwettelijk Hof dat die zogenoemde miserietaks niet discriminerend is.

 

Koppels die samenwonen of gehuwd zijn, kopen of bouwen vaak samen een woning. Komt er een scheiding, dan moet die meestal worden verdeeld omdat elke partner voor de helft mede-eigenaar is van de woning.

Wordt een woning verdeeld, dan moet er een verdeelrecht worden betaald door de partner die het deel van de andere partner overkoopt. Een Vlaams decreet maakt daarbij een onderscheid tussen gehuwden en wettelijk samenwonenden aan de ene kant, en feitelijk samenwonenden aan de andere kant. Gehuwden en wettelijk samenwonenden betalen een verdeelrecht van 1 procent, terwijl feitelijk samenwonenden 2,5 procent betalen. De partners die een einde stellen aan hun relatie, hebben bij de aankoop of de bouw van hun woning al een registratierecht van 10 procent (in Vlaanderen) of 12,5 procent (in Brussel en Wallonië) of btw betaald. Bij de verdeling van de woning na een scheiding komt daar nog eens een belasting bij van 1 of 2,5 procent. Het is dan ook niet vreemd dat dit verdeelrecht een ‘miserietaks’ wordt genoemd.

Grondwettelijk Hof

Aan het Grondwettelijk Hof werd de vraag gesteld of er een discriminatie is tussen gehuwden en wettelijk samenwonenden enerzijds en feitelijk samenwonenden anderzijds. In zijn arrest van 25 mei 2016 zegt het Hof dat dit niet het geval is, maar stelt het wel dat de Vlaamse regering het decreet mag aanpassen voor feitelijk samenwonenden.

De bal ligt nu in het kamp van minister Bart Tommelein (Open Vld). In het regeerakkoord staat dat het onderscheid weg moet. De vraag is of de minister het decreet zal uitbreiden tot feitelijk samenwonenden, waardoor zij gelijk esteld worden met gehuwden en wettelijk samenwonenden. Dan moet iedereen dezelfde verdeeltaks van 1 procent betalen na een scheiding bij overname van het huis door één der partners.

In Brussel en Wallonië bedraagt de verdeeltaks altijd 1 procent.


Moet je nog alimentatie betalen als je je kinderen niet te zien krijgt?

Knack – 20 juni 2016

Je ex-partner leeft de verblijfsregeling die je hebt met je kinderen niet na. Kan je in dat geval weigeren om nog langer de alimentatie voor je kinderen te betalen?

Je krijgt je kinderen, hoewel je daar recht op hebt op basis van een vonnis of overeenkomst, niet meer te zien. Moet jij in dat geval de alimentatie die je normaal moet betalen nog wel storten.

Het ene is het andere niet

De rechters zijn hierover duidelijk. Het is niet omdat je je kinderen niet meer te zien krijgt, dat je je betalingsverplichting kan opschorten. Je moet dus zowel de alimentatie als je bijdrage in de buitengewone kosten blijven betalen. Je kan al evenmin de betaling van de alimentatie die je aan je ex persoonlijk moet betalen inhouden.

Je kan een dwangsom vragen

Toch betekent dit niet dat je niets kan doen. Als je ex de overeengekomen of vastgelegde verblijfsregeling niet naleeft kan je namelijk aan de rechtbank vragen daar een dwangsom aan te koppelen. Per keer dat je ex dan weigert de kinderen mee te geven kan je deze dwangsom opeisen. Vaak is dit voldoende om je ex op betere gedachten te brengen.

Andere maatregelen

Je kan ook een strafklacht neerleggen. Het niet meegeven van een kind in strijd met een vastgelegde verblijfsregeling is nu eenmaal een misdrijf. Doe dan ook telkenmale je de kinderen niet meekrijgt aangifte bij de politie. In extreme gevallen zou je ook aan de rechter kunnen vragen de vastgelegde verblijfsregeling aan te passen en de kinderen meer bij jou te laten zijn.


Strenge ouders? Dat zorgt voor meer stress later

Het Laatste Nieuws – 20 juni 2016

Dat je opvoeding een grote invloed heeft op je toekomst, blijkt nog maar eens uit Japans onderzoek. Wetenschappers concluderen dat kinderen die met veel steun van hun ouders worden opgevoed, over het algemeen een beter inkomen hebben en gelukkiger zijn. Wie streng werd opgevoed boert later ook goed, maar is dan weer vaker ongelukkig en gestresseerd.
Om tot deze conclusies te komen, ondervroegen wetenschappers 5.000 Japanse mannen en vrouwen over de relatie met hun ouders tijdens hun kindertijd. Ze moesten stellingen beantwoorden zoals “mijn ouders vertrouwden mij” of “ik had het gevoel dat mijn familie weinig interesse in mij had.” Met behulp van die gegevens identificeerden de onderzoekers 6 factoren in een opvoedingsproces: (des)interesse, vertrouwen, regels, onafhankelijkheid, de hoeveelheid tijd die samen wordt doorgebracht en hoe vaak een uitbrander wordt gegeven. Op basis daarvan, deelde de onderzoeksgroep ouders en hun opvoeding in 6 verschillende categorieën in:

Steunend
Gemiddeld tot hoog niveau van onafhankelijkheid, veel vertrouwen, veel interesse tonen in het kind, veel tijd samen spenderen.

Streng
Laag niveau van onafhankelijkheid, gemiddeld tot hoog niveau van vertrouwen, streng, veel regeltjes en gemiddeld tot veel interesse in het kind.

Toegeeflijk
Gemiddeld tot veel vertrouwen, niet streng, de tijd samen is hoger dan gemiddeld.

Gemakzuchtig
Weinig interesse in het kind, totaal niet streng, weinig regels, weinig tijd samen doorbrengen.

Heel strikt
Weinig interesse in het kind, laag niveau van onafhankelijkheid, weinig vertrouwen, erg strikt.

Gemiddeld
Een combinatie van 5 bovenstaande factoren, zonder opvallende uitschieters.

Succesvol, maar ongelukkig
De resultaten toonden aan dat mensen die een steunende opvoeding genoten en veel positieve aandacht kregen van hun ouders, over het algemeen succesvolle studenten waren en nu een hoger inkomen hebben en gelukkig zijn. Wie anderzijds strikt werd opgevoed – met veel aandacht van de ouders maar tegelijkertijd veel strenge regels en discipline – heeft doorgaans ook een goede schoolloopbaan en later een hoger salaris, maar is minder gelukkig en ervaart meer stress.


Grootouders moeten meer rechten krijgen bij scheiding

De Standaard – 6 juni 2016

Conflicten tussen ouders en grootouders door echtscheidingen of overlijdens kan een abrupt einde van de relatie tussen grootouder en kleinkind betekenen. Een nieuw wetsvoorstel moet die relatie verzekeren.

Grootouders die elke woensdagmiddag eten maken voor hun kleinkinderen en in het weekend de kleine rakkers meer dan eens opvangen. Ze zijn met duizenden in België. Toch kan dat door conflicten met de eigen kinderen ineens stoppen. Uit statistieken blijkt dat jaarlijks meer dan 600 grootouders een rechtszaak aanspannen om omgangsrecht met hun kleinkind te verzekeren.

‘Bemiddeling zou altijd de eerste stap moeten zijn in conflicten tussen ouders en grootouders, alvorens iemand naar de rechtbank stapt’, zegt kamerlid Goedele Uyttersprot (N-VA). ‘Daarnaast blijken de verschillende gerechtelijke arrondissementen een eigen rechtspraak te hanteren. Dat is normaal, maar gezien de gevoelige materie leidt dat meestal tot een onrechtvaardigheidsgevoel.’ Daarom diende zij een wetsvoorstel in om bemiddeling te verplichten voor een rechtszaak wordt gestart.

Uyttersprot hoopt dat bemiddeling gespannen situaties tussen ouders en grootouders kan ontmijnen. ‘Uiteraard in het belang van het kind, want alle partijen zullen nog met elkaar te maken krijgen. Procederen is een lange lijdensweg voor iedereen.’

Volgens Uyttersprot kan de bemiddeling via doorverwijzing naar een bevoegde instantie of door een externe bemiddelaar.

Bewustmaking

Bemiddeling bestaat echter al een paar jaar. Is het dan noodzakelijk om dat in de wetgeving te verankeren? ‘Door bemiddeling in de wet op te nemen, willen we ouders en grootouders bewuster maken. Een rechter legt zoiets nu niet automatisch op en partijen gaan er zelden uit eigen initiatief naartoe. Op deze manier zullen conflicten minder escaleren.’

‘Het is ook niet de bedoeling dat iedereen zomaar bemiddeling kan opstarten. Grootouders moeten wel degelijk aantonen dat zij al een affectieve relatie met het kind hadden. Dat kan bijvoorbeeld door te bewijzen dat zij de kinderen van school ophaalden of iedere woensdagmiddag kookten.’


Onderhoudsplicht niet nakomen? Minder dan 1 kans op 10 op veroordeling

Het Laatste Nieuws – 3 juni 2016

In de periode 2010-2014 liepen er op de correctionele parketten in ons land 11.245 zaken binnen omwille van het niet nakomen van de onderhoudsplicht. In dezelfde periode spraken de correctionele rechtbanken in dergelijke zaken 1.421 vonnissen uit, waarbij de gedagvaarde in 1.088 gevallen (76,5 procent) veroordeeld werd. Dat blijkt uit het antwoord van Justitieminister Koen Geens op een schriftelijke vraag van Kristien Van Vaerenbergh (N-VA).
Het aantal zaken dat op de correctionele parketten binnenstroomde, daalde in de periode 2010-2013 van 2.577 tot 2.033 per jaar om in 2014 weer licht te stijgen tot 2.225. Van de 11.245 rechtszaken in deze periode 2010-2014 waren er op 10 mei 2015 6.420 (57 procent) geseponeerd, 1.512 (13,45 procent) gedagvaard en 722 (6,42 procent) nog in vooronderzoek. De seponering was in 35,6 procent van technische aard (geen misdrijf, verjaring…). In de overige gevallen werd om opportunistische reden geseponeerd (toestand geregulariseerd, andere prioriteiten, beleid…).

Van de 1.421 gevallen waarin een correctionele rechtbank een vonnis uitsprak werd de betrokkene in 1.088 gevallen (76,5 procent) veroordeeld en in 89 gevallen (6,26 procent) vrijgesproken. 191 keer (13,44 procent) werd opschorting van straf verleend. Wat de veroordelingen betreft werd in 740 gevallen een straf opgelegd (52,08 procent). 322 keer (22,66 procent) werd een veroordeling met uitstel uitgesproken en 26 keer (1,83 procent) een veroordeling met probatieuitstel.

In een reactie noemt Kristien Van Vaerenbergh het vooreerst belangrijk dat de parketten dergeljke inbreuken als een prioriteit blijven beschouwen: “De gerechtelijke weg dient altijd als stok achter gehouden te worden bij hardnekkige weigering tot betaling”. Het Kamerlid pleit daarnaast echter ook om meer in te zetten op bemiddeling zodat het niet tot een gerechtelijke veroordeling hoeft te komen. “Veroordelingen leiden immers vaak tot nieuwe conflicten in een al gespannen familiale context”, aldus Van Vaerenbergh die Justitieminister Geens verder zal ondervragen met het oog op een goede analyse van de cijfers.


Herexamens worden weer vaker mogelijk

De Morgen – 3 juni 2016

Middelbare scholieren zullen in de toekomst weer vaker te maken kunnen krijgen met een herexamen. Vandaag is het bijna uitsluitend mogelijk na ziekte, maar daar komt door de modernisering van het secundair onderwijs verandering in.

Voortaan zullen scholen die leerlingen een tweede kans willen geven, bijvoorbeeld na een onverwacht slechte toets, niet meer op de vingers worden getikt door de onderwijsinspectie.

Herexamens zullen volgens minister van Onderwijs Hilde Crevits (CD&V) vaker mogelijk zijn, maar niet op vraag van de leerling zelf. Het zal de klassenraad zijn die er aan het einde van het schooljaar over beslist.

Raymonda Verdyck, bestuurder van het Gemeenschapsonderwijs (GO!), denkt niet dat haar scholen elke leerling met een onvoldoende een herexamen zullen geven. “We zijn wel blij dat het voortaan kan. Zo kan ik mij voorstellen dat klassenraden ertoe overgaan als leerlingen niet slagen voor een toets, en de leerkrachten het gevoel hebben dat zij het met extra zelfstudie wel kunnen halen. In zulke gevallen kan een herexamen wel helpen.”
De klassenraad met dit besluit opnieuw een belangrijk instrument in handen. Zij kunnen zo de lastige discussie tussen een A- of een C-attest uit de weg gaan.


Verplichte eindtoets basisonderwijs en elke leerling pakket basiskennis in secundair

Knack – 2 juni 2016

Alle scholen zullen in de toekomst een toets moeten afnemen van hun leerlingen in het zesde leerjaar. Daarnaast zal elke leerling in de eerste graad van het secundair onderwijs een basiskennis moeten hebben van wiskunde, Nederlands en digitale en financiële geletterdheid.

De grote lijnen van onderwijshervorming zijn al bekend, met gerichte ingrepen gaande van de kleuterklas tot de veelbesproken matrix met studierichtingen in de tweede en derde graad van het secundair onderwijs. Een van de nieuwigheden in het lager onderwijs is dat elke leerling getoetst zal worden op het einde van dat basisonderwijs. Dat stond al wel ingeschreven in het masterplan, maar wordt nu concreter.

Verplichte eindtoets

Nu al organiseren veel scholen netgebonden toetsen (bv. interdiocesane proeven of OVSG-toetsten), maar bedoeling is dat in de toekomst elke school zo’n toets zal afnemen. Een uniforme toets voor alle scholen is niet het plan. De scholen mogen zelf kiezen, maar worden wel verplicht de toets te organiseren. De toets zelf moet helpen om te zien of leerlingen de verwachte eindtermen halen.

Het mag echter niet enkel van de toets alleen afhangen of een leerlingen slaagt of niet, al zal het wel meespelen in de beoordeling van de klassenraad. Onderliggende bedoeling van de verplichte toets is om het uitreiken van getuigschriften basisonderwijs meer gelijk te maken over scholen heen. Over de eerste graad van het secundair onderwijs is ook al veel gezegd en geschreven.

Een nieuwigheid daar is dat er naast de eindtermen – die gehaald moeten worden door het grootste deel van de leerlingen – wel een pakket basiskennis van elke leerling afzonderlijk zal gevraagd worden. Zo zal elke leerling een ‘basisgeletterdheid’ moeten hebben op het vlak van Nederlands, wiskunde en digitale en financiële kennis

‘Het moet echt basic zijn’

Minister van Onderwijs Hilde Crevits benadrukt dat het gaat om een “basisniveau”. “Het moet echt basic zijn, maar het is wel de bedoeling dat iedereen over die lat komt.” Waar die lat precies zal liggen en wat er precies van elke leerling zal verwacht worden op die domeinen, wordt nog verder besproken met de onderwijsverstrekkers.

Het is niet de bedoeling dat scholen hun aanpak en onderwijsmethode fors bijsturen, specifiek om hun leerlingen die basisgeletterdheid bij te brengen. Dat soort ‘teaching to the test’ wil minister Crevits absoluut vermijden. “Het wordt ook geen centraal basisgeletterdheidsexamen”, benadrukt ze.

In de zoektocht naar een akkoord over de onderwijshervorming ging de meeste tijd de afgelopen maanden naar het vastleggen van de veelbesproken matrix, zeg maar de nieuwe organisatie van de studierichtingen in de tweede en derde graad van het secundair onderwijs. Het resultaat moet een transparanter en rationeler aanbod geven, met studierichtingen die leerlingen ofwel duidelijk voorbereiden op het hoger onderwijs of op de arbeidsmarkt (respectievelijk doorstroom- en arbeidsmarktgerichte richtingen) of richtingen die de deur voor beide opties open laten (richtingen met dubbele finaliteit).

Beperking van het aantal studiegebieden

Er is ook gesnoeid in het aantal studiegebieden. Van 30 gaat het naar 8 studiegebieden. Concreet gaat het om ‘STEM’ (Science, Technology, Engineering, Mathematics), ‘Economie en organisatie’, ‘Kunst en creatie’, ‘Bouwen en wonen’, ‘Zorg en welzijn’, ‘Land en tuinbouw’, ‘Voeding en horeca’ en ‘Sport’.

Voor elk domein zijn er eerder abstracte richtingen die mikken op doorstuderen in het hoger onderwijs tot puur praktische richtingen die mikken op de arbeidsmarkt. Sommige richtingen zijn geschrapt omdat ze niet meer relevant zijn (bv. boekbinderij) of omdat ze niet doen wat ze zouden moeten doen (bv. handel). Over andere richtingen is er discussie of ze wel op hun plaats staan. Zo is het bijvoorbeeld de vraag of de richting bakkerij en slagerij ook voldoende aansluiting kan bieden voor het hoger onderwijs (en dus thuishoort in de richtingen met dubbele finaliteit).

‘Snoeien we genoeg of snoeien we te veel?’

Minister van Onderwijs Hilde Crevits benadrukt dat het gaat om “een eerste worp”. “Het is de basis voor verdere discussie met het hele onderwijsveld”, legt de CD&V-politica uit. Nog deze maand komen er bijvoorbeeld rondetafels over de matrix met alle ‘stakeholders’, zoals dat met een lelijk woord heet, en het plan is om in september alle reacties te verzamelen en dan de matrix af te werken. Ook het parlement krijgt nog zijn zeg, klinkt het.
.
Crevits erkent dat de matrix nog niet perfect is. “We vragen onszelf bijvoorbeeld nog af: ‘snoeien we wel genoeg of snoeien we te veel?'” Ander mogelijk discussiepunt: waarom geen apart domein talen? “Wij zijn ervan overtuigd dat dat niet zinvol is. Talen zitten overal. Maar als uit de discussie blijkt dat er een brede vraag is om dat bij te sturen, zullen we dat bekijken”, aldus Crevits. De concrete start van het nieuwe studieaanbod is voorzien voor september 2018.


Zijn stiefkinderen fiscaal en juridische gelijkgesteld?

Moneytalk – 2 juni 2016

Heel wat ouders in nieuw samengestelde gezinnen maken niet graag een onderscheid tussen de eigen kinderen en die van hun partner (pluskinderen). Maar zijn zij inzake erfrecht en erfbelastingen echt gelijkgeschakeld?

Pluskinderen en plusouder

We spreken van plusouder (ook stiefouder genoemd) en pluskinderen (stiefkinderen) wanneer iemand opnieuw in het huwelijksbootje stapt, maar ook al kinderen heeft uit een eerdere relatie. In dat geval is zijn of haar nieuwe partner de plusouder (stiefouder) van de kinderen uit de vorige relatie. Die laatsten noemen we dan de ‘pluskinderen” (stiefkinderen).

Erft een pluskind automatisch?

Dergelijke nieuw samengestelde gezinnen komen meer en meer voor. De regels van het erfrecht worden er daardoor niet makkelijker op. Wettelijk gezien erven plusouder en pluskinderen helemaal niets van elkaar. Willen ze toch iets nalaten aan elkaar, dan zal er een testament opgemaakt moeten worden.

Gelijkgeschakeld inzake erfbelasting

Maar in tegenstelling tot het erfrecht zijn de pluskinderen inzake erfbelasting wel gelijkgeschakeld. Want inzake erfbelasting genieten plusouders en pluskinderen identiek dezelfde tarieven als ‘gewone’ ouders en kinderen. We treden niet in detail, maar houd er rekening mee dat de voorwaarden om inzake erfbelasting van plusouder/pluskind te spreken, verschillen per gewest.

Afhankelijk van het gewest komen ook de pluskinderen van (wettelijk) samenwonenden in aanmerking voor de gelijkschakeling inzake erfbelasting. Maar ook hier zal je uiteraard een testament moeten opmaken als je wilt dat een pluskind iets van je erft.


Vlaamse regering bereikt akkoord over hervorming kinderbijslag

Deredactie.be – 28 mei 2016

De Vlaamse regering heeft een akkoord over de hervorming van de kinderbijslag, de modernisering van het secundair onderwijs en de afslanking van de provincies. Vlaams minister-president Geert Bourgeois (N-VA) spreekt van een historische doorbraak.

Minister-president Bourgeois, en ministers Vandeurzen en Crevits geven op dit moment meer toelichting bij het akkoord. VRT Nieuws heeft echter al enkele details.

Kinderbijslag

“Vanaf 2019 krijgt elk nieuwgeboren kind in Vlaanderen een basiskinderbijslag van 160 euro”, vertelt Wetstraatjournalist Bert Rymen. Daarbovenop komen sociale correcties. Toeslagen eigenlijk voor kinderen die opgroeien in een gezin met een lager inkomen, dat wil zeggen: lager dan 30.000 euro bruto per jaar of vanaf 3 kinderen voor wie minder verdient dan 60.000 euro per jaar.

Ouders die hun kind naar de kleuterschool sturen, krijgen eenmalig 150 euro extra als het naar de eerste kleuterklas gaat en nog eens 150 euro voor als het naar de tweede kleuterklas gaat. Daarmee is er dus iets voor elke partij in de regering: sociale correcties voor de CD&V, een hoog basisbedrag voor de N-VA en de koppeling aan naar de kleuterklas gaan voor Open VLD.

Het nieuwe systeem gaat in voor kinderen die geboren worden vanaf 1 januari 2019. Voor de kinderen die er nu al zijn of in tussentijd worden geboren, blijft het oude systeem van kracht.

Onderwijs

Er is ook groen licht voor de hervorming van het secundair onderwijs. Een opsteker voor Vlaams minister voor Onderwijs Hilde Crevits (CD&V), die nu verder die hervorming kan uitrollen.

De eerste graad van het secundair onderwijs is nu afgeklopt. De hele filosofie achter die modernisering was om het talent van elk kind te ontplooien. Nu zitten kinderen soms niet in een studierichting waar ze wel het talent voor hebben en vandaar het belang voor die eerste graad. Dat zou een verkennende graad worden waarin kinderen kunnen ontdekken wat hen goed ligt. Kinderen die bijvoorbeeld sterk zijn in wiskunde die zouden daar dieper op kunnen ingaan. Kinderen die wat meer uren nodig hebben om de basisstof te verwerken, die zouden die ook krijgen. Zo zou elk kind goed kunnen kiezen voor de tweede graad. Ook in de derde graad zou het heel duidelijk worden welke richtingen nu voorbereiden op verder studeren, op de jobmarkt of op beide.

Provincies

Bij de provincies is er een akkoord over de daling van het aantal mandaten en budgetten. Er zou ook een oplossing zijn gevonden in de nu soms grote verschillen in provinciale belastingen, de zogenoemde opcentiemen.


Ook oom of buurvrouw kan kinderen door echtscheiding helpen

De Standaard – 25 mei 2016

Wanneer twee ouders scheiden, valt de wereld van hun kinderen vaak in twee helften uiteen. Netwerken scheiden mee. Toch is het fijner voor de kinderen als grootouders, ooms, tantes en vrienden erkenning blijven geven aan het leven ‘aan de andere kant’. De vzw Alianza breekt hiervoor een lans.
‘Mijn ouders zijn na al die jaren nog altijd in een vechtscheiding verwikkeld. Over elke nieuwe situatie trekken ze naar de rechtbank. Dan hoor je de ene kwaad spreken over de andere, en omgekeerd. Ik begrijp wel dat ze hun frustraties eens kwijt moeten, maar ik heb toch liever dat ze zoiets niet in mijn bijzijn doen’, zegt Ben (17). ‘Want mijn moeder blijft altijd mijn moeder, en ik ga nu wel niet meer bij mijn vader, maar hij blijft toch ook mijn vader.’

‘Daarom is het zo tof dat mijn peter geregeld vraagt hoe het met mij gaat, en of alles in orde is. Hij vraagt ook of ik nog iets van papa heb gehoord en hoe het bij mama is. Dat doet me veel plezier.’

Na een scheiding, is de wereld van de kinderen vaak in tweeën gespleten. ‘Ouders hebben het op dat moment vaak zelf lastig en hebben daardoor minder tijd en/of aandacht voor de noden van hun kinderen. Familieleden en vrienden kunnen dan in de bres springen’, zegt Vanessa Maes. Zij is psychotherapeute bij de vzw Alianza, die al tien jaar begeleiding geeft aan gezinnen in hoogconflictueuze scheidingen en hun kinderen.

Voetbaltrainer

‘We organiseren al langer info-avonden voor grootouders’, zegt Maes. ‘We merkten dat daar geregeld ook ooms en tantes mee naartoe kwamen. Nu richten we ons tot het bredere netwerk: al wie in zijn omgeving gezinnen kent die scheiden. Iedereen kan steun bieden aan deze gezinnen én hun kinderen.’

Kinderen in therapie hebben het daar vaak over, zegt Maes: ‘Over de grootouders bij wie ze na de scheiding nog elke woensdagnamiddag welkom zijn, ongeacht bij welke ouder ze verblijven. Of ook over de voetbaltrainer die op de hoogte is van de scheiding, maar toch geen enkele keer aan de jongere vraagt hoe het gaat. Er zijn families waar alleen slecht wordt gesproken over de ex. En andere, waar de ex wordt doodgezwegen. Ook leerkrachten of leiders in de jeugdbeweging kunnen een steun óf een last zijn voor kinderen na een scheiding.’

Maes heeft concrete tips voor al wie kinderen ‘door de scheidingsstorm’ wil helpen: ‘Toon belangstelling, door eens te vragen hoe het gaat, zowel bij mama als bij papa. Dwing kinderen niet om te praten en ga ook niet alles doorvertellen aan de ouders.’

Twee: ‘Probeer neutraal te blijven. Het is een groot cadeau voor de kinderen als bijvoorbeeld grootouders kunnen erkennen dat de volwassene op wie ze misschien boos zijn, toch een goede ouder is en dat de kinderen er in je bijzijn over mogen vertellen. Het komt er niet op aan bevriend te blijven met allebei de ouders. Dat is in de praktijk vaak niet houdbaar. Wel geef je bestaansrecht aan zowel vader als moeder.’

Stoom aflaten

Familie en vrienden zitten in hetzelfde schuitje als de kinderen, zegt Maes: ‘Zij hebben niet voor de scheiding gekozen. Ze worden er evengoed emotioneel door geraakt en moeten er mee de gevolgen van dragen. In dat gemeenschappelijke veld kunnen ze elkaar, als ze willen, heel mooi tegemoetkomen. Omgekeerd zullen kinderen die voelen dat ze niet op neutraal terrein zijn, op langere termijn wegblijven.’

Tot slot: ouders hebben tijdens de scheidingsstorm natuurlijk ook steun nodig van familie en vrienden, zegt Maes. ‘Zij moeten eens stoom kunnen aflaten, hebben ook een luisterend oor nodig. Dat houdt in dat je op het ene moment als zus met je zus praat, over hoe zij zich voelt. Je erkent haar pijn, maar houdt die niet mee in stand. En op het andere moment praat je met haar als tante, omdat je je zorgen maakt over de kinderen. Beide moeten kunnen.’


Eén gezin op de vier die kinderbijslag krijgen, komt moeilijk rond

Moneytalk – 25 mei 2016

Uit een onderzoek van Famifed, het federaal agentschap voor de kinderbijslag, blijkt dat 23 procent van de gezinnen die in juli 2014 kinderbijslag uitbetaald kregen, moeilijk kan rondkomen met het beschikbare gezinsinkomen.

Ongeveer de helft beschikt niet over de mogelijkheid om een onverwachte uitgave van 900 euro te doen. De kinderbijslag vormt dan ook voor veel gezinnen een belangrijk onderdeel van het beschikbare gezinsinkomen. Dat blijkt uit een rapport van Famifed waarover donderdag 26 mei een studiedag wordt gehouden.

Fundamenteel onderdeel gezinsbudget

Aangezien de kinderbijslag voor een gezin op maandelijkse basis al snel honderden euro kan bedragen, betekent dit voor een groot aantal gezinnen een fundamenteel onderdeel van het gezinsbudget. Ongeveer 1 op de 4 gezinnen die in de zomer van 2014 de kinderbijslag betaald kregen door Famifed geven aan “moeilijk tot zeer moeilijk rond te komen” met het totale beschikbare gezinsinkomen.

Ongeveer 3 op de 4 gezinnen geven aan dat ze het kindergeld meestal besteden aan algemene huishoudkosten zoals de woning, voeding en kledij. Andere veelgenoemde uitgaveposten zijn schoolkosten, dokterskosten en zakgeld voor de kinderen. Slechts een kleine minderheid van de gezinnen, vooral die met de hoogste inkomens, geeft aan dat ze van de kinderbijslag kunnen sparen.

“Gegeven het belang van de kinderbijslag in het gezinsinkomen en de manier waarop het wordt besteed, is het vandaag een belangrijk instrument in de verbetering van de levenskwaliteit en bijgevolg ook de kansen van de jongste generatie”, besluit het rapport. “Bovendien heeft de kinderbijslag een stabiliserend effect op de economie.”


Duizenden studenten aan de rilatine tijdens de examens

De Morgen – 25 mei 2016

Duizenden studenten nemen elke dag tijdens de examens minstens één pil rilatine om geconcentreerder te blokken en aan een examen te beginnen. En die groep groeit elk jaar.

Blokken met doping voor je brein: het is een gebruik waar steeds meer studenten zich aan wagen. Moeilijk is het niet te vinden: iedere student kent wel iemand met ADHD die een paar pilletjes kan missen.

De recentste Vlaamse cijfers, van een onderzoek van de Vereniging voor Alcohol- en andere Drugproblemen (VAD) uit 2013, maakten duidelijk dat bijna 5 procent van de studenten zich weleens aan een pilletje rilatine waagt. Sterker nog: 3 procent van de Vlaamse studenten, of omgerekend dus zo’n 7.000, gaf toe tijdens examenperiodes élke dag rilatine te slikken. In Nederland gaf zelfs 11 procent van de studenten bij een onderzoek uit 2015 toe dat ze het bekende ADHD-medicijn slikten om beter te studeren.

Herkenbaar, vinden ze bij de KU Leuven: “Sommige studenten geven aan dat ze tijdens de blokperiode weleens één pilletje nemen om eens een nachtje te kunnen doorblokken: een tablet van 10 mg rilatine zorgt voor een boost van het concentratievermogen die drie à vijf uur duurt. Bij anderen gaat het zelfs tot vijf à zes tabletjes per dag, en dat is toch gevaarlijk. Een ander gebruik blijkt het pilletje vlak voor een examen, om dat dan zo gefocust mogelijk af te leggen na een vermoeiende studieperiode”, zegt Rikka De Roy, huisarts bij het studentengezondheidscentrum van de KU Leuven.


Bedankt voor uw afwezigheid

De Standaard – 21 mei 2016

Meer mensen beleven grote momenten liever klein en kiezen ervoor om te rouwen en te trouwen in intieme kring. Van een gastenlijst in het crematorium tot een trouwringselfie achteraf: is less more?

‘Gevoelens zijn een belangrijke toegangsweg tot de wereld’, schreef de filosoof Peter Venmans in zijn recente boek Amor Mundi. Maar wat als we die wereld er niet per se bij willen op momenten dat onze gevoelens het meeste spelen?

Een rondvraag bij begrafenisondernemers leert dat ze elke maand minstens iemand in intieme kring begraven en dat dit opvallend meer is na een traditie van rouwen en trouwen in goed gevulde kerken. Ook huwelijksceremonies vinden vaker in stilte plaats: een hand wordt niet meer op voorhand gevraagd, ze wordt achteraf getoond – met de ring al rond de juiste vinger.

***

‘Elkaar het jawoord geven, was iets tussen ons twee’, zegt Nathalie Logghe (42), twee jaar geleden in stilte getrouwd met Werner ­Annaert. ‘Zelfs de kinderen waren er niet bij. We zijn al twintig jaar samen en we vonden dat het moment vooral een bevestiging was van onze standvastigheid. Als koppel moeten je fundamenten goed zitten, daar draait het om.’

‘Mijn man Werner houdt niet van dingen die “moeten”, dus mocht ons huwelijk ook best spontaan zijn. We zijn op de fiets naar het stadhuis gereden, een collega heeft alles gefilmd en bij thuiskomst hebben we een fles gekraakt, samen met de klusjesman die op dat moment onze voorgevel aan het schilderen was. Later hebben we een groot feest gegeven voor onze verjaardag en een filmpje van onze trouw op groot scherm vertoond. Iedereen was ontzettend ontroerd.’

***

Peter Venmans herkent het verhaal van Nathalie en Werner. ‘Het is vandaag een algemene tendens om je privégeluk centraal te stellen en je op belangrijke momenten terug te plooien op jezelf. Maar liefde ervaren, is meer dan enkel mooie gevoelens koesteren. Het betekent ook dat je vanuit een gedeeld verantwoordelijkheidsgevoel bereid bent om een offer te brengen. Dat offer houdt in dat je je via een ritueel inschrijft in een traditie. Ook als je jezelf niet helemaal herkent in de vorm van dat ritueel. Belangrijk is dat het herkenbaar is, waardoor anderen eraan kunnen deelnemen.’

Maar wat is er mis met een stukje traditie in besloten kring? De Nederlandse schrijfster Carry van Bruggen (1881-1932) beschreef mooi hoe er ‘een wereld te winnen valt met het zich terugtrekken uit de wereld. Toch voor diegene die terugkeert’. En trouwens, stammen offers ondertussen niet uit een oudtestamentisch tijdperk? Venmans vindt van niet.

‘Symbolen zijn altijd gemeenschappelijk. Het leidt tot een vorm van eenzaamheid als je de gemeenschap gaat zien als iets wat je moet buiten houden. De “buitenwereld” hoeft geen aanslag te plegen op je privéleven, je kunt hem ook zien als een ruimte die kansen biedt.’ Kansen op gedeelde herinneringen, bijvoorbeeld.

***

‘Toen mijn vader zelfmoord pleegde, liet hij een afscheidsbrief na’, vertelt Els Maes (40). ‘Het gezin mocht kiezen of hij gecremeerd of begraven werd, zolang het allemaal maar in besloten familiekring plaatsvond. Dan doe je dat: aan de wensen van een overledene twijfel je niet. We stonden met minder dan tien mensen rond zijn kist in de grote, kale aula van het crematorium. Er waren geen collega’s, geen buren, geen vrienden. Niemand die mooie herinneringen aan hem kwam oprakelen. Dan krimpt een ritueel tot je het nog amper herkent. Tot op vandaag worstel ik met dat sobere afscheid. Voor mij voelde het als een bevestiging van de bitterheid die aan mijn vaders dood voorafging. De begrafenis maakte de eenzaamheid zichtbaar die hij in zijn leven had opgezocht. Door die koude ervaring heb ik beslist om mensen toe te laten bij intense gebeurtenissen in mijn leven. Misschien had hij het gevoel dat hij helemaal alleen stond in het leven maar ik had wel graag iemand aan mijn zijde gehad die dag. Want als je een moment met anderen deelt dan heeft het vaak meer impact. Nu voelt het alsof de begrafenis van mijn vader nooit heeft plaatsgevonden: niemand van mijn vrienden was erbij, er zijn geen gedeelde herinneringen, het is stil en onopgemerkt gepasseerd. Een mens mag gerust luider uit het leven verdwijnen.’

***

Begrafenissen in intieme kring zie je vooral in steden opduiken, klinkt het bij Uitvaartzorg Bentein-Pollet uit Oudenburg. ‘En het gaat zeker niet alleen over oudere mensen die amper nog vrienden of familie hebben. Soms speelt bijvoorbeeld een familieruzie, maar nog vaker is het een uitgesproken keuze om het klein te houden. We hebben al meegemaakt dat er maar vier mensen op de eerste rij zaten. Dan houdt iemand aan de deur een gastenlijst bij: wie niet vermeld staat, vragen we om de wens van de familie te respecteren. Sommige mensen reageren begripvol, anderen gekwetst.’

Families die kiezen voor een begrafenis in intieme kring voelen dit vaak als persoonlijker aan, zegt Rudi Vercauteren van Verstraeten Uitvaartzorg uit Hoboken. ‘Je hoeft geen rekening te houden met een draaiboek of met de mensen achter je, dus kun je je volledig richten op de overledene en op de dierbaren naast je. Maar uiteindelijk is “persoonlijk” voor elke familie anders en kan ook een open afscheid heel intiem aanvoelen.’

‘Rouwen kan volgens mij niet louter een privézaak zijn’, zegt Peter Venmans. ‘We zien het rouwproces vandaag te veel als het herstellen van geluk, terwijl rouwen vroeger inhield dat je iets eerde wat niet meer tot de wereld behoorde. Met de dood staat de gestorvene centraal en niet zozeer het eigen verdriet.’

***

‘Je kunt alles grootschalig doen behalve de dingen die ertoe doen’, zegt de schrijver Marnix Peeters (50), die in alle stilte trouwde met Jana Wuyts (34). ‘Daarom zijn we op een maandagochtend impulsief getrouwd – voor zover dat natuurlijk mogelijk is. Noem het “romantische spontaniteit”. Hoewel sommige mensen achteraf toch ontgoocheld waren: de grootmoeder, mijn beste vriend…’

‘De getuige was een bevriend dichter die we de vorige avond op café tegen het lijf waren gelopen en die – licht ruikend naar bier – bereid was om een handtekening te zetten. Nadien zijn we nog iets gaan drinken op café en daarna heb ik thuis een gehaktschotel gemaakt. Het was tof, zo op ons eigen: ondanks de banaliteit was het toch een indrukwekkende dag. En we geloven echt dat net door die allenigheid de dag helder in ons geheugen zit. Want wat als er tweehonderd man rond je staat, dan voltrekt alles zich door de zenuwen toch onvermijdelijk in een waas? Gastenlijsten, tafelschikking, conventies: het leek ons de hel. Voor ons hoeft al die oubollige zever niet.’

***

‘Dat we rituelen persoonlijker maken, is niet zo radicaal als het lijkt’, zegt filosoof Herman De Dijn. ‘Het belangrijkste is dat we op de belangrijke scharniermomenten nog altijd naar overgangsrituelen grijpen. Het zou pas radicaal zijn om niets te doen bij een overlijden of ter bevestiging van een relatie.’

Maar waarom raken we vandaag dan overtuigd dat we die momenten intenser en serieuzer kunnen beleven zonder pottenkijkers? ‘We leven in een individualistische tijd waarin emoties erg belangrijk zijn’, zegt De Dijn. ‘Dus denken we dat traditionele, collectieve rituelen niet langer geschikt zijn om belangrijke momenten doorleefd te beleven. Maar dat is een illusie: de diepte van het moment zit voor een groot deel net in de gemeenschappelijke vertrouwdheid van een ritueel. De diepste ervaringen vinden hun oorsprong net in het delen van innerlijke ervaringen. Maar bekijk het positief: dát we iets doen zegt nog altijd meer dan hóe we iets doen.’


‘Hoog tijd om minderjarigen als volwassen mensen te bekijken en te behandelen’

Knack – 19 mei 2016

‘Minderjarigen moeten ruimte krijgen voor inspraak en dialoog op elk niveau’, schrijft Erika Coene van de Gezinsbond. ‘Daarom pleiten wij voor een systeem van getrapte meerderjarigheid.’

De juridische en maatschappelijke realiteit sporen niet altijd gelijk, zo is dat ook bij minderjarigen. Volgens het Burgerlijk Wetboek zijn zij handelingsonbekwaam. Dat betekent dat zij voor iedere rechtshandeling beroep moeten doen op een wettelijke vertegenwoordiger, vaak de ouders. Lid worden van de jeugdbeweging, een bankrekening beheren en ja, zelfs als ze een jas willen kopen. Allemaal handelingen die een minderjarige, al gaat het over een zeventienjarige, volgens de wet niet alleen kan ondernemen.

Gelukkig mildert andere wetgeving op sommige vlakken dit al te strikte principe. Denken we bijvoorbeeld aan de wet op de patiëntenrechten die minderjarigen inspraak geeft bij medische behandelingen. De dagelijkse maatschappelijke realiteit toont dan ook een genuanceerder beeld. Minderjarigen nemen wel zelfstandig initiatieven. Ze participeren en leveren een grote en waardevolle bijdrage aan de samenleving. Hoog tijd dus om hen als volwaardige mensen te bekijken en op die manier ook te behandelen. Dat vraagt bijsturing van het recht op diverse vlakken.

Niet langer een stem in de woestijn?

Minderjarigen moeten ruimte krijgen voor inspraak en dialoog op elk niveau. Niet alleen in concrete situaties, maar ook wanneer het beleid beslissingen neemt die hen aanbelangen. Bovendien moeten minderjarigen hun stem kunnen laten horen, los van hun ouders of een andere wettelijk vertegenwoordiger. Dit is vooral van belang wanneer hun belangen niet gelijklopen met die van hun ouders of als de relatie vertroebeld is.

Het is de enige manier om toch de kans te krijgen om hun visie op de kwestie weer te geven. Concreet gaat het bijvoorbeeld om een jongere die naar een andere school wil dat diegene die zijn ouders voor hem hebben gekozen, of een andere studierichting wil gaan volgen. Of die in therapie wil gaan, terwijl de ouders dat niet nodig vinden.

Hoorrecht zoals we dat vandaag kennen in juridische procedures volstaat niet. Jongeren rechten toekennen zonder dat ze die in praktijk kunnen afdwingen, is zinloos. Een zelfstandige rechtstoegang is noodzakelijk.

Volwassen worden gaat geleidelijk aan

Vanzelfsprekend kan niet elke minderjarige op dezelfde leeftijd op een evenwichtige manier omgaan met een pakket verantwoordelijkheden. Het is een delicate evenwichtsoefening tussen de broodnodige bescherming van minderjarigen (die ook de reden voor het invoeren van de handelingsonbekwaamheid was) en het geleidelijk aan geven van vrijheid en verantwoordelijkheden. De Gezinsbond pleit daarom voor een systeem van getrapte meerderjarigheid. Ouders krijgen een centrale rol. Meestal kunnen zij het beste inschatten in hoeverre hun kinderen in staat zijn bepaalde beslissingen zelfstandig te nemen. Maar het systeem houdt meer in dan dat.

Voor kinderen jonger dan 12 jaar verandert er weinig aan de huidige situatie. Jongeren zijn op die leeftijd vaak nog effectief te jong om weloverwogen beslissingen te kunnen nemen. De wettelijk vertegenwoordiger is dan het best geplaatst om dit te doen in het belang en in de plaats van de minderjarige. We kunnen echter het belang van inspraak en dialoog niet genoeg benadrukken, ook voor deze jonge kinderen. Zeker in situaties wanneer het hun morele, fysieke, psychische of seksuele integriteit aanbelangt.

De leeftijdscategorie 12- tot 14-jarigen is vaak al in staat om gebruikelijke rechtshandelingen te stellen, afhankelijk van context en maturiteit. Dertienjarigen zijn vaak perfect in staat om bijvoorbeeld aankopen te doen met een beperkt budget, of om zich kandidaat te stellen voor een auditie. Als hun ouders oordelen dat zij hiertoe in staat zijn, zorgt een wettelijk vermoeden ervoor ze dit ook effectief kunnen doen. Als anderen hier een andere mening op nahouden, dan kunnen zij dit aan een rechter voorleggen en het tegendeel aantonen.

Uiteenlopende visies

Soms loopt de visie van de jongere en zijn ouders evenwel niet gelijk, en is het noodzakelijk om de jongere hierin de kans te geven zijn visie ook aan de rechter voor te leggen. Vandaar dus het belang van zelfstandige rechtstoegang.

Gaat het over kwesties die de morele, fysieke, psychische of seksuele integriteit van de minderjarige aanbelangt, dan komt de beoordeling van de minderjarige op de eerste plaats. Denk hierbij aan het volgen van een therapie, de keuze voor een besnijdenis, het lidmaatschap van religieuze verenigingen. Tenzij die indruist tegen expliciete wetgeving uiteraard. Ook hier kan iemand die er een andere mening op nahoudt (bijvoorbeeld de ouders), zich wenden tot de rechtbank.

In de leeftijdscategorie 14- tot 16-jarigen kan een derde die te goeder trouw is er van uitgaan dat de minderjarige de rechtshandeling kan stellen. Een vijftienjarige lid maken van een vereniging, of iets verkopen, mag in principe geen probleem zijn. Ook hier weer kan al wie het daar niet mee eens is, verhaal halen bij de rechtbank (bijvoorbeeld als de aankoop buiten proportie is met de middelen van de jongere). En net als bij de vorige leeftijdscategorie is de beoordeling van de minderjarige zelf doorslaggevend als het gaat om zijn integriteit.

Laatste leeftijdscategorie: de minderjarigen tussen 16 en 18 jaar. Deze adolescenten kunnen alle rechtshandelingen zelfstandig stellen, behalve diegenen waarvoor een wettelijke uitzondering is voorzien. Meest voor de hand liggen de rechtshandelingen met een grote vermogensrechtelijke impact zoals aan- en verkoop van een onroerend goed, vestigen van een hypotheek, aanvaarden en verwerpen van een nalatenschap. Uiteraard gelden de algemene regels van het verbintenissenrecht, en kan wie daar belang bij heeft de nietigheid inroepen als daartoe een reden bestaat.

Gezin als uitvalsbasis

Rechten van kinderen staan niet lijnrecht tegenover rechten van volwassenen. Zij hebben beiden de verantwoordelijkheid om samen, in dialoog, een evenwicht te vinden tussen elkaars rechten. De gezinscontext is bij uitstek het milieu waar zo een dialoog tot stand kan komen. Het gaat over geven en nemen, verantwoordelijkheid opnemen voor de ander en tegelijk onderwerp van verantwoordelijkheid zijn voor die ander. Natuurlijke processen binnen een gezin die we expliciet moeten benoemen en waarbij we de actoren in hun rol moeten versterken.


Wat als de enige optie geen optie meer is

De Standaard – 14 mei 2016

Hij zei het na een driedaagse klasuitstap: ‘Ik ga nooit meer naar school, en als je me verplicht, spring ik door het raam.’ Dit is het verhaal van de moeilijke zoektocht van Ann en Joris, en hun zoon Liam. ‘Je móét naar school: er is maar één systeem, en daar word je in gedwongen.’

‘Liam, vertel jij zelf graag nog iets?’ Het antwoord uit de keuken is kort: ‘Nee.’ ‘Dus Griet mag jou geen vragen stellen? Soms is het zinvol als jongeren zelf hun kijk geven.’ Geen reactie. Hij kijkt niet op als hij langs de livingtafel terug naar boven gaat, een magere maar sportief ogende jongen. Hij heeft wat te eten genomen en gaat weer verder gamen. ‘Goed, dan dring ik niet meer aan.’

Ze waren verrast, zegt Ann*, zijn moeder, toen hij meteen zijn fiat voor dit artikel gaf – zolang hij het verhaal maar niet zelf hoefde te doen. Zoals hij hen ook verbaasde toen hem voor het eerst naar zijn toekomstdroom werd gevraagd: leerkracht worden. ‘Om kinderen te helpen zoals ik.’ Hij is empathisch, zeggen zijn ouders, zorgzaam. Wat verderop in de straat wonen kleine kinderen met wie hij vaak gaat spelen, hij zou een goede opvoeder zijn, denkt zijn vader. En dat je eerst een diploma moet halen voor je leerkracht kunt worden? Ann: ‘Hebben we al tot in den treure herhaald.’

Ook vandaag zat Liam (13) niet op school. Eén uurtje les had hij, op de school van het universitaire ziekenhuis waar hij sinds december in dagbehandeling is. Alle andere activiteiten op de afdeling kinder- en jeugdpsychiatrie doet hij zonder morren mee, maar school is zelfs daar, met één uurtje per dag, een obstakel. Ann: ‘Vorige week kreeg ik om halftwee ’s middags telefoon van het ziekenhuis, dat hij al sinds elf uur op het toilet zat. Hij wou niet naar de klas. En toen ik hem vandaag vroeg waarom hij was thuisgebleven, zei hij haast niets: te veel stress op school.’

Het begon nochtans goed toen Liam begin december, na drie maanden op de wachtlijst, in een dagprogramma terechtkon. Kleine leefgroep, warm onthaal, veel vertrouwen, weinig eisen of verwachtingen. Ann: ‘Ze wilden hem daar in eerste instantie vooral leren kennen. Bovendien was het examenperiode, les had hij niet. En toen hij in januari echt kon beginnen, moest het ziekenhuis eerst met zijn school aftoetsen: welke boeken hij daar had gebruikt, hoever hij was geraakt. Hij heeft dit schooljaar nog niet zoveel les gehad. Maar stilaan is ook in het dagprogramma sprake van enige druk: ze willen hem zoetjesaan op september, en misschien een nieuwe start, voorbereiden. En kijk, meteen was hij twee keer afwezig afgelopen week.’

De crash

Haast dag op dag een jaar geleden kwam de ‘crash’, zoals Ann het noemt. Dat de overgang van de lagere school naar het middelbaar hem lastig viel, hadden ze al eerder aan Liam gemerkt. Niet dat er de klachten kwamen: zijn punten bleven goed, zijn gedrag was dat ook, ‘dan val je niet op’. Maar hij ging met grote tegenzin, zei geregeld dingen als: ‘Ik haat school, waarom moet dit nu?’ Puberpraat, dachten Ann en Joris lang, welke tiener gaat wél graag?

Ann: ‘Hij had zelf voor Latijn gekozen, deed dat graag, wij dachten: het loopt wel los. Bovendien was dat eerste middelbaar vaak best een gezellige tijd voor hem. Sociale contacten zijn nooit een probleem geweest: hij had, en heeft, veel vrienden; is nooit een haantje-de-voorste geweest, maar was wel bij de populaire jongens van de klas. Elke ochtend vertrokken ze hier met drie of vier naar school, dát vond hij leuk: met zijn vrienden op de fiets. En basketbal op de speelplaats. Maar dat wás het. Als je zo de godganse dag op school moet zitten, houd je dat niet vol.’

Ze hebben onderschat, zegt Joris, hoeveel moeite hij moest doen om zich elke dag weer op te laden. ‘“Leerkrachten zijn niet geïnteresseerd in mij,” zei hij dan, ­“alleen in de leerstof en de groep.” En ook: “Is dit nu mijn leven?” Existentiële vragen haast. Hij zag er vaak erg bleek uit, kreeg almaar meer fysieke klachten: buikpijn, migraine. Soms waren die terecht, soms vooral een poging om er een dag van af te pitsen.’

De examens met kerst kwam hij zonder kleerscheuren door, net als de proeven met Pasen. Maar na een driedaagse schooluitstap ging het fout. Ann: ‘Ze waren van donderdag- tot zaterdagavond naar Nederland geweest en ik ging hem halen. “Hoe is ’t?”, vroeg ik, toen hij van de bus kwam. “Goed”, zei hij. Maar toen we bij de auto waren, zei hij plots: “Keislecht, ik ga nooit meer naar school.” En ’s avonds op zijn kamer herhaalde hij dat: “Ik ga nooit meer naar school, en als je me verplicht, spring ik door het raam”.’

Hun eerste reactie: was er op de uitstap iets gebeurd? Ruzie, pesterijen, heibel met een leerkracht? Niets van dat alles bleek het geval – nog altijd niet. En hij was al eerder op bos- en zeeklas gegaan, een week weg van huis. Ann: ‘Maar dit moet té zijn geweest: te veel stress, een te strak stramien, te weinig slaap. Alle druk die zich de maanden daarvoor had opgestapeld, werd hem plots te veel.’

Wat is niet willen, en wat niet kunnen?

Een dikke week rust schreef de huisarts hem voor. Het was mei, de examens kwamen eraan. Zijn school, een college, was met schoolweigering niet of nauwelijks vertrouwd, maar er was goede wil en veel flexibiliteit: hij moest alleen van de vier hoofdvakken examen doen. En met de dokter was afgesproken dat hij minstens drie dagen per week naar school moest, de twee overige dagen had hij – als hij dat wou – een joker. ‘Dat systeem heeft enkele weken min of meer standgehouden. Hij heeft z’n examens gedaan: pro forma, want hij was er sowieso al door. En toen kwam de vakantie.’

Twee maanden respijt, hoopten Ann en Joris: vakantie was altijd een verademing geweest. Maar voor het eerst stond ook toen de spanning op zijn gezicht. Ann: ‘Hij bleef slecht slapen, slecht eten – hij is sinds vorig jaar ettelijke kilo’s afgevallen, mensen schrikken als ze hem zien. Alleen toen hij een paar dagen bij zijn peter was, om een boomhut te maken, en op kamp in Italië, was hij echt relaxt. Dat bleek een echte “chill-vakantie”: zon, zee, strand. Zijn droom is een week in zo’n Turks megahotel met drie zwembaden: wij zijn daar niet het type mensen voor, hém lijkt het de ultieme ontspanning. Dat zegt veel, vind ik: hoeveel stress moet daar vanbinnen niet zitten, als dát zijn grootste wens is?’

Het is een moeilijk evenwicht, vindt ­Joris, zoals haast alles in de omgang met hun zoon een voorzichtig balanceren is geworden. ‘Wij begrijpen hoe stresserend school voor Liam is. In alle andere aspecten van het leven kan hij zich handhaven, op school niet. Maar wij willen hem ook wapenen voor wat hem wacht. Zonder school geen diploma, zonder diploma geen – of toch veel moeilijker – werk.’ Ze krijgen het geregeld te horen: of hun kind niet gewoon verwend is. Met in één adem vaak wat ‘goede raad’: dat ze harder moeten zijn, niet te veel compassie mogen hebben. Ann: ‘Iedereen had het al tien keer opgelost. Terwijl het ­allemaal zo eenduidig niet is. Ik weet het soms zelf niet meer: wat is niet willen, en wat niet kunnen?’

Burn-out

Hoeveel kinderen en jongeren in ons land hetzelfde probleem als Liam hebben, daarover zijn geen cijfers. Maar experts gaan van gelijkaardige percentages uit als in het buitenland: 1 tot 5 procent van alle leerlingen, en evenveel meisjes als jongens. ‘Het zijn er met de jaren alleszins niet minder geworden’, zegt Gino Ameye, klinisch psycholoog bij het kinderpsychiatrisch centrum De Kaap. ‘Ik hoor dat ook bij leerlingen steeds meer over een “burn-out” wordt gesproken: dat komt vaak op hetzelfde neer.’ Vroeger had de literatuur het over ‘school­fobie’, tegenwoordig wordt als wetenschappelijke term ‘schoolweigering’ gebruikt. ‘Dat is juister,’ zegt Ameye, ‘omdat het geen zuivere fobie betreft, zoals angst voor spinnen of kleine ruimtes. Een veelheid aan factoren kan aan de basis liggen. Tegelijk is ook “schoolweigering” soms misleidend, omdat het suggereert dat kinderen “niet willen”, alsof het om een bewuste act gaat. Terwijl het veeleer “niet kunnen” is.’

Schoolweigering is geen aparte diagnostische categorie, beklemtoont Ameye. ‘Het is een dynamiek, vaak een progressief proces waarachter verschillende problemen kunnen schuilgaan: angst, leerstoornissen, stress, depressie, gedragsproblemen. We spreken van schoolweigering als het een kind niet of nauwelijks nog lukt om naar school te gaan en – vooral – als onder die weigering een groot psychisch leed of verdriet schuilt. Een kind heeft buikpijn, hoofdpijn, slaapt niet meer; die problemen worden almaar erger, tot het niet meer lukt. Het onderscheid met spijbelen is belangrijk: wie weigert naar school te gaan, doet niets leuks als hij wegblijft. Zit niet op café, is niet het prototype van de gamer die spijbelt om uren te spelen. Bij schoolweigering zijn kinderen doorgaans met medeweten van hun ouders thuis.’

Ook Elke Van Roie, kinder- en jeugd­psychiater aan UPC/KUL, campus Gasthuisberg, weet: zoveel jongeren, zoveel oorzaken, zoveel uitingen. Dat maakt het moeilijk vaste patronen in of achter schoolweigering te ontwaren. ‘Het is altijd opnieuw zoeken naar het achterliggende verhaal. Dat klinkt gemakkelijker dan het is. Wat zijn de dynamieken, de stressfactoren? Welke rol heeft de tijd gespeeld, zit het kind in patronen vast? Soms houdt het met ingrijpende gebeurtenissen verband, zoals een verlies, een verhuizing, een scheiding. Maar er hoeft lang niet altijd een groot, acuut verhaal te zijn. School kan sowieso ontwrichtend zijn in het leven van een kind, al zeker in de puberteit, als in de hersenen maar ook sociaal-psychisch van alles verandert. Dat zien we wél, dat er standaardmomenten zijn waarop een kind niet meer op school raakt: na de vakantie, of bij een grote overgang, van de kleuterklas naar het eerste leerjaar, of van de lagere school naar het middelbaar.’

School is verbrand

Ook bij Liam ontwaart zich dat patroon. Pas vorig jaar kwam hij in de problemen, maar ook vroeger ging hij zelden graag naar school. Eigenlijk ging het in de crèche al moeizaam, zegt Ann, als ze terugblikt. ‘Ze kregen hem niet in het ritme van de andere kinderen, hij was voortdurend “ziek”, terwijl er volgens de dokter niets aan de hand was. Zijn kleutertijd was wel behoorlijk rimpelloos, al weet ik dat hij toen al zei: het leven is belachelijk, eerst moet je naar school, en als je groot bent, moet je werken.’

Ook de lagere school was wennen, maar eens vertrokken, ging het goed – zo goed zelfs dat hij op vraag van de school het derde leerjaar oversloeg. Ann: ‘Hij zou zich vervelen, dachten ze. Met een bijzonder moeilijk vierde jaar als gevolg. Hij heeft toen veel migraineaanvallen gehad: laat maar eens een scan nemen, zei de dokter op het einde van het schooljaar zelfs. Toch nog even wachten, dachten wij, wie weet wat de vakantie brengt. Geen dag last heeft hij die twee maanden gehad. En het vijfde en zesde leerjaar gingen opnieuw goed. Veel hing van de leerkracht af: als niet alleen de leerstof belangrijk was, maar ook het kind, met zijn hele persoonlijkheid, dan voelde hij zich veel beter.’

Samengevat: een schoolloopbaan met al eens een hindernis, maar nooit problematisch. En thuis was Liam een jongen zoals veel jongens zijn: speels, sportief, graag met games bezig, soms een goede band met zijn oudere broer en jongere zus, soms minder. Niets liet vermoeden dat het eerste middelbaar zo ontwrichtend zou zijn. Sinds september is school zelfs ‘helemaal verbrand’. Ze hadden nochtans goede hoop. Liam zou naar een methodeschool gaan, had hij met de psychiater afgesproken: ervaringsgericht, projectmatig én er zaten twee meisjes die hij kende van het Italië-kamp. Joris: ‘We dachten: nu zal de mayonaise pakken.’ Maar het ging meteen fout. ‘De methodeklas bleek volzet. Toen ik hem ’s middags ging halen om samen boeken te kopen, was hij een ijsklompje. Hij staarde voor zich uit, was volledig verstard. Later is in de methodeklas toch nog plaats voor hem gemaakt, maar hij is er niet eens meer begonnen. Nochtans heeft die school grote moeite gedaan, ze bleven met ons naar oplossingen zoeken. Vergeefs. En tóén kwamen bij ons de vragen: school lukt niet, er is leerplicht in dit land, wat nu?’

Het was hun psychiater die dagbehandeling adviseerde. Maar zoals zo vaak in de psychiatrie: niet zonder dat hij eerst op een wachtlijst kwam. Van september tot begin december zat Liam thuis, met een doktersattest. Ann: ‘Hij voelde nochtans zelf dat altijd thuis evenmin een optie is. We hadden er ook over gewaakt dat het niet te leuk werd: geen computer overdag, geen smartphone. Maar ik houd mijn hart vast voor september, als hij wordt verondersteld nog maar eens te proberen.’

Ze zijn er nu al intensief mee bezig: straks, na het interview, gaat Joris nog een nacht voor de schoolpoort kamperen. Ze willen Liam graag in een type 9-klas inschrijven, voor jongeren met een autismespectrumstoornis, maar met drie kandidaten voor één plaats, wordt dat heikel. En er heeft zich kennelijk al iemand aan de school opgesteld. Ann: ‘We zijn dus eigenlijk al te laat. En zelfs áls er een plek vrijkomt: voor hetzelfde geld start hij in september niet eens. En palmen wij een plek in die een ander goed zou kunnen gebruiken.’

Pantser

De diagnose ASS, autismespectrumstoornis, kwam er pas onlangs, na tests op verzoek van Liam zelf. ‘We keken op van dat etiket, ja. Ik heb alle vertrouwen in de diagnostiek van het ziekenhuis, maar wij hadden nooit grote moeilijkheden met Liam gehad. Het is duidelijk dat zijn probleem heel uitgesproken met school verband houdt. Tegelijk heeft het me verrast hoeveel makkelijker je met zo’n etiket op goede hulp een beroep kunt doen. Wij komen nu bijvoorbeeld voor aangepast onderwijs in aanmerking.’

Wat ook duidelijk is, benadrukken specialisten als Gino Ameye en Elke Van Roie: hoe langer een kind of jongere school mijdt, hoe moeilijker een terugkeer wordt. Ameye vindt niet dat er nog een categorie ‘jongeren met problemen’ hoeft bij te komen: ‘Dat is geen oplossing, en bovendien is er geen geld voor extra bedden. We kunnen maar beter creatief en realistisch zijn: CLB’s en scholen sensibiliseren, maken dat signalen sneller worden opgepikt. De Kaap heeft sinds kort een dagprogramma waarbij we in nauw contact staan met de school van de jongeren, zodat we hen daar weer kunnen integreren. De paradox is natuurlijk dat veel jongeren gedwóngen thuis zitten, omdat zelfs voor die meer ambulante zorg haast overal wachtlijsten zijn.’

De ervaringen van Liam met het CLB waren wisselend: soms hartelijk en toegewijd, soms was er vooral onwetendheid. Ann herinnert zich de reactie van een dame die wellicht nog nooit van schoolweigering had gehoord. ‘“Je weet toch dat iedereen tot z’n 18de naar school moet van de minister”. Net wat Liam nodig had.’ Elke Van Roie kent de pijnpunten, zeker sinds de invoering van het M-decreet: ‘CLB’s en scholen doen hun best, maar vele zijn nog niet klaar voor inclusief onderwijs. En als toch een andere vorm van onderwijs nodig blijkt, schiet het aanbod vaak te kort.’

‘Kijk,’ zegt Van Roie, ‘de eerste strategie bij schoolweigering is: erger voorkomen. In de hoop dat het kind went aan de stress en de angst die met school gepaard gaan. Een kind dat wegblijft, kán niet wennen en komt in een vicieuze cirkel terecht. Maar het is een moeilijk evenwicht, ook voor ouders. We leren kinderen dapper te zijn, maar we mogen nooit dogmatisch worden: een kind tot elke prijs naar school sturen, hoe goedbedoeld ook, is vaak veeleer traumatiserend dan helpend. We moeten altijd de mogelijkheden van een kind voor ogen houden. En in de eerste plaats iets doen aan de achterliggende betekenis van de schoolweigering. Kan een kind echt niet naar school, vindt het in het systeem niet zijn plek, dan moet de omgeving zich aan het kind aanpassen – niet omgekeerd.’

Het houdt ook Ann en Joris bezig: hoeveel druk mogen ze zetten? Hun alternatieven zijn wel erg beperkt geworden, voelt Joris. ‘“Grijp je kans, jongen,” zou ik Liam willen zeggen, “laat dit niet schieten”. Maar dringen we te veel aan, dan duwt hij ons weer weg. Hij heeft een pantser aangetrokken, en boren wij daar gaatjes in, dan klapt hij dicht. Dát is zo erg: we raken er niet meer door.’

Een ander zijn geluk

Ann vertelt dat ze afgelopen weekend een trampoline hebben gekocht. En dat Liam daar vandaag voortdurend op zat, ‘ontspannend, vond hij’. Ze vraagt zich af wat de toekomst voor hem wordt, als ze ziet hoe hard en snel er wordt gewerkt en geleefd. ‘Familie vraagt voortdurend: hoe is ’t in de klas? Je móét naar school: er is maar één systeem, en daar word je in gedwongen. Ook wij willen Liam zo snel mogelijk weer in het gewone onderwijsparcours. Is dat goed of niet? Ik weet het niet. Liams definitie van geluk is anders dan de onze.’

Eigenlijk komt het hierop neer, vindt Ann: wat doe je als je kind niet binnen de lijnen past die de maatschappij voor hem of haar heeft uitgezet? Dat je naar school gaat, is de evidentie zelve in onze samenleving. ‘Lukt jouw kind dat niet, dan wacht een moeilijke zoektocht. Eerst wilden wij Liam zo snel mogelijk weer “ingepast” krijgen, nu denk ik steeds meer: misschien heeft hij iets anders nodig. Of misschien zou het makkelijker zijn mocht iemand zeggen: reken er de eerste drie jaar niet op dat het lukt.’

Elke Van Roie blijft hoopvol. Een jongere die zich nu niet ontwikkelt, doet dat later misschien wel. ‘Tegelijk moet ons onderwijs creatiever. Er zijn andere vormen van leren mogelijk dan het klassieke schoolsysteem. Ik vind leerplicht, maar vooral “leerrecht”, fantastisch. Alleen: voor een subgroep werkt het net verlammend – dat is de paradox. Soms vinden kinderen snel weer aansluiting bij school, soms duurt dat langer, in een zeldzaam geval lukt het niet. Maar ook dan zijn er alternatieven: bednet, thuisonderwijs, bijleren op een zorgboerderij of op een andere werkplek, tweedekansonderwijs. Dat proberen wij ouders en kinderen duidelijk te maken: er zijn meerdere wegen die naar Rome leiden, en naar een gelukkig leven.’

Ook Liam kan binnenkort misschien één dag per week naar een zorgboerderij. En helpen in een kinderdagverblijf, zou dat niets voor hem zijn, oppert Ann? Onlangs zag ze een documentaire over kwetsbare jongeren. ‘“Ik ben maar om één ding blij,” zei een van die jongens: “dat mijn ouders mij nooit hebben opgegeven”. Ik wil dat Liam over ons later hetzelfde kan zeggen.’


Hotel mama blijft langer open

Nieuwsblad – 9 mei 2016

Hotel Mama draait op volle toeren. Met meer en langer dan ooit blijven we thuis hangen, blijkt uit cijfers van het Hoger Instituut voor Gezinswetenschappen. Mannen blijven langer thuis wonen dan vrouwen, en Limburgers vaker dan West-Vlamingen. “Maar wie langer in Hotel Mama blijft, heeft het daarna niet moeilijker om zelfstandig te worden.”
Nestklevers heten ze, de twintigers die het zelfstandige leven nog niet helemaal zien zitten en tot hun 25ste of 30ste bij hun ­ouders blijven wonen. Of boemerangkinderen, als ze na hun tijd op kot of na een stukgelopen ­relatie terugkeren naar mama en papa. “We onderschatten hoeveel volwassen kinderen samenwonen met hun ouders”, concluderen onderzoekers van het ­Hoger Instituut voor Gezins­wetenschappen in hun boek ­Zoals het klokje thuis tikt, dat ­komende vrijdag wordt voor­gesteld.

Een nieuwe ontwikkelingsfase

Daarin verzamelen en analyseren ze een boel cijfers rond ­ouders, volwassen kinderen en samenhuizen. “Als er over gezinnen gesproken wordt, gaat het bijna altijd over gezinnen met jonge kinderen en zelden over gezinnen met volwassen kinderen”, zegt socioloog Dirk Luyten, een van de auteurs van het boek. “Nochtans tonen de cijfers aan dat dit er heel veel zijn. Het aantal nestklevers is de afgelopen twintig jaar sterk gestegen.”


Twee op drie kinderen gebuisd voor verkeerskennis

De Standaard – 6 mei 2016

Leerlingen in het basisonderwijs kennen de theorie wel, maar gaan de mist in als ze geconfronteerd worden met échte verkeerssituaties. Dat blijkt uit de resultaten van De Grote Verkeerstoets van de Vlaamse Stichting Verkeerskunde (VSV). Liefst twee op de drie kinderen uit het vijfde leerjaar zijn gebuisd.

‘Je nadert met je fiets een oversteekplaats voor fietsers. Heb je hier voorrang? ‘ Slechts 22 procent van de leerlingen uit het vijfde leerjaar weet dat het antwoord op die vraag ‘neen’ is. Slechts één op de drie is geslaagd voor de Grote Verkeerstoets van de Vlaamse Stichting Verkeerskunde (VSV), die door 33.657 elfjarigen werd ingevuld. De meesten hadden minder dan 17 van de 25 vragen correct.

‘Dit bewijst dat scholen en ouders met de kinderen de straat op moeten om te oefenen’, zegt VSV-woordvoerder Werner De Dobbeleer. ‘Ga met hen naar moeilijke kruispunten en leg uit waar je als voetganger en fietser op moet letten.’

Onderwijsminister Hilde Crevits (CD&V) zegt de resultaten mee te nemen naar het debat over de eindtermen in het ­basis- en secundair onderwijs. ‘Toch hebben al veel leraren aandacht voor verkeersveiligheid buiten de schoolmuren’, zegt ze. ‘Bijvoorbeeld wanneer de klas te voet of per fiets naar het zwembad gaat.’


Een betrokken vader maakt kinderen gelukkig

De Standaard – 3 mei 2016

‘Kinderen met betrokken vaders zijn gelukkiger en doen het beter op school’, dat is de conclusie die Renske Keizer kon trekken uit haar onderzoek naar de impact van vaderschap op kinderen.
Hoogleraar Vaderschap aan de Universiteit van Amsterdam, Renske Keizer, benadrukt in haar onderzoek de rol van de vader bij de ontwikkeling van het kind.

Positieve invloed

Uit het onderzoek blijkt dat kinderen met betrokken vaders een gelukkiger leven leiden. Ze doen het beter op school en zijn ook minder vaak betrokken bij criminele activiteiten. Jongens met een betrokken vader denken op latere leeftijd meer gelijkwaardig over mannen en vrouwen. Ook bij de rolverdeling thuis gaan mannen een groter aandeel in de zorgtaken krijgen.

Dochters van betrokken vaders gaan later meer participeren op de arbeidsmarkt.

Twee tendensen

Volgens Keizer zijn er twee tendensen die gezorgd hebben voor een groeiend belang van de rol van de vader en de ontwikkeling van het kind. Een eerste bestaat uit de stijging van het echtscheidingspercentage in de jaren zestig en zeventig. Daar zagen onderzoekers al dat het met kinderen die zonder vader opgroeiden minder goed ging. Een tweede tendens bestond uit het feit dat meer vrouwen na bevalling bleven participeren op de arbeidsmarkt. Er kwam zo meer plaats voor de man om de rol als dominante ouder op zich te nemen.

Bevindingen

Je hebt twee soorten vaders, zegt Keizer. Enerzijds de meer betrokken vaders van intacte gezinnen. Die hebben vaak een hoge opleiding genoten, hebben een betere relatie met de moeder, een stabiele carrière en beschikken over sociale en financiële hulpbronnen. Ze kunnen met gemak bijdragen aan de ontwikkeling van hun kind.

Anderzijds zijn er de minder betrokken vaders. Die zijn vaak laagopgeleid, en hebben een slechte relatie met de moeder, waardoor ze ook minder contact hebben met het kind. Uit het onderzoek blijkt dat afwezige vaders een negatieve impact hebben op de ontwikkeling van het kind. Maar de hoogleraar benadrukt de bredere analyse dan enkel die van de vader-kinderband.

‘Het effect van de vader op de ontwikkeling van het kind kan ook afhangen van wat een moeder doet, een stiefvader doet of de grootouders doen. In een studie waar ik nu mee bezig ben, heb ik bijvoorbeeld gevonden dat als de kwaliteit van de relatie tussen ouders slecht is, de positieve invloed van de vader op het kind sterker is. Blijkbaar vervullen vaders dan een bufferfunctie’, aldus Keizer.

Uniek aan vaders

‘Waar de moeder de veilige haven is, is de vader het bootje dat uitvaart,’ stelt Keizer. Vaders verleggen grenzen om het kind voor te bereiden op de buitenwereld, en moeders beschermen het kind (door oa. het gebruiken van verkleinwoordjes, een hogere stem, simpele woorden).


Langere schooldag, twee weken extra vakantie

Nieuwsblad – 28 april 2016

Er zijn plannen om het Waalse onderwijs grondig te hervormen, melden de Sudpresse-kranten. Elke zeven weken les worden gevolgd door twee weken vakantie. Concreet betekent dat twee weken extra vakantie, maar dat wordt gecompenseerd door langere schooldagen. In Vlaanderen volgt men (voorlopig) niet. “Er zijn nochtans voordelen aan verbonden”, zegt onderwijsexpert Peter Van Petegem. “Maar het brengt ook een aantal problemen met zich mee.”
Om de kalender leefbaarder te houden voor de leerlingen wil men in Wallonië meer ‘ritme’ in het schooljaar stoppen. De negen weken lange zomervakantie zou behouden blijven, maar daarna zou wel een en ander veranderen. Elke zeven weken les zal opgevolgd worden door twee weken vakantie.

Voor het schooljaar 2016-2017 zou dat het volgende betekenen: twee weken vakantie eind oktober (= week extra herfstvakantie), twee weken eind december (blijft gelijk), twee weken eind februari (= week extra krokusvakantie) en twee weken vakantie begin mei (uitgestelde paasvakantie).

In totaal zouden de leerlingen dus elk schooljaar twee weken extra vakantie hebben ten opzichte van de huidige situatie. Die gemiste schooluren zouden dan gecompenseerd worden door schooldagen die één of anderhalf uur langer zouden duren.

“Praktische problemen”

Het gaat voorlopig nog om een voorstel, dat nog besproken moet worden door de regering. Of het dus ooit echt in voege zal treden, is nog maar zeer de vraag. “In Vlaanderen zijn er voorlopig geen vergelijkbare plannen”, luidt het op het kabinet van Vlaams minister van Onderwijs Hilde Crevits (CD&V).

Er valt nochtans iets voor te zeggen voor de afwisseling, aldus Peter Van Petegem, professor onderwijskunde aan Universiteit Antwerpen. Toch is de onderwijsexpert kritisch. “Er zijn natuurlijk de praktische problemen voor de ouders, vooral die van jonge kinderen dan. Het is nu al een puzzel om opvang te regelen, als daar nog twee weken vakantie bijkomen, zal dat alleen maar moelijker worden.”

Naast de totale tijd van het onderwijs moet volgens Van Petegem ook de kwaliteit van het onderwijs gegarandeerd worden. “We mogen zeker niet naar een systeem dat de leerlingen na die zeven weken nog meer getoetst worden dan nu al het geval is. Er mag geen wanverhouding komen tussen evaluatie en kennisvergaring.”

Kortere zomervakantie

Van Petegem is dan weer absoluut geen voorstander van de langere schooldagen. “In vergelijking met het buitenland kloppen onze leerlingen nu al erg lange dagen. Volgens mij is na een tijdje de rek er wat uit en wordt concentreren onmogelijk. Er is nu al zo weinig tijd om te bewegen, door een langere schooldag wordt die tijd nog beperkter.” De professor pleit daarentegen voor een kortere zomervakantie. “Ga in plaats van negen naar zes of zeven weken”, aldus Van Petegem. “Dat is ruim voldoende en zo hoef je de schooldagen niet langer te maken.”


Durft u ouderschapsverlof vragen aan uw baas?

De Standaard – 27 april 2016

Aanstaande vaders durven dikwijls geen ouderschapsverlof vragen. Ze vrezen dat het hun carrière zou belemmeren. Gevolg: nog altijd zijn er veel meer vrouwen dan mannen die ouderschapsverlof opnemen.

‘Als een man vaderschaps- en ouderschapsverlof opneemt, wordt hij gezien als iemand die niet graag en hard werkt.’

‘Ouderschapsverlof aanvragen zou het einde van mijn carrière betekenen.’

‘Wanneer vrouwen ouderschapsverlof aanvragen, wordt dat nooit in vraag gesteld.’

Verschillende mannen vertellen vandaag in De Standaard over hun ervaring met de vraag om vader- en ouderschapsverlof op het werk. Daaruit blijkt dat heel wat mannen grote schroom hebben om zelfs nog maar de vraag te stellen.

Cijfers van de Sociale Zekerheid en de RVA tonen aan dat mannen nog steeds veel minder dan vrouwen vakantie nemen voor de kinderen. Hoewel mannen in loondienst het recht hebben om tien werkdagen na de geboorte van hun kind thuis te zijn, neemt naar schatting zo’n 15 procent van de jonge vaders het vaderschapsverlof niet op. Met de drie maanden ouderschapsverlof is het niet veel beter gesteld: van de ouders die voltijds of deeltijds ouderschapsverlof nemen, was vorig jaar maar 29 procent een man. In 2010 was dat 27 procent. Het aantal mannen dat (voltijds of deeltijds) thuis is om voor de kroost te zorgen, stijgt de laatste vijf jaar dus lichtjes. Maar de kloof tussen vrouwen en mannen die ouderschapsverlof opnemen, blijft onveranderd groot.

Een studie van het Instituut voor de Gelijkheid van Vrouwen en Mannen wees in 2010 al op dat probleem. Voor de vaders die na de geboorte van hun kind geen tien dagen thuis bleven, was de werkgever de belangrijkste reden: de mannen vreesden dat het verlof zou worden geweigerd of het was in het bedrijf niet de gewoonte om het op te nemen.

Hoe kan het tij worden gekeerd? Ignace Glorieux (VUB) en Petra Meier (UAntwerpen), allebei gespecialiseerd in genderkwesties, stellen voor om vaderschapsverlof te verplichten, zodat je het niet meer moet aanvragen bij de werkgever. Om mannen aan te moedigen om thuis te blijven bij de kinderen, stellen ze voor om het recht van vrouwen op moederschapsrust of ouderschapsverlof te koppelen aan de tijd die de vader opneemt om voor de kinderen te zorgen.


Naar fiscaal co-ouderschap voor meerderjarige studenten

De Tijd – 25 april 2016

Gescheiden ouders kunnen het fiscale voordeel voor de kinderen ten laste verdelen. Dat kan echter niet meer als het kind meerderjarig wordt, ook al blijven de ouders de kosten van hun student delen. In de Kamer wordt een oplossing gezocht.

Naar fiscaal co-ouderschap voor meerderjarige studenten?

Het kan plots een streep door de rekening zijn voor ouders die hun kinderen in co-ouderschap opvoeden: zodra een kind 18 wordt, verliest één van de ouders het fiscale voordeel dat de kosten voor de opvoeding wat compenseert.
Dit is een gevolg van de regelgeving rond fiscaal co-ouderschap. Gescheiden ouders die de zorg en de huisvesting van de kinderen gelijk verdelen, kunnen afspreken het fiscale voordeel voor kinderen ten laste eveneens gelijk te verdelen.

Per kind ten laste heeft een belastingplichtige recht op een verhoging van de belastingvrije som (zie tabel). In principe gaat die toeslag naar de ouder die het kind fiscaal ten laste neemt. Bij ouders die gehuwd zijn of wettelijk samenwonen, is dat degene met het hoogste inkomen, maar komt langs die weg het voordeel het gezin toe.
Na een scheiding kan een kind echter nog steeds maar bij één van de ouders fiscaal ten laste zijn. Wordt er geen akkoord bereikt over fiscaal co-ouderschap, dan ontvangt deze ouder de volledige toeslag op de belastingvrije som, en de andere ouder niets. Is er wel fiscaal co-ouderschap, dan wordt de toeslag fifty-fifty verdeeld.
In de praktijk echter leidt de toepassing van fiscaal co-ouderschap hier en daar tot scheeftrekkingen, signaleerde eerder deze week nog de Federale Ombudsman in zijn jaarverslag.
Een van de gevolgen van de wetgeving die de Ombudsman – en velen met hem – niet logisch vindt, is dat het verdelen van de toeslag niet meer kan zodra het betrokken kind meerderjarig is (18 jaar op 1 januari van het aanslagjaar). Wettelijk is immers voor fiscaal co-ouderschap de gezamenlijke uitvoering van het ouderlijk gezag vereist. Meerderjarige kinderen vallen niet meer onder het ouderlijk gezag (voor de volledigheid: dit geldt ook voor ontvoogde kinderen). Het gevolg is dat enkel de ouder bij wie het kind zijn fiscale woonplaats heeft, nog in aanmerking komt voor de volledige toeslag op de belastingvrije som. De andere ouder verliest het recht op de helft ervan.

Bovendien gebeurt deze aanpassing niet automatisch: de ouder die recht heeft op de volledige toeslag moet daar uitdrukkelijk om vragen. Het gebeurt zo dat de ene ouder de helft van het voordeel verliest, zonder dat de andere het totaal krijgt omdat hij of zij de belastingaangifte niet in die zin aanpast.
Dit is een al langer bekend probleem. De Open VLD-kamerleden Carina Van Cauter en Luk Van Biesen dienden vorig jaar een wetsvoorstel in om dit te verhelpen. Hun partij schuift het nu als prioritair naar voren in de kamercommissie Financiën. Dat zou inhouden dat het ‘in de komende weken’ behandeld wordt.
‘Het is niet logisch dat het fiscaal voordeel voor een van de ouders wegvalt, net in de jaren dat de kosten voor een kind dat doorstudeert hoger oplopen’, zegt Van Cauter. ‘De regelgeving creëert hier een discriminatie. En het gaat over behoorlijk veel geld.’
Dat een meerderjarige niet gehouden is aan een verblijfsregeling die de ouders kiezen maar zelf kiest bij wie hij of zij (voornamelijk) woont, dat kan niet gewijzigd worden. Van Cauter en Van Biesen willen dit oplossen door het criterium van ouderlijk gezag te vervangen door dat van gezamenlijk onderhoud. ‘De kostenregeling die men door de rechter laat bekrachtigen of die een rechter oplegt, loopt volgens de wet door tot de opleiding is voltooid. Wanneer het kind daarna niet meteen werk vindt, loopt ze de facto nog tijdens de wachttijd door, tot het kind uitkeringsgerechtigd wordt.’
Herziene kostenregeling

En wat als een ouder die het meerderjarige kind nauwelijks nog ziet, niet langer de helft van de kosten wil dragen? ‘Fiscaal co-ouderschap doortrekken voor meerderjarige kinderen biedt een oplossing in gezinnen waar de kostenregeling doorloopt. Je kan die echter ook steeds herzien, en dan kan de mogelijkheid vervallen om ook de toeslag op de belastingvrije som te herzien.’
De federale coalitiepartner CD&V laat bij navraag weten het wetsvoorstel te steunen. Ook de NV-A is het eens met de logica. Kamerlid Veerle Wouters: ‘Het is zeker bespreekbaar om er een mouw aan te passen, al hebben wij nog bedenkingen bij de manier waarop het wetsvoorstel is geformuleerd, met verwijzingen naar de gelijkmatig verdeelde huisvesting. Dat kan je aan een meerderjarige niet opleggen. Ook zien we dit liever ingepast in een ruimer debat. Er zijn nog meer knelpunten in de regeling, en samenhangend zou ook de aftrekbaarheid van onderhoudsgeld besproken moeten worden. Ook mogen we zeker niet de indruk wekken dat fiscaal co-ouderschap voor iedereen de gunstigste oplossing is, want voor veel gezinnen is het fiscaal voordeliger onderhoudsgeld te betalen en in te brengen.’

‘Ik ben me ervan bewust dat er meer problemen zijn. Wat mij betreft herbekijken we het hele systeem, in samenhang met het onderhoudsgeld en ook de kinderbijslag’, repliceert Van Cauter. ‘Intussen kan je wel stap voor stap de problemen proberen op te vangen.’ Tot slot wijst ze op een neveneffect van het doortrekken van fiscaal co-ouderschap: zo lang dat loopt, hebben beide ouders recht op de extra toeslag als ze alleenstaand blijven.


Vergeet de romantiek!

De Standaard – 19 april 2016

Plots hoor je de man of vrouw van je leven keihard smakken aan de ontbijttafel. Of je maakt ruzie over wie de strijk doet. Niet echt romantisch allemaal. Neen, stelt Alain de Botton in zijn jongste boek, we moeten die romantische waanbeelden vergeten.‘Een huwelijk kan alleen maar “goed genoeg” zijn.’

‘En ze leefden nog lang en gelukkig.’ Met die sprookjes moeten ze bij Alain de Botton niet meer aankomen. Dat is de teneur die zijn blitzbezoek aan Antwerpen kleurt. Onbekende vrouwen (vooral) en mannen vertrouwen hem hun liefdesverhalen en vraagstukken toe. Hij zuigt ze op, als materiaal voor zijn studie van datgene wat ons allemaal beroert: liefde en relaties.

Twintig jaar na zijn Proeven van liefde heeft De Botton een soort van vervolg geschreven. In Weg van liefde volgt hij het liefdes­leven van Rabih en Kirsten. Als een koele wetenschapper fileert en becommentarieert hij wat ze voelen, denken en doen. Hij inspireerde zich op zijn eigen huwelijk – daarover wil hij nu niets kwijt, orders van de persverantwoordelijke –, op ervaringen van anderen en op de filosofische en psychoanalytische inhoud van zijn boekenkast. Het lijkt een missie: de mensheid ervan overtuigen dat er niet zoiets bestaat als romantiek.

Wat heeft u tegen romantiek?

‘Het is een illusie die onze verwachtingen over relaties besmet. Als je gewoon je gevoel en instinct volgt, zo denken we, beland je bij de juiste persoon, leef je nog lang en gelukkig en zal je nooit meer eenzaam zijn. Dat is zo’n fout idee. We leven in een maatschappij die heel technisch denkt, waarin je kan leren hoe je een vliegtuig in de lucht moet houden, maar waarin we denken dat we niets te leren hebben over de liefde. Omdat het volgens ons toch allemaal spontaan komt.’

Wat moeten we volgens u dan leren?

‘Zelfinzicht vooral. Dus therapie kan al helpen. Een deel van het probleem is dat we onszelf gewoon niet goed genoeg begrijpen. We beseffen bijvoorbeeld niet dat de relaties die we kiezen en hoe we ons daarin gedragen, dingen zijn die mee bepaald worden door de relaties in onze kinderjaren. Iemand die opgegroeid is met een depressieve moeder, of in een gespannen gezinssituatie, draagt dat in zijn partnerkeuze en relatie­gedrag mee. En als we dat soort dingen van onszelf al niet begrijpen, hoe zouden we het dan van onze partner kunnen? Dus wat krijg je dan? Twee blinde mensen die met elkaar trouwen.’

Kunst is het probleem, niet het leven, schrijft u ook.

‘Ja. We zien niet meer dat onze verwachtingen gebaseerd zijn op een illusie, en film en literatuur spelen daar een cruciale rol in. Stel dat een marsmannetje hier op aarde landt en zich een idee wil vormen over hoe die mensensoort in mekaar zit op basis van de films die we produceren. Het zou zeggen: “Tiens, die mensen, die kussen elkaar één keer en zijn voor de rest van hun leven verliefd en ­gelukkig.” Dat is niet echt hoe het leven is.’

We zijn toch slim genoeg om te weten dat film niet echt is?

‘Als je naar een film kijkt over een robot die in een auto verandert of een gewone man die president wordt, weet je dat het een zot verhaal is dat niet echt kan zijn. Maar bij romantische komedies merk je de eigenaardigheid niet op van wat er verkocht wordt, terwijl ze op hun eigen manier even overdreven en van de pot gerukt zijn als zo’n robotfilm.’

Wat vindt u van een programma als ‘Blind getrouwd’, waarbij twee onbekenden met elkaar trouwen. Kan zoiets werken?

‘Even goed of even slecht als ons romantische idee. Liefhebben is een vaardigheid die je kan leren. De dingen die relaties doen werken – empathie, begrip, communicatie –, kan je toepassen bij een hele waaier van mensen. Niet op zomaar iedereen, oké. Maar onze maatschappij is heel erg gefixeerd op die “Ene” die we moeten vinden. De technologie van vandaag werkt dat nog in de hand, want door allerlei apps en algoritmes kunnen we nog beter zoeken, denken we, en zullen we die ultieme ­andere wel vinden. En dat maakt ons heel ongeduldig in relaties, omdat we altijd denken dat achter die ene hoek misschien wel de ­perfectie wacht. Maar de perfecte partner bestaat niet.’

Want de perfecte partner smakt niet aan tafel?

‘Shit, denken we dan, ik dacht dat ik met een engel getrouwd was, en nu zit die hier zo boertig te eten. Maar dat is gewoon de realiteit. Net zoals discussies over wie de was doet of ruzies over het slaapkamerraam dat al dan niet open moet. We hebben dat romantische idee dat er geen plaats is voor ­discussies over dat soort dingen in het echte, serieuze leven. We ­moeten die realiteit binnenlaten in onze relaties, de echtheid van het leven koesteren, in plaats van de waan van de fictie.’

‘Met iemand trouwen is het beste medicijn tegen de liefde’, schrijft u. Moeten we dat echt geloven?

(lacht) ‘Ik stel de dingen graag nogal dramatisch voor. Maar toch. In onze romantische cultuur denk je meteen: als je van iemand houdt, trouw je ermee. Je gaat ervan uit dat dat het grootste cadeau is, terwijl je weet dat je die persoon met problemen gaat opzadelen. Want hoe goed een huwelijk ook is, het zit altijd vol teleurstellingen en heel veel gedoe. Over kinderen, verantwoordelijkheden, geld, schoonouders,… (lacht) Het grootste cadeau voor die geliefde zou zijn: gewoon maken dat je wegkomt, om de liefde te vrijwaren van teleurstellingen. Waarom zie je in veel romantische verhalen dat de personages vaak sterven voor de relatie echt begint? Om te vermijden dat er teleurstelling in het verhaal sluipt. Of je krijgt verhalen van geliefden die om een of andere reden niet bij elkaar kunnen zijn. Hun liefde blijft puur, want ze moet nooit vervallen in de dagelijkse banale sleur van strijken, winkelen of klussen.’

Als je dat in het echte leven doet, ben je toch een toonbeeld van bindingsangst? Zoiets hebben we toch al door?

‘Ja. Daarom is het op een bepaald moment wel een goed idee om toch met iemand de illusie te doorbreken en ervoor te gaan. Maar dan wel met het volle besef dat je gevoelens voor die persoon doorheen de jaren gaan veranderen. Zie het als een offer. Je offert je heftige gevoelens op en krijgt er iets voor terug: langetermijnliefde, gevoelens van loyaliteit. Ik heb het daarom liever over verlicht ­romantisch pessimisme: een huwelijk kan alleen maar “goed genoeg” zijn.’

Is dat geen hopeloze gedachte?

‘Neen, absoluut niet hopeloos, het is alleen niet erg romantisch.’

Erg hoopvol klinkt het nochtans niet wat u schrijft: ‘Als wezens die gedreven worden door twee fundamentele, maar volkomen aan elkaar tegengestelde verlangens, zijn we veroordeeld tot een treurig en ontoereikend liefdesleven’.

‘We worstelen met een tweespalt en dat moeten we onder ogen zien. We willen geborgenheid, maar we willen ook avontuur en adrenaline. En ik ben ervan overtuigd dat je die twee niet kan ­verenigen. Het is altijd een keuze die je moet maken. En welke keuze je ook maakt, je betaalt er altijd voor met de andere. De kost van trouw is verveling en verstikking; de kost van ontrouw is chaos en eenzaamheid. En de prijs die je betaalt voor een stabiel familie­leven, is het verlies van seksuele opwinding. Je moet écht weten voor welke kost en voor welk lijden je kiest.’

Het lijkt bijna een dilemma uit een Griekse mythe.

‘Ja, het is een verschrikkelijke keuze. We zouden het jonge mensen moeten vertellen, maar dat doen we niet.’

Een mens leert zoveel. Waarom blijven we dan generatie na generatie geloven in datzelfde romantische fabeltje?

‘Dat weet ik niet, ik denk dat we als mensen de neiging hebben om de schuld bij onszelf of onze partner te leggen als er iets fout gaat in onze relaties. We gaan onze kinderen niet vertellen dat we verkeerd dachten over de liefde. We willen onze kinderen ook niet ­teleurstellen. Vergelijk het met onze verwachtingen over carrière. Waarom zeggen leerkrachten op school niet dat de meesten erg middelmatige jobs zullen hebben? Want zo is het. Het klinkt zo wreed, dat doe je niet. Het is dus wellicht beter om te liegen, denken we.’

‘Schopenhauer, mijn favoriete filosoof, zei dat jongeren systematisch teleurgesteld zouden moeten worden, dat er klassen zouden moeten zijn die jongeren teleurstellen in werk en liefde. De wereld zou gelukkiger zijn.’


Bezoekers van datingsite afgeperst door twee jongemannen

Deredactie.be – 14 april 2016

Twee jongemannen uit het Hageland worden ervan verdacht verschillende bezoekers van een datingsite te hebben afgeperst. Ze konden worden ingerekend. De onderzoekers sluiten niet uit dat het duo nog meer slachtoffers maakte.

Een 18-jarige man uit Tienen en een 21-jarige man uit Linter werden op 7 april opgepakt door de lokale politie van de zone Tienen-Hoegaarden. Ze werden door de onderzoeksrechter in Leuven onder aanhoudingsbevel geplaatst.

Het duo ronselde slachtoffers via het internet. Op een datingsite stelden ze zich voor als een alleenstaande jonge dame. Na enkele berichten maakten ze een afspraak om elkaar te ontmoeten. Daarop lokten de oplichters de vermeende klanten mee naar een afgelegen plaats. Daar werden ze beroofd onder bedreiging van een mes. Ze moesten ook geld afhalen aan een nabijgelegen bankautomaat en de centen afgeven.

Soms werkten de afpersers met twee, soms alleen in een beurtrol. De onderzoekers sluiten niet uit dat er nog meer slachtoffers zijn en vragen om mogelijke informatie te bezorgen aan de politie van Tienen-Hoegaarden op het telefoonnummer 016-80.58.05.


Adolescenten zitten 9 uur per dag stil

De Standaard – 14 april 2016

Voldoende beweging beschermt tegen overgewicht en depressie. Maar 3- tot 5-jarigen brengen de helft van de dag zittend door, adolescenten zelfs 9 uur. ‘We zijn zelfs gechoqueerd door de cijfers’, zegt het Wetenschappelijk Instituut voor Volksgezondheid.

Wie aan spelende kinderen en jongeren denk, ziet kleuters achter elkaar aan rennen of tieners op een sportveldje voetballen. Dat beeld klopt niet. Kinderen en jongeren bewegen zeer weinig, de meeste tijd van de dag zitten ze stil. Dat blijkt uit een grootschalig onderzoek van het Wetenschappelijk Instituut voor Volksgezondheid (WIV) dat vandaag verschijnt.

Jongens en meisjes tussen 14 en 17 jaar zitten op een dag zelfs gemiddeld 8 uur en 44 minuten, of twee derde van hun wakkere uren. Daartegenover staan in die leeftijdsgroep (gemiddeld) geen drie uur licht intensieve lichamelijke activiteit, zoals rechtstaan en zeer rustig wandelen, en geen volledig uur matig tot zwaar intensieve lichamelijke activiteit, zoals rustig fietsen tot echt sporten. De allerjongsten doen het beter, maar ook zij zitten langer dan vijf uur per dag stil, dat is de helft van de tijd die ze wakker zijn.

Voor de studie registreerde het WIV de beweging van 2.000 kinderen en jongeren uit heel België. Een accelerometer, een apparaatje dat ter hoogte van de heup werd vastgemaakt, mat gedurende zeven opeenvolgende dagen hoe veel en hoe intensief ze bewogen.


Examenklachten worden onbeheersbaar

De Standaard – 12 april 2016

694 studenten betwistten vorig jaar hun examen-resultaten. De Raad voor klagende studenten kan de toestroom van dossiers niet meer aan. Onaanvaardbaar, vindt de Vlaamse ombudsman.

Vorig jaar behandelden de rechters van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen 694 dossiers. Tien jaar geleden, in het eerste werkjaar 2005, waren dat er maar 48.

Door die stevige toename krijgen de rechters van de Raad het niet meer gebolwerkt. ‘We zijn maar met drie, en het gaat niet om voltijdse ambten. Dit is niet meer houdbaar’, zegt voorzitter Jim Deridder.

Door de vele dossiers kan de beoogde behandelingstermijn van 15 dagen lang niet gehaald worden. Die bedraagt nu gemiddeld zowat een maand, met uitschieters tot vier maanden. Onaanvaardbaar, vindt Bart Weekers, de Vlaamse ombudsman. Hij kaart de kwestie vandaag aan in het Vlaams Parlement, bij de voorstelling van zijn jaarverslag.

‘De rechtsbescherming van de studenten moet worden verbeterd, hetzij door de Raad te versterken, hetzij door de instroom van de beroepen te herbekijken.’

Voorzitter Jim Deridder vindt dat er ‘ofwel meer rechters moeten komen, ofwel het statuut moet veranderen’.

De Vlaamse minister van Onderwijs, Hilde Crevits (CD&V), heeft de klacht van de raadsleden gehoord. ‘In het kader van de begrotingscontrole is er een bijkomend krediet van 28.000 euro toegekend, of een vijfde erbij’, zegt ze. ‘Er volgt nu overleg over hoe die middelen zullen worden ingezet.’

De Raad behandelt klachten van studenten hoger onderwijs die het niet eens zijn met hoe hun prestaties beoordeeld worden.


‘Ouderverstoting is ook een vorm van partnergeweld’

Knack – 7 april 2016

‘In België zijn er naar schatting 3.250 moeders en vaders van wie de kinderen worden gemanipuleerd door de ex-partner’, schrijft Goedele Uyttersprot (N-VA). Behalve sanctionering moet er volgens haar ook worden ingezet op preventie.

Kinderen hebben van nature een loyaliteitsband met hun ouders. Maar na een echtscheiding gebeurt het soms dat een kind z’n vader of moeder niet meer wil zien, zonder dat er een gegronde reden is.Het kind verstoot de andere ouder en kan een gespleten loyaliteit ontwikkelen: Parental Alienation Syndrome (PAS) of ouderverstoting.

Bij ouderverstoting worden kinderen – buiten hun wil om en dikwijls onbewust – door de ene ouder gemanipuleerd. Dit doet zich bijna uitsluitend voor bij conflicten rond ouderlijk gezag. De ene ouder kan het kind in deze situatie gemakkelijk manipuleren. Hierdoor wordt de afstand tegenover de andere ouder steeds groter. Uiteindelijk wil het kind de andere ouder niet meer zien.

In België zijn er naar schatting 3.250 moeders en vaders van wie de kinderen worden gemanipuleerd door de ex-partner. Ouders die sinds hun scheiding de kinderen niet meer te zien krijgen, ondanks het feit dat de rechter hen het omgangsrecht heeft toegekend.

Omgangsrecht

Wie het omgangsrecht niet naleeft, kan door de rechtbank vervolgd en veroordeeld worden, zowel op strafrechtelijk als op burgerlijk vlak. Dat is zo op papier. In de praktijk wordt zo’n vonnis te vaak niet uitgevoerd. De ene ouder staat dan met de uitspraak van de rechter in zijn handen aan de deur, maar krijgt de kinderen niet mee of zelfs niet te zien.

De wetgever heeft dus wel diverse strafmogelijkheden voorzien, maar deze bieden niet altijd soelaas voor de problemen die zich op dit vlak voordoen. Er wordt amper vervolging ingesteld bij niet-afgifte van een kind.

Beter voorkomen dan genezen

Er bestaat een grote lacune op het vlak van onderzoek, de opleiding van magistraten en psychologische hulpverlening. Zowel maatschappelijk als wetenschappelijk is hier zeer weinig over terug te vinden, ondanks het feit dat steeds meer gescheiden ouders (en grootouders) hiermee te maken krijgen.

Onze alarmkreet werd door de minister aanhoord. Ouderverstoting wordt nu eenduidig in alle rechtbanken als partnergeweld gecatalogeerd en vervolgd. Dat is alvast een eerste stap in de goede richting, maar sanctioneren mag niet het eindstation zijn. Op dat moment is het kwaad immers al geschied.

Preventie en herstelgerichte contacten via hulpverleningstrajecten zijn noodzakelijk. Alleen zo krijgt de verstoten ouder een kans om opnieuw in contact te komen met het kind. Alleen zo kan de verstoten ouder de band met het kind proberen te herstellen.

Ouderverstoting voorkomen kan enkel resultaat hebben door dit enerzijds vroegtijdig vast te stellen en anderzijds door een samenwerking tussen de psychiatrie en justitie.

Om het lijden van ouders én kinderen zoveel mogelijk te beperken, moet ook hier dringend werk van gemaakt worden.


Beheer nalatenschap baart gescheiden ouders met minderjarige kinderen kopzorgen

De Tijd – 7 april 2016

Mijn ex die in mijn huis komt wonen en de inkomsten van mijn beleggingsportefeuille opstrijkt na mijn overlijden? Het is een doemscenario voor veel gescheiden ouders met minderjarige kinderen. Helaas biedt het Belgische erfrecht hun geen sluitende oplossing om dat te vermijden.

Zelfs als de verstandhouding tussen de ex-partners na de scheiding goed gebleven is, is het meestal niet gewenst dat de ex na het overlijden van de eerst stervende ouder de vruchten opstrijkt van het vermogen dat die laatste nalaat aan hun kind(eren) en zeggenschap krijgt over het beheer van die goederen. Nochtans is dat exact wat volgens de wet gebeurt als een van beide ouders sterft zolang de kinderen minderjarig zijn.

‘Uw ex zal niet erven uit uw nalatenschap. Maar uw kind(eren) doen dat wel, zelfs als ze nog minderjarig zijn. En daardoor komt uw ex opnieuw in beeld, want hij oefent vanaf dan alleen het ouderlijk gezag uit’, steekt Guillaume Deknudt van Delboo Deknudt Advocaten van wal.

‘Dat ouderlijke gezag omvat twee elementen’, weet Ann Maelfait van Rivus Advocaten. ‘Ten eerste is er het gezag over de persoon. Met name de keuze van hobby’s, godsdienst, school, etc. Het gaat over de elementen die het kind moeten opvoeden tot een zelfstandige volwassene. Ten tweede omvat het ouderlijke gezag het beheer en het vruchtgenot over de goederen van de minderjarige.’

De wet bepaalt dat de ouders de goederen van hun minderjarige kinderen beheren om de kinderen te beschermen tegen zichzelf en tegen derden. Want minderjarigen zijn handelingsonbekwaam. Er wordt vermoed dat zij niet de nodige maturiteit of inzichten hebben om verstandig en onafhankelijk een vermogen te beheren.

Leven beide ouders, dan voeren zij samen het ouderlijke gezag. Overlijdt een van beide ouders, dan neemt de overlevende ouder het ouderlijke gezag vanaf dan alleen voor zijn rekening. Het maakt niet uit of de ouders op het moment van dat overlijden een koppel vormden of gescheiden waren. Nochtans maakt dat voor de betrokkenen een wereld van verschil. Niemand vindt het vreemd dat de langstlevende ouder in de gezinswoning blijft wonen met zijn minderjarige kinderen. Maar een ex die intrekt in de woning die de overleden ouder na de scheiding kocht om er te gaan wonen met hun minderjarige kinderen, doet op zijn minst wenkbrauwen fronsen.

Helaas biedt de Belgische wet gescheiden ouders geen sluitende opties om dat te voorkomen. ‘Het vruchtgenot op de goederen die het minderjarige kind erft van de overleden ouder, kan zonder enige discussie ontnomen worden van de langstlevende ouder. De wet bepaalt uitdrukkelijk dat dit kan in een testament’, geeft Maelfait aan. ‘Maar of u het beheer van de goederen aan iemand anders kunt toewijzen, daarover bestaat discussie’, geeft Deknudt aan. ‘Een meerderheid vindt dat dit rechtsgeldig kan door in het testament een bewindsclausule op te nemen. U bepaalt dan dat niet uw ex, maar iemand anders, bijvoorbeeld een broer of een nieuwe partner, het beheer zal uitoefenen over de goederen die uw minderjarig kind van u zal erven’, aldus Maelfait. Het gaat dan over een soort minderjarigenbewind. De vraag ernaar beantwoordt aan een maatschappelijke behoefte. Met name de wens om de door de wet aangestelde bewindvoerder (de ex) te passeren omdat die onvoldoende vertrouwen inboezemt.

‘U kunt dat bewind zelfs over de meerderjarigheid tillen’, aldus Maelfait. ‘Het is immers niet altijd aangewezen dat een kind op 18 jaar volledige beschikkingsbevoegdheid over geërfd vermogen verkrijgt. U kunt dan bepalen dat het beheer tot de leeftijd van bijvoorbeeld 27 jaar verder door bijvoorbeeld uw broer of uw nieuwe partner gebeurt.’

Maar niet iedereen is ervan overtuigd dat een bewindsclausule rechtsgeldig is. De Belgische wet kent namelijk geen regeling voor het bewind, wordt opgeworpen. Bovendien zou een derde aanstellen als bewindvoerder van het vermogen van een minderjarige strijdig zijn met de openbare orde. Het wettelijk beheer van de goederen van de minderjarige kinderen is een essentieel onderdeel van het ouderlijke gezag, is de argumentatie. Met andere woorden: de langst- levende ouder van een minderjarig kind kan niet gepasseerd worden als beheerder van de goederen van dat minderjarig kind. Het risico bestaat dat de ex naar de rechter stapt om die bewindsclausule in het testament te laten vernietigen. ‘Als de vrederechter inderdaad zou oordelen dat deze bepaling in strijd is met de bepalingen van de openbare orde, dan wordt de bewindsclausule als ongeschreven beschouwd’, legt Maelfait uit.

Deknudt raadt daarom een andere optie aan. Hij adviseert om in een testament het vruchtgebruik over de goederen die het minderjarig kind zal erven, toe te kennen aan iemand anders, bijvoorbeeld een broer of de nieuwe partner. De ex zal dan enkel het beheer krijgen over de blote eigendom op die geërfde goederen zolang het kind minderjarig is. Die opdeling in vruchtgebruik en blote eigendom kan ook als voordeel hebben dat de te betalen erfbelasting gedrukt wordt. ‘Het heeft alvast als voordeel dat de ex niet zomaar weg kan met die goederen. Al is er ook het nadeel voor de vruchtgebruiker dat zijn recht om de goederen te beheren en te (her)beleggen niet altijd even vlot zal verlopen als de ex moeilijk doet.’ Om te voorkomen dat uw kind het vruchtgebruik kwijt is zolang die broer of partner leeft, adviseert Deknudt om dat vruchtgebruik slechts voor een bepaalde periode toe te kennen, bijvoorbeeld tot het kind 18 of 27 jaar is. Op dat moment dooft het vruchtgebruik uit en wast het belastingvrij aan bij de naakte eigendom die het kind al geërfd had.


Slechts één tot twee procent buitenechtelijke kinderen per generatie

Knack – 5 april 2016

10 procent onechte kinderen is een mythe. Uit een onderzoek blijkt namelijk dat elke generatie zo’n één tot twee procent buitenechtelijke kinderen telt.

Uit een vergelijking van studies uit verschillende landen blijkt dat elke generatie zo’n een tot twee procent buitenechtelijke kinderen telt. Die vaststelling van Leuvense genetici, biologen en sociologen druist in tegen de gangbare idee dat dit cijfer op tien procent zou liggen. De resultaten van het onderzoek werden bekendgemaakt door de KU Leuven.

Cijfer is al 400 jaar stabiel

Er bestaat weinig wetenschappelijke kennis over het percentage zogenaamd onechte kinderen die een andere biologische vader hebben dan verondersteld. In 2013 namen Leuvense genetici, biologen en sociologen dat onder de loep aan de hand van het DNA en de stambomen van een duizendtal Vlaamse mannen.

“We verzamelden het DNA van mannen die een voorouder in mannelijke lijn in Vlaanderen konden traceren tussen 1600 en 1850. Daaruit haalden we het profiel van het Y-chromosoom, dat van vader op zoon wordt doorgegeven. In Vlaanderen bleek slechts één procent per generatie een zogenaamd koekoekskind te zijn. Dat cijfer is al 400 jaar stabiel”, zegt Maarten Larmuseau, evolutionair geneticus van de KU leuven.

Katholieke achtergrond

Volgens Larmuseau is het cijfer van tien procent onechte kinderen per generatie een mythe. “Dat Vlaanderen slechts één procent haalde, was volgens sommigen te wijten aan onze katholieke achtergrond. Of de cijfers moesten hoger liggen omdat er vroeger geen voorbehoedsmiddelen bestonden. Maar bewijzen voor die beweringen zijn er niet.”

De Leuvense onderzoekers besloten het Vlaamse onderzoek uit te breiden. Onderzoek naar vaderschap wereldwijd werd naast elkaar gelegd. “Uit studies in Vlaanderen, Italië, Spanje, Mali en Zuid-Afrika blijkt dat de graad tussen een tot twee procent ligt en dat gedurende de laatste honderden jaren. Het cijfer is overal laag en contraceptiva hebben niet voor een breuklijn gezorgd.


Is dit het geheim van een lang en gelukkig huwelijk?

Nieuwsblad – 30 maart 2016

Als vrijgezel hoor je wel eens dat je niet te kieskeurig mag zijn. In een huwelijk geldt hetzelfde: eis niet te veel van je partner of het zou wel eens verkeerd kunnen aflopen. Dat blijkt uit een nieuw Amerikaans onderzoek, verschenen in het vakblad Personality and Social Psychology Bulletin.
Een team wetenschappers aan de Florida State University, onder leiding van psycholoog James McNulty, baseert die conclusie op een experiment met mensen die recent in het huwelijksbootje stapten. De vorsers verzamelden gegevens van 135 pasgetrouwde koppels in Tennessee. De mannen en vrouwen moesten gedurende vier jaar, om de zes maanden, een vragenlijst invullen over hun huwelijk. Op basis van hun antwoorden, konden de onderzoekers hun relationele waarden en normen inschatten. De koppels werden ook gefilmd terwijl ze de enquête invulden om niveaus van eventuele, indirecte vijandigheid te meten.

Wat blijkt? Hoge eigen stellen aan elkaar draait vooral positief uit in een huwelijk met sterke basis. Voor koppels die meer fundamentele twistpunten hebben is het moeilijk als de ene hoge eisen stelt om samen hogere doelen te bereiken. “Er zijn grenzen verbonden aan wat je uit een huwelijk wil en kan krijgen”, zegt McNulty in de publicatie. “ Misschien is je partner minder sterk op communicatief vlak of spelen externe factoren je wederhelft parten, wat extra druk en wrevel kan veroorzaken. Het beste wat je in dat geval kan doen is accepteren dat het perfecte beeld van een relatie dat je voor ogen hebt, niet strookt met wat in de realiteit mogelijk is. Verwacht met andere woorden niet te veel. In sommige situaties is het aangewezen om genoegen te nemen met minder en samen lang gelukkig te zijn.”


8 op de 10 twaalfjarigen hebben een smartphone

Deredactie.be – 18 maart 2016

8 op de 10 twaalfjarigen hebben een smartphone, bijna de helft van hen heeft zelfs een iPhone. Dat schrijft De Tijd op basis van de enquête die Wikifin liet uitvoeren in het kader van de Week van het Geld en recent onderzoek van iMinds-MICT-UGent. De ouders betalen ook vaak de rekening.
Op 12 à 13 jaar heeft meer dan 80% een smartphone, bij oudere tieners gaat het om 90% en meer. Onder de 12 jaar heeft nog niet de helft van de kinderen een smartphone.

De meeste twaalfjarigen krijgen hun smartphone cadeau. Bijna de helft van hen heeft een iPhone, maar vaak gaat het om een afdankertje. “Je ziet vaak dat iPhones doorgeschoven worden door de ouders”, zegt Pedro De Bruyckere, pedagoog en onderzoeker van jongerencultuur. “Het is niet zo dat de iPhone per definitie de meest hippe telefoon bij de jongeren zou zijn.”

Ook de rekening hoeven acht op de tien jongeren niet zelf te betalen. De meerderheid van de jongeren gebruikt slechts enkele applicaties, met bovenaan de lijst sociaalnetwerksites als Facebook en Snapchat.


Allereerste statuut voor pleegouders wordt vandaag gestemd

Deredactie.be – 16 maart 2016

Vandaag wordt in de Kamercommissie het allereerste statuut voor pleegouders gestemd. Tot nu waren pleegouders aangewezen op de wil van de biologische ouders van hun pleegkind, en de rechter. Daar komt verandering in, vertelden bezieler Lorin Parys (N-VA), zelf pleegouder en partijgenoot Kristien Van Vaerenbergh in “De ochtend”.
Pleegouders waren tot nu in de dagelijkse beslissingen omtrent de opvoeding van hun pleegkind afhankelijk van de wil van de natuurlijke ouders van het kind. Keuzes wat betreft pakweg vaccinaties, een kapsel of welke hobby’s het kind wil uitoefenen konden pleegouders niet autonoom maken. Daar komt nu verandering in.

“We hebben hier 20 jaar op gewacht. Het is een heel mooie dag voor pleegkinderen, hun ouders én hun pleegouders”, vertelt pleegouder en bezieler van het statuut Lorin Parys (N-VA). “Als pleegouder krijg je meestal de vraag: wat als dat kind terug mag naar zijn ouders? Kan je contact houden? Wat als je een school moet kiezen? Wat als je kind ziek wordt? Die vragen worden nu beantwoord.”

“Beslissen vanaf dag één”

“Heel belangrijk is dat pleegouders in de toekomst vanaf dag één zullen kunnen beslissen over dagdagelijkse dingen, in verband met gezondheid en medische ingrepen maar ook onderwijs, vrije tijd en dergelijke”, vertelt collega in de Kamer Kristien Van Vaerenbergh. “Pleegouders zullen daarover een overeenkomst kunnen sluiten met de natuurlijke ouders. Daarin staat bepaald wie welke beslissingen kan nemen, uiteraard in het belang van het kind. De familierechter bekrachtigt dat.”

Tot nu speelde de familierechter een behoorlijk grote rol in het leven van pleeggezinnen, als bemiddelaar tussen pleegouders en natuurlijke ouders. In het nieuwe statuut behoudt de familierechter de eindbeslissing en het overzicht, als beide ouderparen het niet met elkaar eens geraken. De rechter beslist ook over een eventuele omgangsregeling, indien de pleegzorg op een bepaald moment stopt.

“Omdat pleegouders nu juridisch ook bestaan, zullen ze elke beslissing van de jeugdrechter effectief kunnen aanvechten. Dat is nieuw. Natuurlijk zijn er ook dingen die bij de biologische ouders blijven”, legt Parys uit. “Het gaat om pleegzorg, in principe een tijdelijke regeling. Daarin verschilt het van adoptie. Maar je kan niet ontkennen dat twee derde van de pleegsituaties langdurig is.”

Pleegzorgverlof en ouderschapsverlof zijn voorlopig niet opgenomen in het nieuwe statuut. “Daar werken we aan. Hopelijk landen we daar binnenkort mee in de Kamer”, aldus Van Vaerenbergh.


Meer dan helft ouders wil aankoop huis sponsoren

De Tijd – 15 maart 2016

Iets meer dan de helft van de ouders wil financieel bijspringen als hun kinderen een woning kopen. Amper 15 procent zegt expliciet dat niet te willen.

Dat blijkt uit een onderzoek in het kader van de Week van het Geld, een initiatief van wikifin.be in samenwerking met De Tijd en Radio 1, bij 1.088 ouders met inwonende studerende kinderen vanaf zes jaar.
Tussen droom en daad zit er evenwel soms een wereld van verschil, leert een analyse van de antwoorden per leeftijdscategorie. Het percentage ouders dat aangeeft de kinderen niet te willen sponsoren varieert niet. Maar het aantal dat expliciet zegt de kinderen te willen ruggensteunen daalt licht met de leeftijd terwijl de groep twijfelaars een beetje groter wordt.
Terwijl zes op de tien ouders tot 34 jaar expliciet zegt de kinderen later te willen steunen, zakt dat aantal tot 53 procent bij de ouders ouder dan 45 jaar. Die laatste groep is nochtans de groep bij wie de kinderen de leeftijd naderen of hebben om op eigen benen te staan. Dat zij iets vaker dan jonge ouders twijfelen, kan te maken hebben met hun eigen financiële ruimte of het gebrek daaraan.
Notarissen beamen dat ouders vaker dan vroeger bijspringen als hun zoon of dochter een woning koopt. ‘Het is onmiskenbaar dat kinderen meer geholpen worden door hun ouders dan een aantal jaar geleden’, zegt de ene. ‘Het gebeurt in 15 tot 20 procent van de gevallen’, schat de andere.

‘Meestal springen ze bij ten bedrage van de aktekosten, het voorschot of de eigen inbreng. Dus enkele duizenden tot enkele tienduizenden euro’s’. Een andere notaris bevestigt: ‘Ik zie bedragen tussen 10.000 en 50.000 euro. Slechts zelden wordt meer dan 100.000 euro gegeven.’

Die bedragen liggen inderdaad perfect in lijn met de eigen inbreng die de banken vragen van jongeren. ‘Jongeren onder de dertig lenen gemiddeld 86 procent van de waarde van een woning. De persoonlijke inbreng bedraagt gemiddeld 50.000 euro’, zegt marktleider BNP Paribas Fortis. BNPP Fortis is goed voor een kwart van alle in België afgesloten woonkredieten.
Sponsoring door de ouders is vaak welgekomen. Zelfs jongeren met een goed diploma en een mooi vast inkomen, sparen niet zo snel 50.000 euro bij elkaar.
Ouders met een appeltje voor de dorst achter de hand hebben dan weer het omgekeerde probleem. Vanwege de ultralage rente brengt hun spaargeld niets meer op. ‘Zij die kunnen, investeren daarom liever (een deel van) hun spaargeld in een woning voor de kinderen, zodat die een goede start kunnen maken,’ zegt Isabelle Vermeir van het makelaarsnetwerk Century 21. ‘Omdat ze financieel bijdragen, willen ze ook iets te zeggen hebben over welke woning zoon of dochterlief koopt. Sinds een jaar of drie zien we ouders vaker mee op huizenjacht gaan. Soms trekken ze na die tocht hun financiële bijdrage op, zodat het jonge koppel een woning kan kopen die net boven hun budget lag.


Meer en meer alleenstaande ouders krijgen onderhoudsgeld van DAVO

Het Belang van Limburg – 13 maart 2016

De Dienst Alimentatievorderingen (DAVO) betaalde vorig jaar 17 procent meer voorschotten uit dan in 2014. Dat schrijft Het Nieuwsblad zondag. Dat is vooral het gevolg van de verhoging van de inkomensgrens van 1.400 naar 1.800 euro. Daar komt per kind ten laste telkens nog 66 euro bij.
Bij DAVO kunnen gescheiden ouders aankloppen die recht hebben op alimentatie, maar die niet krijgen van hun ex.

In 2015 steeg het aantal aanvragen met 11 procent, van 40.665 naar 45.198. Het aantal gevallen waarin DAVO besliste ook effectief voorschotten te betalen steeg zelfs met 17 procent. Al meer dan 10.188 mensen krijgen nu steun, antwoordde minister van Financiën Johan Van Overtveldt (N-VA) op een vraag van Sonja Becq en Luk Van Biesen (Open Vld).

DAVO probeert de voorschotten via de rechtbank terug te vorderen. Vorig jaar lukte dat met 9,3 miljoen euro, terwijl dat in 2014 nog 8,5 miljoen was. De kloof tussen wat aan voorschotten wordt uitbetaald (26,2 miljoen) en wat kan worden gerecupereerd blijft echter groot. Daarom willen de Open Vld’ers het arsenaal aan mogelijkheden uitbreiden om het geld terug te vorderen.


OESO geeft pluim aan Belgische vaders

De Morgen – 2 maart 2016

Belgische mannen maken steeds vaker gebruik van hun ouderschapsverlof. De OESO noemt het in een rapport goed nieuws dat het mannelijke aandeel in het gebruik van ouderschapsverlof in ons land tussen 2006 en 2013 met bijna 10 procentpunt is gestegen. Cijfers van de RVA tonen dat die trend zich de voorbij jaren nog heeft doorgezet.

In een beleidsbrief benadrukt de OESO, een organisatie van 34 overwegend welvarende landen, het belang van ouderschapsverlof voor de vader. Niet alleen zijn de mannen zo meer betrokken bij de opvoeding van hun kinderen, het helpt ook de loopbaan van de vrouwen vooruit.

“Als het even waarschijnlijk zou zijn voor mannen als voor vrouwen dat ze ouderschapsverlof opnemen, zouden werkgevers minder weigerachtig zijn om vrouwen op vruchtbare leeftijd aan te werven”, aldus de OESO. “Vaders aarzelen echter vaak om er gebruik van te maken uit vrees voor de gevolgen voor hun carrière. In Japan en Zuid-Korea bijvoorbeeld, is een jaar betaald verlof voorzien enkel voor de vader. Er wordt echter erg weinig gebruik van gemaakt.”

‘Papa quote’

De OESO raadt beleidsmakers aan om een deel van het betaalde ouderschapsverlof te reserveren enkel voor vaders. In IJsland en Zweden heeft dergelijke “papa quote” geleid tot een verdubbeling van het aantal dagen ouderschapsverlof opgenomen door mannen. In België is ouderschapsverlof een individueel recht, gelijk voor mannen en vrouwen en niet overdraagbaar naar elkaar.

Cijfers van de RVA bevestigen de trend dat Belgische vaders vaker ouderschapsverlof nemen. In 2004 betaalde de RVA 15 procent van de uitkeringen voor ouderschapsverlof uit aan mannen. Vorig jaar was dat aandeel al gestegen naar 29 procent. De RVA betaalde in 2015 per maand gemiddeld 58.374 uitkeringen voor ouderschapsverlof, waarvan 16.718 keer aan mannen.


Ouders te weinig in dialoog met hun kinderen

De Standaard – 29 februari 2016

Nogal snel wordt gezegd dat ouders vandaag geen grenzen meer stellen. Uit de resultaten van onze opvoedingstest blijkt net het omgekeerde: Vlaamse ouders zeggen daar kampioenen in te zijn. Wat beter kan, is in dialoog gaan met kinderen, ook over de regels, en keuzemogelijkheden bieden.

‘Je hoort en leest soms dat kinderen en jongeren tegenwoordig brutaal zijn omdat hun ouders hen niet meer in de hand hebben. Het is een kritiek die in elke generatie terugkomt. Dat beeld klopt absoluut niet met hoe Vlaamse ouders zichzelf zien. Wij hadden dit wel verwacht’, zeggen professor Maarten Vansteenkiste en Bart Soenens, allebei verbonden aan de Vakgroep ontwikkelings-, persoonlijkheid- en sociale psychologie van de UGent.

Zij ontwikkelden de opvoedingstest die eind vorig jaar op de website van De Standaard werd gelanceerd.

De meeste ouders van jonge kinderen vinden het heel belangrijk om grenzen te stellen en structuur aan te bieden. Grosso modo zijn Vlaamse ouders erg weinig chaotisch. Dat is goed, want ouders met een chaotische opvoedingsstijl zeggen nu eens zus en dan weer zo. Ze zijn onvoorspelbaar en dat is verwarrend voor kinderen.

Autonomie

Op een andere as is nog behoorlijk wat vooruitgang te maken. Met name: de vraag of ouders de autonomie van hun kind aanmoedigen, bijvoorbeeld door inspraak te geven en keuzemogelijkheden aan te bieden, of ook door activiteiten zo leuk en uitdagend mogelijk te maken. Dit alles doen ouders relatief minder vaak.

Toch kwam driekwart van de deelnemers uiteindelijk uit bij een combinatie van grenzen stellen en de autonomie van je kind aanmoedigen. Goed nieuws, want deze combinatie is het meest bevorderlijk voor de ontwikkeling van kinderen en jongeren, zeggen de onderzoekers.

‘Mogelijk zijn ouders bang dat hun kind “de baas gaat spelen”. Maar inspraak geven betekent niet dat je jezelf als ouder monddood maakt.’

Faalangst

Wees waakzaam voor de kloof die kan ontstaan tussen je eigen perceptie en die van je kind, waarschuwen de onderzoekers. Hoewel ouders zelf aangeven dat ze veel structuur bieden, kan je kind dit anders ervaren. Bijvoorbeeld: hulp bieden is goed, maar alleen als er een echte hulpvraag is. Anders wordt het als bemoeizucht en controle ervaren.

Bij een te controlerende aanpak kan ook faalangst op de loer liggen, bijvoorbeeld wanneer ouders eigen initiatief van het kind onderdrukken en vaak taken overnemen. Bij de minste fout zakt de zelfwaarde weer als een pudding in elkaar.

Daarom adviseren de onderzoekers om vooral concrete feedback te geven op gedrag, inspanning of strategie van je kind. Dus bij een tekening niet zeggen: ‘Je bent een echte artiest’. Maar wel: ‘Ik zie dat je mooie kleuren hebt gebruikt’.


Hoeveel ik ook doe, ik kan hun mama nooit vervangen

Het Laatste Nieuws – 28 februari 2016

In twee dagen tijd je vrouw verliezen en achterblijven met vier kinderen, van wie de jongste nog maar een baby is: dat overkwam Rudy De Fleyt (41) uit Zulte. Eveline (30) stierf aan de gevolgen van een hersenbloeding, een dag voor Kerstmis vorig jaar. Sindsdien is Rudy mama en papa tegelijk. Met vallen en opstaan.

“Ik kan nog altijd niet bevatten dat ik mijn jonge vrouw in twee dagen tijd ben verloren en hier alleen met onze vier kinderen ben achtergebleven”, doorbreekt hij de ochtendlijke stilte. “In de loop van 22 december was hier nog geen vuiltje aan de lucht. Twee ochtenden later, op 24 december om zes na negen, was Eveline dood.”

“Het is een hersenbloeding geweest, mijn vrouw is nooit meer bij bewustzijn gekomen”, verzucht Rudy. “Het zou een kwestie van uren of dagen zijn. En daar stonden we dan, aan haar ziekenhuisbed. De drie oudste kinderen en ik, met Elena op de arm. Kenji en Maité beseften wat er aan de hand was, Yentel besefte het niet. Met Elena had ik misschien nog het meest te doen. Ze was amper drie maanden oud. Ze zal mijn enige kind zijn dat zich nooit iets van haar moeder zal herinneren.”

“De ochtenden en de avonden zijn echt niet te onderschatten. Zeker wanneer de kinderen treuzelen, zie ik de minuten letterlijk voor mijn neus wegtikken. Dan zit ik te denken: ‘Hoe krijg ik ze op tijd op school?’ Of als het avond is: ‘Hoe krijg ik ze op tijd in hun bed?’ Dat zijn de momenten waarop ik mijn vrouw enorm hard mis. Waarop ik het mis dat Eveline en ik de taken vroeger verdeelden. Nu ben ik papa en mama tegelijk, hè. Ik kan als papa nog zoveel taken overnemen, hun mama kan ik niet vervangen”, zegt hij.


Wachtlijsten bij justitiehuizen stijgen spectaculair

Nieuwsblad – 24 februari 2016

Sinds de justitiehuizen een Vlaamse bevoegdheid zijn, stegen de wachtlijsten spectaculair. Dat veroorzaakt schrijnende ­toestanden.

Kinderen in een vechtscheiding moeten soms een jaar wachten vooraleer een rechter een beslissing neemt over de bezoekregeling. Geïnterneerden die op proef vrij mogen, worden niet altijd opgevolgd. Werkstraffen die normaal gezien binnen het jaar uitgevoerd moeten worden, slepen vaak veel langer aan.

De justitiehuizen die onder meer instaan voor de werkstraffen, vrijheid onder voorwaarden en bemiddeling in strafzaken zijn sinds 2014 een Vlaamse bevoegdheid. Maar, stelt Vlaams Parlementslid Lorin Parys (N-VA) vast, sinds Vlaanderen de justitiehuizen overnam van het federale niveau ging het van kwaad naar erger met de wachtlijsten. ‘We hebben de wachtlijsten geërfd van het federale niveau, maar ze blijven spectaculair stijgen’, zegt Parys.

Besparingen

Eind 2013 stonden 875 dossiers in de wachtrij, eind 2015 waren er dat al meer dan het dubbele: 2.184 dossiers. Vooral de wachtlijsten voor bemiddeling en werkstraffen stegen spectaculair.

‘De overstap naar de Vlaamse Gemeenschap gebeurde in volle besparingen. In het najaar 2014 kondigde de federale regering een wervingsstop af waardoor we de openstaande plaatsen bij de justitiehuizen niet konden invullen’, zegt Liesbeth Wyseur, woordvoerster van de justitiehuizen.


Moeder mag geen 250 euro per maand eisen van inwonende zoon

Nieuwsblad – 23 februari 2016

Ouders kunnen niet eisen dat hun ­volwassen, nog thuiswonende kinderen “kost en inwoon” betalen, ook niet als die al een job hebben. Dat heeft een rechter in Kortrijk beslist. Hij gaf een moeder ongelijk die tevergeefs een maandelijkse vergoeding van 250 euro had gevraagd aan haar 27-jarige zoon.
Ze heeft drie volwassen kinderen, Claudine Deprez (53) uit Menen. Ze wonen alle drie bij haar in. Twee van hen betalen 250 euro per maand voor Hotel Mama, maar de derde weigert bij te dragen in de kosten voor water, elektriciteit en verwarming en voor eten en drank.

“Dat vind ik oneerlijk tegenover mijn twee andere kinderen”, zegt Deprez, die ten einde raad naar de rechter stapte. Daar kreeg ze te horen dat haar zoon niet verplicht kan worden “kost en inwoon” te be­talen, ook al is hij 27 jaar en heeft hij een job.

Contract

Op het eerste gezicht misschien een verrassende uitspraak. Maar dat is het niet, zegt Christine Van Roy, wetenschappelijk medewerker aan het Instituut voor Familierecht en Jeugdrecht van de KU Leuven. “Als ouder ben je verplicht je behoeftige kind, hoe oud ook, te onderhouden. Die verplichting vervalt zodra het kind gaat werken en zijn eigen kost verdient, zoals in dit verhaal. Maar tegenwoordig valt het almaar vaker voor dat volwassen kinderen – jongens meer dan meisjes – na hun studies in Hotel Mama blijven hangen. Het is er comfortabel leven, ze kunnen sparen, hebben nog geen vaste relatie. Maar een ­ouder kan niet eisen dat daar een maandelijkse vergoeding tegenoverstaat.”

In de praktijk dragen de meeste kinderen op eigen initiatief of op aandringen van hun ouders bij in het huis­houden, aldus Van Roy. Maar wat als ze dat weigeren? “De enige manier om een ver­goeding af te dwingen, is een contract daarover op te stellen. In dit geval oordeelt de rechter: Mevrouw, u hebt geen overeenkomst met uw zoon, dus maakt u geen aanspraak op 250 euro per maand.”


Leerlingen én leerkrachten in opstand tegen Smartschool

Nieuwsblad – 22 februari 2016

Smartschool: het is begonnen als een zegen voor leerkrachten en leerlingen, een digitaal platform dat onderlinge communicatie op school super­gemakkelijk maakt. Maar het dreigt een pest te worden, zegt jeugdbeweging KAJ. “Het dwingt leerlingen de klok rond online te zijn en met school bezig te zijn.” De vakbonden gaan akkoord. “Het doet de druk voor leerlingen én leraars enorm toenemen. Er moeten duidelijkere regels komen.”
“Zondagavond om 22 uur nog een taak mechanica gekregen op Smartschool. De taak moest op maandag ingediend worden. Ik was verontwaardigd dat mijn leraar dat zomaar kon.”

Jeugdbeweging KAJ heeft een onderzoek gedaan bij leerlingen van de middelbare school over hoe de school er in de toekomst moet uitzien. En net een van de grote voorbeelden van digitale vooruitgang in de klas – het online platform Smartschool – blijkt een grote frustratie.

Negen op de tien Vlaamse middelbare scholen gebruiken het platform intussen. Via Smartschool kunnen leerlingen taken binnensturen via de computer en kan iedereen op school contact houden met ­iedereen. “Dat biedt veel mogelijkheden, maar Smartschool verpest ook de vrije tijd van studenten”, zegt Els Michiels, voorzitster van de KAJ (de Kristelijke Arbeidsjongeren). “Het is een dwingeland geworden die je de hele tijd in het oog moet houden. Sommige jongeren melden ons dat ze hobby’s moeten afzeggen. Vaak zijn er dan ook geen concrete afspraken over Smartschool. Dat kan niet: het is te veel. En het is te zwaar.”


Vlaamse kinderen zijn gelukkig

De Standaard – 22 februari 2016

Kinderen uit de bovenste helft van de lagere school geven zichzelf gemiddeld 8,2 op 10 op de geluksschaal, al geeft ook meer dan 8 procent zichzelf een onvoldoende. Dat blijkt uit een studie van de provincie Vlaams-Brabant, in samenwerking met de provincie Antwerpen en de Universiteit Antwerpen, die De Morgen kon inkijken. Opvallend: factoren als de thuistaal of de gezinssamenstelling lijken weinig invloed te hebben.

‘We leven in een land met een hoge levensstandaard, dat voor kinderen veel ontplooiingsmogelijkheden biedt’, legt sociaal psycholoog Patrick Luyten (KU Leuven) uit. ‘Dat zie je aan het aantal kinderen dat zichzelf als “heel gelukkig” omschrijft.’ De onderzoekers bevroegen 5.091 kinderen uit het vierde, vijfde en zesde leerjaar uit 69 Vlaams-Brabantse scholen, over hun welbevinden in en buiten de school.

Het onderzoek stelt nauwelijks verbanden vast tussen geluksgevoel en familiale factoren, zoals de thuistaal of gescheiden ouders. ‘Dat druist in tegen onze intuïtie, en het stelt ons een beetje gerust’, zegt socioloog Guido Van Hal (UAntwerpen). ‘Kinderen zijn niet verantwoordelijk voor een scheiding, dus het is positief dat zij daar ook niet al te zeer onder lijden.’

427 kinderen gaven zichzelf echter slechts een vijf of minder op tien. Volgens Luyten is dat voor een deel genetisch te verklaren en deels door sociale factoren. Vaak gepeste kinderen zijn, vanzelfsprekend, minder gelukkig, maar ook faalangst speelt een grote rol.


Belg wil meer vrijheid bij het toewijzen van zijn erfenis

Knack – 16 februari 2016

De hervorming van het erfrecht moet volgens de Belg het juiste evenwicht vinden tussen de vrijheid om zelf te beslissen en het signaal dat solidariteit tussen de generaties belangrijk blijft. Dat blijkt uit een onderzoek van de Koning Boudewijnstichting.

Uit het onderzoek blijkt dat twee op de tien Belgen van 30 jaar en ouder op een erfenis rekent voor hun toekomst en liefst 63 procent van de Belgen rekent er niet op. “Vaak krijgen kinderen al veel steun en bescherming als de ouders nog leven”, legt onderzoekster Isa Van Dorsselaer uit. “Ouders helpen hen bij leven al, onder meer als ze een woning kopen. Het belang van de erfenis vermindert daardoor.”

Minimaal wettelijk kader

Bij de grote meerderheid van de erfenisgevallen was er hoegenaamd geen conflict. “Als er wel conflicten zijn, zijn die hardnekkig. Zo duurt 63 pct van de conflicten meer dan één jaar”, zegt Van Dorsselaer. Voorts blijkt dat bijna de helft van de conflicten niet worden opgelost. De notaris speelt een belangrijke rol bij het zoeken naar een oplossing.

De Belgen vinden het belangrijk dat over zijn nalatenschap gepraat worden, maar ze doen het niet. “Veel mensen hebben schrik dat ze verkeerd begrepen worden. Of ze hebben angst voor conflicten. En hoe ouder ze worden, hoe minder bereid ze zijn om te praten over de erfenis”, aldus Van Dorsselaer.

Liefst 86 procent van de Belgen vindt dat mensen vrij moeten zijn om hun erfenis na hun overlijden na te laten zoals ze dat zelf wensen. “Je moet je leven zelf opbouwen en niet ineens een duw krijgen waar je niets voor gedaan hebt”, zegt één van de deelnemers aan de focusgroepen. “Het is het geld van de erflater die er mee moet kunnen doen wat hij wil.”

Het betekent niet dat ze alle regels overboord willen gooien. Er is behoefte aan een minimaal wettelijk kader. “Maar ze willen kunnen geven zonder dat de overheid hen in een richting duwt. Al is het dan om te doen wat in de geest van de wet zit: de kinderen en de partner bevoordelen. Toch is er ook een dubbelzinnig kantje aan: de Belg wil vrij zijn om te geven, maar in de focusgroepen blijkt ook dat de Belg zeker wil zijn dat hij iets ontvangt”, benadrukt de onderzoekster.

Hervorming erfrecht

Nog steeds 67 procent vindt dat een deel van de erfenis automatisch naar de kinderen moet gaan. Voor de partner loopt dat op tot 79 procent. “Nochtans vindt 54 procent van de Belgen dat het mogelijk moet zijn om een kind te onterven. De meest genoemde redenen zijn het verbreken van het contact; een verslaving of het kwistig omspringen met geld; en het feit dat een kind niet voor de ouder zorgt.”

Met deze studie wil de Koning Boudewijnstichting de maatschappelijke verwachtingen over erfrecht onderzoeken. Het is de bedoeling dat zo een hervorming van het erfrecht kan uitgevoerd worden die door zo veel mogelijk mensen als legitiem ervaren wordt.

Tegen het begin van deze zomer wil Koen Geens, minister van Justitie een voorstel klaarhebben voor de hervorming van het erfrecht. Een nieuw evenwicht vinden tussen de familiale solidariteit en de beschikkingsvrijheid van het individu is volgens hem een van de belangrijkste uitdagingen in het huwelijksvermogens- en het erfrecht.

Hij bevestigt aan De Tijd dat een hervorming zal mikken op meer keuzevrijheid. Zo wordt er onderzocht of het deel van de nalatenschap dat niet is voorbehouden voor de kinderen kan worden verhoogd.


Ouders bezorgd: “Leiding te jong voor jeugdwerk”

Nieuwsblad – 15 februari 2016

Ouders zijn behoorlijk ­tevreden over het jeugdwerk in Vlaanderen, gaande van jeugdbewegingen tot zomerkampen. Dat blijkt uit een nieuwe studie. Alleen vinden ouders de begeleiders soms te jong. Chiro en scouts begrijpen de bezorgdheid, maar beklemtonen dat een jeugdbeweging ook best door “jeugd” wordt geleid.
De studie over wat ouders over het jeugdwerk in Vlaanderen vinden, komt er op vraag van minister van Jeugd Sven Gatz (Open VLD). De onderzoekers gingen na welke ervaringen en verwachtingen ouders hebben, waarbij ook allochtone ouders en gezinnen die het niet zo breed hebben zijn bevraagd.

Het onderzoek leert dat jonge kinderen in de eerste plaats naar de jeugdbeweging of speelpleinwerking gaan omdat ze dat zelf willen, vaak vanwege vriendjes. Pas in de tweede plaats wordt daarover door ouders beslist. Ouders zien vooral voordeel in de lage kostprijs van jeugdwerking. Maar ze sturen hun kinderen er ook naartoe omdat ze het zien als een belangrijke aanvulling bij de opvoeding.

Aandachtspunt is echter de leeftijd van de begeleiding, geven de bevraagde ouders aan. Zo vindt 30 procent van de ouders de leeftijd van 21 jaar geschikt als begeleider, terwijl het in de realiteit vaak om 16- à 17-jarigen gaat, aldus de onderzoekers.

Geen vertrouwen

Ouders vrezen onder andere dat hun kinderen moeilijker regels aanvaarden van een “jong” iemand. En sommige ouders maken zich duidelijk zorgen bij de jonge leeftijd van de begeleiders, waardoor ze geneigd zijn hun kind een gsm mee te geven, voor mocht er iets gebeuren, zo rapporteren de onderzoekers.


In België hebben kinderen makkelijkst toegang tot rechtbank

Deredactie.be – 15 februari 2016

In België kunnen kinderen het gemakkelijkst hun rechten laten verdedigen in een rechtbank. Dat blijkt uit een rapport van het Internationale kinderrechtennetwerk waarin ons land bovenaan de ranglijst staat.
Ons land staat aan de top omdat kinderen spreekrecht hebben en omdat er gratis jeugdadvocaten zijn. Maar volgens kinderrechtencommissaris Bruno Vanobbergen kan het nog beter. “Tegelijkertijd zie je dat in de praktijk de communicatie tussen rechters en jongeren echt nog wel kan verbeteren. Ik denk ook aan het geïnformeerd zijn van kinderen en jongeren: zij weten niet altijd wat mogelijk is, waar zij recht op hebben. Ook de opleiding van jeugdadvocaten verdient nog een veel sterkere inbedding.”

Bovenaan de lijst staan België, Portugal en Spanje. Kenia is het enige niet-Europese land dat de top tien haalt. Onderaan de lijst bengelen Palestina, Eritrea en Equatoriaal-Guinea.

“Als het om toegang tot justitie gaat, willen we de perceptie veranderen dat kinderen er enkel als slachtoffer mee te maken hebben of dat ze er minder recht op hebben dan volwassenen”, zegt Veronica Yates, directeur van het Child Rights International Network (CRIN). “Het gaat om het erkennen dat kinderen, zoals volwassenen, mensenrechten hebben en dat ze moeten kunnen vertrouwen op het rechtssysteem wanneer die rechten geschonden worden .”

Het onderzoek ging na of kinderen een rechtszaak kunnen aanspannen wanneer hun rechten geschonden worden, of er voldoende bijstand is en of rechters de internationale wetgeving over kinderrechten toepassen in hun uitspraken. Het rapport biedt ook een model aan van hoe toegang tot justitie er zou moeten uitzien voor kinderen. “Eutopia” is ontwikkeld door wereldwijd voorbeelden te verzamelen.

Top 10

1. België
2. Portugal
3. Spanje
4. Finland
5. Nederland
6. Luxemburg
7. Kenia
8. IJsland
9. Letland
10. Verenigd Koninkrijk


“Alimentatiedienst stevent af op tekort”

De Morgen – 12 februari 2016

Alleenstaande moeders verzeilen steeds vaker in armoede omdat de federale regering niet voldoende geld voorziet voor de Dienst Alimentatievorderingen, kortweg DAVO. Dat zegt Groen-Kamerlid Evita Willaert op basis van een rapport van het Rekenhof.

De dienst in kwestie zorgt er sinds 2004 voor dat ouders, die recht hebben op onderhoudsgeld maar dat niet van hun ex-partner krijgen, toch uitbetaald worden. Steeds meer ouders, veelal alleenstaande moeders, kloppen hiervoor aan bij de overheid. Het Rekenhof ziet evenwel een probleem: DAVO zou niet genoeg middelen krijgen om goed te functioneren. De federale overheid heeft zo’n 26,6 miljoen euro uitgetrokken voor de dienst, maar daarmee zou die het eind van het jaar niet halen.

“We hebben minstens 7 miljoen extra nodig”, meent Willaert. Volgens haar zorgt de voortdurende ondersubsidiëring van de overheid ervoor dat de dienst zijn naam niet verder bekend kan maken. “Veel mensen weten niet eens dat ze bij DAVO terechtkunnen.”


Cupido op de werkvloer: waarom we verliefd worden op collega’s

Knack – 10 februari 2016

Wat hebben Bill Clinton, Annelies Van Herck en Brad Pitt gemeen? Ze leerden alledrie hun lief kennen op het werk. Waarom dat bij de ene iets beter afliep dan bij de andere, valt vrij logisch te verklaren.

Om hogerop te raken. Uit eenzaamheid. Als remedie tegen stress. Omdat de gelegenheid zich voordoet. Als we emeritus hoogleraar psychologie Stefaan Lievens (UGent) vragen naar de redenen voor kantoorliefdes, dan begint hij zonder blozen een lijstje van vijftien oorzaken op te sommen.

Lievens deed ruim tien jaar onderzoek naar het thema en interviewde tientallen bedrijfsleiders, afdelingshoofden en ‘rechtstreeks betrokkenen’ – lees: zij die verliefd werden op collega’s. Zijn bevindingen bundelde hij in Van in team naar intiem (Academia Press).

‘Het aantal werkromances is de laatste decennia enorm toegenomen’, vertelt Lievens. ‘Vroeger werd soms gezegd dat je mooie vrouwen en geld moest binnenhouden, maar nu hebben de meeste vrouwen een baan. Bovendien wordt teamwerk enorm gestimuleerd, waardoor mensen nauwer samenwerken en dus ook sneller gevoelens kunnen krijgen voor elkaar. En ook de digitalisering speelt een rol: het is heel makkelijk om via het intranet een flirterig of romantisch berichtje te sturen.’

Hoe vaak die werkromances precies voorkomen, is niet helemaal duidelijk. In zijn boek citeert Lievens een rits onderzoeken, het ene al geloofwaardiger dan het andere. Van een Amerikaans onderzoek uit 2000 waaruit blijkt dat 42 procent van de werknemers een verhouding heeft op het werk (ook al geeft slechts 7 procent dat toe) tot een enquête die de Britse krant The Guardian in 2008 deed: een op de vier zou weleens met een collega in bed duiken.

Nele De Cuyper, professor Arbeids- en Organisatiepsychologie aan de KU Leuven, bevestigt dat er weinig (betrouwbaar) onderzoek is. ‘Om evidente redenen: mensen vinden het te privé om er openlijk over te praten. Het is dus zeer arbeidsintensief onderzoek. Jammer, want interessant is het zeker.’

Ook de bedrijven zelf zijn er nogal zwijgzaam over, weet Lievens uit ervaring. ‘In veel bedrijven is er wel een soort gedragscode rond relaties tussen collega’s, en dat werkt op zich al ontradend. Maar iemand ontslaan omdat hij een werkromance heeft, is bijna onmogelijk. Dat kan alleen als die relatie storend of contraproductief is voor de werksfeer, maar bewijs dat maar eens voor een rechtbank.’

Diabolische geliefden

Het valt dan wel moeilijk te verbieden, maar de boodschap van beide experts is duidelijk: bezint eer ge begint. ‘Er zijn een aantal belangrijke valkuilen’, zegt De Cuyper. ‘Zeker in de beginfase van zo’n relatie wordt er veel geroddeld. Daar moet je mee leren omgaan. De beste remedie is openheid: niet bij een eerste kus, maar wel zodra je beseft dat het ernstig wordt. En daarnaast kan ook de emotionele verbondenheid tussen geliefden het werk in de weg gaan staan. Soms ben je zo verliefd, dat je je hoofd niet meer koel kunt houden.’

Dat beaamt Lievens. ‘Als twee teamleden een relatie beginnen, kunnen zij een team binnen het team worden. Dan spreken we van “diabolische geliefden”. Daardoor kan een sfeer van rivaliteit ontstaan. In zo’n geval is het verstandig om over te stappen naar een andere afdeling in het bedrijf. Al is dat soms makkelijker gezegd dan gedaan: in een multinational is dat geen probleem, maar in een kmo met zeven werknemers ligt het moeilijker.’

En dan is er nog het grote cliché: de baas die zijn secretaresse tot maîtresse maakt. ‘Dat is zeker een gevaarlijke situatie’, zegt Lievens. ‘Als chef moet je een rolmodel zijn voor je bedrijf, met hoge ethische standaarden. Als je dan altijd uit eten gaat met je maîtresse, kan dat een negatieve uitstraling geven op jezelf en het hele bedrijf.’

Toch kan een werkromance zo z’n voordelen hebben, stelt Lievens. ‘Vaak werken geliefden harder: ze komen met plezier naar het werk en willen het roddelcircuit bewijzen dat ze zich wél voor de volle honderd procent inzetten voor hun team.’

Goed om te weten: de favoriete locaties voor intimiteit op het werk zijn het archieflokaal, de lift, de noodtrap en de bedrijfsbestelwagen. Minder populair zijn de toiletten en het bureau van de directeur. Tenzij die laatste betrokken partij is, vermoeden we.


Familierecht moet op de schop

De Standaard – 5 februari 2016

Het Grondwettelijk Hof heeft met zijn arrest in de zaak-Boël nog eens duidelijk gemaakt dat ons familierecht niet meer voldoet aan de hedendaagse samenleving. De Antwerpse hoogleraar en advocaat Frederik Swennen vindt het hoog tijd voor een grondige herziening

Hedendaags ouderschap blijft discussies uitlokken: recentontstond er ophef over interlandelijke adopties, en zopas nog over ‘babyverkoop’ via draagmoederschap in Brussel. En deze week sprak het Grondwettelijk Hof zich uit in de saga rond de vordering van Delphine Boël tegen koning Albert. Boël mag haar rechtszaak voortzetten (DS 4 februari).

Frederik Swennen is niet verrast: ‘Dit arrest volgt op meer dan dertig voorgaande arresten waarmee het Grondwettelijk Hof eerder al duidelijk heeft gemaakt dat het familierecht niet meer voldoet. Het zit structureel fout. In de handboeken wordt het gezin dikwijls nog voorgesteld als het traditionele huwelijkse gezin met een mooie stamboom. Dat traditionele gezin, waartoe ook holebigezinnen zijn gaan behoren, is beschermwaardig. Maar deze omschrijving dekt niet meer de lading. Meer en meer mensen, die op andere manieren een gezin vormen, komen in de juridische “dode hoek” terecht. Daar vallen veel slachtoffers.’

Daarom pleit Swennen voor een grondige herziening van het familierecht die tegemoetkomt aan andersoortige vormen van ouderschap. Hij geeft enkele voorzetten.

Beëindig de heerschappij van de baarmoeder

Swennen: ‘Vóór 1987 moesten ongehuwde vrouwen in België hun eigen kind erkennen. Zulke buitenhuwelijkse of “natuurlijke” kinderen hadden minder rechten. In de jaren zeventig nam het aantal bewust ongehuwde moeders toe – velen van hen hebben toen hun eigen kind geadopteerd om het evenveel rechten als andere kinderen te geven.’

‘In 1979 heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg in de zaak-Marckx geoordeeld dat de Belgische staat die discriminatie tussen kinderen moest opheffen. De wetswijziging van 1987 heeft daarom bepaald dat vrouwen die van een kind bevallen, altijd de moeder zijn. Toch is ook dat weer discriminerend, want vaders kunnen wel nog kiezen of ze hun kind erkennen. Moeders hebben geen keuzemogelijkheid meer. Nochtans zei het Hof alleen dat dit een recht van vrouwen was.’

‘En passant hebben we de mogelijkheid om discreet te bevallen, die voordien bestond, afgeschaft. Daar is nochtans nood aan. Dat blijkt telkens weer wanneer er een kind te vondeling wordt gelegd.’

Volgens Swennen is deze ‘dictatuur van de baarmoeder’ het scherpst aan de orde bij draagmoederschap: ‘In het Frans noemt men dit “zwangerschap voor een ander”. Dat dekt de lading beter. Omdat het in ons wetboek gebeiteld staat dat de vrouw die bevalt altijd de moeder is, schiet de wetgever hierover steevast in een kramp. Ik begrijp niet dat velen in dit land commercieel draagmoederschap willen verbieden. Voor één adoptie uit de VS betaal je nu ook bijna 50.000 euro. Erg groot is het prijsverschil niet.’

Maak meerouderschap mogelijk

Swennen: ‘De hele tragiek in de zaak-Boël is dat Delphine maar één vader kan hebben. Trek die discussie open! Het Hof voor de Rechten van de Mens heeft in twee cases al geoordeeld dat er zowel een juridische vader kan zijn die het ouderschap op zich neemt, en dat er daarnaast een juridische erkenning wordt gegeven aan de verwekker, die slechts een beperkte rol opneemt of helemaal geen. Er lopen veel Delphines rond in België waar de of-of-benadering leidt tot verscheurde gezinnen.’

‘Meerouderschap is ook goed voor alle nieuwe ouderschapsvormen, waar meer dan twee volwassenen beslissen om samen een kind groot te brengen. Of nieuwsamengestelde gezinnen, waarbij een of twee stiefouders de kinderen mee opvoeden. Sommigen vrezen dat meerouderschap meer conflictstof zal geven. Het is omgekeerd: het ontbreken van een wetgevend kader leidt vaker tot conflicten.’

Neem het ouderschapsproject als vertrekpunt

Swennen: ‘In plaats van het huwelijk of de biologie kunnen we beter een ander vertrekpunt te nemen: zij die vrij en bewust beslissen om samen kinderen te hebben, zijn de ouders. Die keuze kan worden gemaakt bij natuurlijke voortplanting, maar ook bij medisch begeleide voortplanting, bij adoptie of door volwassenen die wel samen een kind willen zonder dat ze een relatie met elkaar hebben. Dit voorstel sluit niemand uit, ook de traditionele familie niet.’

‘Twee of meer volwassenen kunnen dan bij de burgerlijke stand een ouderschapsverklaring afleggen, waarbij de ambtenaar wijst op hun ouderlijke rechten en plichten, in goede en kwade dagen.’

Schaf de discriminatie van kinderen af

Swennen: ‘Als getrouwde ouders uit de echt scheiden met onderlinge toestemming, moeten zij een ouderschapsplan voorleggen. De wetgever dringt er ook op aan dat mensen op die manier scheiden. Dat is in de praktijk vaak in het nadeel van kinderen, omdat ze als pasmunt gebruikt worden in de packagedeal die ouders bij een scheiding met onderlinge toestemming moeten sluiten. De vrouw neemt bijvoorbeeld genoegen met minder alimentatie als zij de kinderen meer bij zich krijgt.’

‘Als ze scheiden zonder onderlinge toestemming, moeten ze geen ouderschapsplan voorleggen. Ook wie niet gehuwd was en uit elkaar gaat, hoeft geen ouderschapsplan te maken. Het is duidelijk dat een vermenging van die twee discussies – over de ontbinding van de relatie en over de kinderen – niet goed is. Relatiestatus en ouderschap moeten van elkaar losgekoppeld worden.’

Geef iedereen toegang tot zijn herkomstgegevens

Swennen: ‘Alle soorten kinderen moeten op dezelfde manier de identiteit van hun biologische ouders kunnen achterhalen bij een commissie. Gegevens over donoren, afstandsmoeders en discreet bevallen vrouwen moeten door die commissie worden bijgehouden. Enkel wanneer de biologische ouder een bijzonder zwaarwegend belang heeft, zou toegang tot identiteitsgegevens onmogelijk moeten zijn.’

‘Ten tweede moet het kind de keuze hebben om de identiteit niet te achterhalen. Nu worden adoptiekinderen soms ongevraagd met de waarheid geconfronteerd, bijvoorbeeld als ze een afschrift van hun geboorteakte opvragen voor hun huwelijk. Ik stel voor om een splitsing te maken tussen geboorteregister en herkomstregister. De eerste kan een code bevatten op basis waarvan het kind de commissie kan contacteren voor nadere informatie. Die informatie, over zijn biologische verwekkers, hoort alleen in het herkomstregister thuis en niet in het geboorteregister.’

Creëer een staatscommissie

Swennen: ‘In onze buurlanden hebben multidisciplinaire staatscommissies de tijd gekregen om over ouderschap na te denken. Bij ons wordt het familierecht stiefmoederlijk behandeld. De minister van Justitie, Koen Geens (CD&V), heeft in zowat alle rechtsdomeinen hervormingscommissies benoemd, behalve hierin. Intussen krijg ik uitnodigingen van allerhande parlementaire commissies, die zich over delen van het familierecht buigen en die volstrekt naast elkaar bezig zijn. Niemand overziet het hele plaatje. Dat is bedroevend.’


Heb jij thuis een koppig kind? Geweldig nieuws!

Het Laatste Nieuws – 4 februari 2016

Kinderen die vaak de regels breken of tegen hun ouders ingaan, groeien vaker uit tot rijke en succesvolle volwassenen. Dat heeft een Amerikaanse studie onlangs aangetoond.
De wetenschappers volgden studenten vanaf de laatste jaren in de lagere school tot ze volwassen waren. Op hun twaalfde of hun achtste legden ze tests af die peilden naar nauwkeurigheid op academisch gebied, autoritaire en koppige karaktertrekken. Veertig jaar later zagen de onderzoekers dezelfde proefpersonen opnieuw. Nieuwe tests toonden dan aan dat wie de regels brak, koppig was en rebelleerde als kind, later een hoger inkomen had.

Mogelijke verklaringen

De studie verklaart niet waarom er zo’n sterk verband is tussen het breken van de regels tijdens de jeugd en meer succes op latere leeftijd. De auteurs halen aan dat deze kinderen competitiever kunnen zijn in de klas, wat tot betere punten leidt. Maar ook kunnen ze veeleisender als werknemer en langer volhouden in discussies over loonsverhoging. Ze zullen eveneens vechten voor hun eigen financiële rechten, ook al riskeren ze zo vrienden en collega’s te irriteren. De auteurs sluiten zelfs niet uit dat de jongere rebellen later vaker illegale zaakjes opzetten om een centje bij te verdienen. De studie verscheen afgelopen september in het blad ‘Developmental Psychology’.

Eerste hulp bij een koppig kind

Een koppig kind herken je aan een instinct om alles wat zij of hij niet logisch vindt in twijfel te trekken. Ze gaan voor wat ze willen, koste wat het kost. Een koppigaard doet wat juist is, ook al doen al hun vrienden het tegenovergestelde. Als ouders deze kinderen kunnen motiveren om op school hun best te doen of zich in te zetten voor iets positiefs, dan kunnen ze opgroeien tot gemotiveerde leiders die de juiste beslissingen nemen, ook al moeten ze het dan soms alleen doen.

Hoewel een koppig kind opgroeit tot een succesvolle volwassene, is de opvoeding van zo’n rebel voor ouders niet altijd makkelijk. De beste manier om ermee om te gaan is de communicatie open te houden. Luister en vraag je oogappel om zijn of haar standpunt te verduidelijken. Zo kan je je kind beter begrijpen en mogelijk kan dat je doen inzien dat je kind misschien wel gelijk heeft. En onderhandel als jullie een meningsverschil hebben. Af en toe moet je toegeven als het kind bijvoorbeeld met een goed rapport naar huis komt. Leg bij slechte resultaten ook op voorhand enkele strafmaatregelen vast, zo moet je minder discussiëren op het moment zelf.


Niet iedereen is gemaakt om uit te blinken aan de universiteit en dat is best ok

De Morgen – 3 februari 2016

Uit de meest recente cijfers van de Eenheid voor Zelfmoordonderzoek van de UGent blijkt dat er in 2014 zo’n 5 studenten per dag een zelfdodingspoging ondernamen. Een hallucinant cijfer, maar helaas niet nieuw. In 2013 waren er naar schatting zo’n 10.055 suïcidepogingen in Vlaanderen. In 2014 waren dat er 10.236, wat neerkomt op ongeveer 28 suïcidepogingen per dag. En die cijfers zijn niet volledig: spoeddiensten van ziekenhuizen kunnen vrijwillig deelnemen aan de registratie, maar worden daar niet toe verplicht. Momenteel zijn de cijfers gebaseerd op 37 ziekenhuizen.

Dat een groot onderdeel van de pogers bestaat uit studenten, is niet helemaal onlogisch: je studententijd is een transitiemoment waarop je plots een compleet nieuwe levenswijze gaat toepassen: voor het eerst alleen wonen in een onbekende stad, een andere vorm van onderwijs ontdekken, op je eentje nieuwe vrienden maken. Voor velen de tijd van hun leven, voor anderen een lijdensweg. Sommige jongeren komen terecht in een sociaal isolement en voelen zich verloren in hun nieuwe stad en school. Maar dat luidop zeggen blijft erg moeilijk en brengt nog steeds heel wat schaamte met zich mee.

Suïcide is natuurlijk veel ingewikkelder dan ‘ik voel me slecht op school, dus ik maak er een einde aan’. Laat daar geen twijfel over bestaan. Bij een (poging tot) zelfdoding spelen heel wat interne en externe factoren mee, en het gemiddelde suïcidaal proces duurt zo’n twee tot drie jaar. Het is dus zeker niet zo dat jongeren aankomen op de universiteit of hogeschool en plotsklaps een einde aan hun leven willen maken.

Maar dat mag er niet voor zorgen dat we ontkennen hoe zwaar de druk op studenten kan zijn. Toen ik op mijn zeventiende de middelbare schoolbanken verliet, wist ik helemaal niet wat, waar en hoe te gaan studeren. Maar ik deed het toch: want dat wordt van je verwacht. En mijn resultaten? Huilen met de pet op. Ik wist gewoon niet hoe ik aan die grote pakketten leerstof moest beginnen, en mijn faalangst zorgde ervoor dat ik helemaal blokkeerde. Na afloop van het academiejaar ging ik gewoon werken, want dat was wat ik echt wou. Ze zijn zeldzaam tegenwoordig, jongeren die op hun achttiende al op de arbeidsmarkt terechtkomen. En dat is natuurlijk een goede evolutie, maar we vergeten wel eens dat niet iedereen gemaakt is om uit te blinken aan de universiteit of hogeschool. Of dat niet iedereen daar klaar voor is op zijn achttiende. En vooral: dat dat helemaal niet erg hoeft te zijn.

Net daarom is het zo belangrijk dat we blijven hameren op een algemene mentaliteitswijziging. Enerzijds wil ik pleiten voor een lessenpakket rond veerkracht en suïcidepreventie aan hogescholen en universiteiten, maar anderzijds zou zoiets geen taak van scholen mogen zijn. De meeste universiteiten en hogescholen bieden nu al gratis psychologische consulten aan op de campus. Een project als Mindmates, een steunend netwerk waarbij studenten leren zorgen voor en spreken over hun eigen welbevinden en dat van hun vrienden en medestudenten, zou een bredere uitrol kunnen krijgen met de nodige steun van de overheid. Nu loopt het project enkel aan de K.U.L.

Want uiteindelijk blijft suïcidepreventie een taak voor de volledige maatschappij. Een taak voor u en voor mij. Elk kind, elke jongeren, elke volwassene, zou in zijn of haar omgeving het gevoel moeten hebben dat psychische problemen kunnen en mogen bestaan. We moeten van dat schaamtegevoel af. Pas dan zullen we een daling zien in de hallucinante cijfers van suïcidepogers. Als u volgende keer aan uw studerende kind, vriend, of medestudent vraagt hoe het met hem of haar gaat: luister dan ècht.


“Als je mij wil en alles wat daarbij hoort, kom dan zo snel mogelijk naar hier”

Het Laatste Nieuws – 29 januari 2016

Na een pijnlijke scheiding had Kristina Kuzmic uit Californië gezworen nooit meer verliefd te worden. Tot ze twee jaar later Phillip ontmoette. Ze voelde meteen dat deze man bijzonder was maar wie wilde nu samenleven met een chaotische single mama met twee kinderen? Wel, hij. In een prachtig bericht op Facebook beschrijft Kristina hoe Phillip haar hart stap voor stap veroverde.
Kristina en Phillip deelden een speciale band maar de gescheiden mama vocht tegen haar gevoelens. Hoe meer ze dat deed, hoe sterker ze werden. Toch deed ze flink haar best om Phillip van zich weg te duwen. Kristina was nog steeds bang om gekwetst te worden. “Ik deed werkelijk alles opdat hij de benen zou nemen”, schreef ze. “Maar hij bleef. Wanneer ik me zwak voelde, zag hij mijn sterkte. Hij omarmde niet alleen mij maar ook mijn problemen.”

Puinhoop

Ze besloot Phillip uiteindelijk toch voor te stellen aan haar kinderen. Een paar weken later waren Kristina en haar dochtertje gelijktijdig ziek. Het huis was een puinhoop. Haar schreeuwende driejarige dreumes had overgegeven op het tapijt en hierdoor werd ook de andere vijfjarige kleuter wakker. Het was een ramp. Ze had hulp nodig. Dus belde ze Phillip in het midden van de nacht en zei hem: “Als je mij wil en alles wat daarbij hoort, kom dan zo snel mogelijk naar hier.”

Twintig minuten later stond hij voor de deur. Kristina vreesde dat hij slecht gezind zou zijn omdat ze hem middenin de nacht had gewekt. Maar het tegendeel bleek waar. “Hij knielde op de grond, trok de dweil uit mijn handen en begon de smurrie op te kuisen”, merkte ze tot haar verbazing. “Hij bracht mijn kinderen weer naar bed, gaf een kus op mijn voorhoofd en zei: ‘Ja, ik wil dit. Ik wil alles wat erbij hoort. Ik wil jullie alle drie.”

Ondertussen ligt die bewuste nacht al zeven jaar achter hen. Nog steeds houdt Phillip onvoorwaardelijk van Kristina en haar kinderen. “Deze man had het lef om langs te komen en mijn bitterheid weg te spoelen. Ik ben hem voor eeuwig dankbaar, net zoals mijn kinderen.

Het hartverwarmende verhaal van Kristina verscheen op 27 januari op de Facebookpagina van ‘Love What Matters’ en gaat sindsdien viraal.


Vergeet de baby-jaren, puberteit is zwaarste voor moeders

Het Laatste Nieuws – 29 januari 2016

“De eerste jaren zijn de moeilijkste,” wordt kersverse ouders met betrekking tot hun kind wel eens op het hart gedrukt. Daarna zou het makkelijker worden, maar nieuw Amerikaans onderzoek wijst op het addertje onder het gras. Uit een grote enquête bij mama’s blijkt dat de puberteit voor moeders nog zwaarder is dan de baby-periode.
Wetenschappers van Arizona State University ondervroegen 2.200 moeders met kinderen van verschillende leeftijden. Ze wilden onderzoeken hoe groot de aanpassing voor de moeders zelf is als ze kinderen hebben, en de verschillende leeftijdscategorieën vergelijken. Omdat er al veel literatuur bestaat over hoe moeders hun kinderen beïnvloeden, wilden de wetenschappers nu het tegenovergestelde bestuderen.

12 tot 14 jaar

Hoewel vaak beweerd wordt dat baby-periode waarin het kind zelf nog niets kan het zwaarste is, ontdekten de wetenschappers dat de middelbare school – meer specifiek 12 tot 14-jarigen – veel uitdagender is. Tijdens die periode voelden moeders zich het minst tevreden met hun eigen leven en ouderschap, en piekten de gevoelens van leegheid.

Alcohol, seks en drugs

Zorgen voor kleine kinderen mag dan wel fysiek uitputtend zijn, pubers brengen heel wat andere kopzorgen met zich mee. Zo is er de puberteit met bijbehorende hormonen, veranderende lichamen en puistjes enerzijds. Anderzijds is er de aantrekkingskracht tot alcohol, seks en drugs bij tieners, waar ouders zich zorgen over maken. Pubers scheiden daarenboven zich steeds meer af van hun ouders en vinden vrienden steeds belangrijker.

Pijnlijke afwijzing

“Moeders zijn in zekere zin de ‘eerste hulpverleners’ voor kinderen die in nood zijn”, legt onderzoekster Suniya Luthar uit. “Bij pubers moeten ze op zoek gaan naar een nieuwe manier om hun kind te troosten, wetende dat de eerdere oplossingen – een knuffel, een lief woordje, een verhaaltje – niet meer werken. En dan is er nog het kwetsende gevoel van pijnlijke opmerkingen, rollen met de ogen, afstand nemen tot zelf minachten van de ouder, door een kind dat jou enkele jaren voordien nog op een voetstuk plaatste. Die afwijzing kan heel veel pijn doen.”

Het komt wel weer goed

Een hoopgevende afsluiter van mama’s die nog aan deze periode moeten beginnen: daarna wordt het allemaal weer beter. Ben je moeder van een (jong)volwassene, dan piekt die tevredenheid opnieuw, volgens het onderzoek.


 

Jongeren willen foto’s op sociale media kunnen blokkeren

Het Laatste Nieuws – 29 januari 2016

Jongeren willen de mogelijkheid om beelden van hen te blokkeren op sociale media, ook als ze die niet zelf hebben geplaatst. Dat was een van de conclusies bij de zitting van het jongerenparlement die de Privacycommissie vandaag organiseerde in de Kamer.
Honderdtwintig jongeren werkten in het parlement een reeks aanbevelingen voor de regering uit. Een van de opvallende conclusies is dat ze een foto of filmpje waarin ze voorkomen willen kunnen blokkeren, of op zijn minst ‘blurren’. “Een mogelijkheid is een alarmknop, waarmee het beeld tijdelijk onzichtbaar wordt voor andere gebruikers en er een dialoog kan worden opgestart”, vat een deelnemer het samen.

Bart Tommelein is ervan overtuigd dat we een dergelijke maatregel in wetgeving zouden kunnen omzetten, ook tegenover multinationals als Facebook of Twitter. “Ik ben vrij optimistisch dat we dergelijke sites snel een strenger kader kunnen opleggen, omdat de neuzen van de Europese lidstaten stilaan in dezelfde richting wijzen”, zegt hij.

Jongeren moeten daarnaast beter worden geïnformeerd over hun rechten op het internet, vinden de 120 deelnemers. Privacyinstellingen bestaan, maar veel gebruikers zijn er niet van op de hoogte. Daar is een rol voor de school weggelegd. “Wanneer men zijn eerste stappen zet op de sociale media is dat het ideale moment om te informeren en te discussiëren”, zegt professor Michel Walrave, die de debatten begeleidde.

Te vaak
Ook voor de ouders is een rol weggelegd, al zijn het soms net zij die zich beter moeten beheersen, vinden de jongeren. Het zogenaamde ‘sharenting’, ouders die hun kroost te vaak fotograferen en online plaatsen, blijkt niet te onderschatten. “Ouders moet worden aangeleerd het standpunt van hun kinderen in te nemen als ze iets delen”, aldus Walrave. “Mogelijk moet hierrond een campagne worden gevoerd, al kan het ook nuttig zijn het onderwerp aan bod te laten komen in fictieprogramma’s.”


Relaties van nu

Libelle – 28 januari 2016

Relaties anno 2016: Waarom wordt er meer gescheiden? Wordt er nog getrouwd? En hoe zit het met de alsmaar groter wordende groep singles? Lees het in Libelle’s grote relatiedossier. Tekst: Els De Ridder. Enquête: Filip Huwaert. Met toelichting van Rika Ponnet.

Meer dan een miljoen, zo veel vrouwen bereikt Libelle wekelijks. Wij weten dan ook perfect hoe jullie denken, wat jullie voelen en hoe jullie leven. Dat komen we te weten door jullie te interviewen, door de mails en brieven die we van jullie krijgen, maar ook door de onderzoeken die we doen. In 2001 voerden we een groot onderzoek naar de wereld van drie generaties Vlaamse vrouwen. We bevroegen toen 1000 vrouwen van alle leeftijden, en die enquête deden we in 2015 opnieuw. Hoe anders staan jullie tegenover relaties? En geloven jullie nog in nog lang en gelukkig?

Uit de enquête blijkt vooral dat er meer singles en meer scheidingen zijn. En dat er minder geloof is in de ware liefde en er minder langdurige relaties worden aangegaan. Wat zegt het over onze maatschappij?
Relatietherapeute Rika Ponnet: “Het probleem is dat een relatie een wij-verhaal vertelt, terwijl de ingesteldheid vandaag heel erg gericht is op de zelfontplooiing. De maatstaf is het perfecte leven geworden. Omdat alles lijkt te kunnen, denken we onze dromen te kunnen waarmaken. We boeken een kruidenworkshop aan de andere kant van de wereld, we sturen onze kinderen naar de interessantste hobby’s en we volgen cursussen omdat we een carrièremove ambiëren. En liefst van alles toont ook onze partner zich, ‘s avonds als we thuiskomen, van zijn interessantste kant. Alleen daar lijkt het schoentje te knellen, want een relatie is niet zo maakbaar als een carrière of een reis. Op een gegeven moment wreekt zich dat: zeker als er kinderen komen, blijkt dit vaak voor een breuklijn te zorgen. Bij heel veel koppels bij wie het fout loopt, zit de kiem in de komst van de kinderen. De vele mamablogs ten spijt stelt het ouderschap koppels alsmaar zwaarder op de proef. Dat komt omdat onze persoonlijke en relationele verwachtingen in combi met het ouderschap onze vermogens ver overstijgen. En als het dan even tegenzit is dat dubbelop. Daarop kunnen relaties stranden.”

42% van de vrouwen is gehuwd of woont samen met haar eerste partner. In 2001 was dat nog 70% van de ondervraagden.
Maaike (32) is getrouwd met haar eerste liefde Thomas (32). Ze hebben drie kinderen Britt (9), Stan (6) en Tess (3).
“Thomas en ik waren allebei vijftien toen de vonk oversloeg. Ik had hem enkele maanden eerder leren kennen via een gemeenschappelijke vriend, erna zagen we elkaar nog enkele keren en dat was altijd erg prettig en fijn babbelen. Eens afgestudeerd ging het snel: we kochten een huis en de volgende stap was trouwen. We waren toen amper 22, en onze vrienden stonden versteld. Zij zaten ofwel in een prille relatie, ofwel was hun relatie net gedaan, en wij waren voor ons huwelijk een feestzaal met discobar aan het zoeken (lacht). We zijn best traditioneel getrouwd: voor de Kerk – ik kom uit een christelijk nest, met groot feest en een uitgebreid menu. Net omdat Thomas en ik elkaar al zo lang kenden, volgden de stappen zich in snel tempo op. De komst van ons eerste kindje bracht extra vragen en onzekerheden met zich mee, maar – ook al waren we pas 22 – we lieten ons niet van slag brengen: we zagen elkaar graag en ons kindje zou in een liefdevol nest terechtkomen. Als ik nu terugblik op onze relatie was de lastigste episode de komst van ons tweede kindje: de combinatie van een huilbaby en verbouwingen was echt moeilijk. Mijn man en ik hadden minder tijd voor elkaar, en je wordt als koppel absoluut op de proef gesteld. Scheiden kwam nooit in ons op, omdat we ervan overtuigd waren dat het na een moeilijke periode opnieuw beter gaat. We panikeren niet; er kwam zelfs een derde kindje.
Vorig jaar vierden we ons tien jaar huwelijk, en onze vrienden vonden het fantastisch dat we al zo lang samen waren. Behalve dat we elkaar heel graag zien, doen we ook altijd water bij de wijn en praten we écht met elkaar. Het lijken me noodzakelijke ingrediënten voor een stabiele, duurzame relatie. En ook in moeilijkere periodes, als je iemand verliest of er in je omgeving iemand ziek wordt, ben je blij met een steun en toeverlaat, iemand bij wie je altijd terechtkan.”

Terwijl in 2001 het hebben van kinderen voor de meerderheid (57%) de ultieme vervulling was van een relatie, is dat nu nog 33%.
Rika Ponnet: “Vrouwen, meer dan mannen, identificeren zich vandaag nog altijd sterk met hun moederrol. Ze investeren veel in het ouderschap, meer dan de generaties voor ons, maar ze hebben ook hoge verwachtingen naar voldoening, een gevoel van zelfrealisatie via dat ouderschap. Kinderen moeten ons gelukkig maken, want we hebben er nu eenmaal bewust voor gekozen. Dat zorgt voor toch wel wat keuzestress, uitstel en ook afstel van het krijgen van kinderen. Ook zijn er almaar meer vrouwen voor wie kinderen niet het hoogste goed zijn. Ze maken andere levenskeuzes of zijn afgeschrikt door het geploeter van vriendinnen-moeders.

Het aantal gehuwden is sterk gedaald, van 76% in 2001 naar 56% vandaag. De gemiddelde leeftijd om te huwen is 26 jaar. Dat was in 2001 nog 23 jaar.

Verliefd, verloofd, getrouwd?!

Bijna de helft van de vrouwen tussen 20 en 35 die trouwen kiest voor een traditioneel huwelijk, maar de populariteit ervan is de laatste tien jaar wel afgenomen. 41% kiest voor een sober huwelijk, 9% kies voor een alternatief huwelijk, 6% trouwt in het buitenland en 2% trouwt in het geniep.

Is het huwelijk passé?

Rika Ponnet: “Vroeger had je een vaste relatie en trouwde je enkele jaren later. Trouwen hing nauw samen met een kerkelijke moraal. Die invloed van de kerk is sterk verminderd: in de stad verdwijnen zulke tradities en zie je minder huwelijken. Op het platteland leven die tradities wel nog meer. Vaak gaat men eerst wettelijk samenwonen en is trouwen een logische volgende stap.”

18% van de vrouwen is nooit getrouwd of heeft nooit met iemand samengewoond. In 2001 was dat nog 6%.
Nathalie Leblanc (46) woonde nog nooit samen en schreef daar het boek Solo over.
“Ik denk dat ik nog een tiener was toen ik wist dat je verliefd kon worden op iemand, zonder dat je per se met die persoon hoefde te gaan samenwonen. Samen onder één dak leven gaat over meer dan alleen zoenen en graag tijd doorbrengen met elkaar. Het gaat erom goede gesprekken te kunnen voeren met elkaar, en het lijkt me ook niet onbelangrijk om over een aantal belangrijke dingen hetzelfde te denken. Iemand met wie ik mijn leven op die manier wil delen, en met wie ik al die dingen wil opbouwen, heb ik tot nu toe gewoon nog niet ontmoet. En dat is geen bewuste keuze: net als bij iedereen, koppels en singles, overkomt het leven me. En tot nu toe is uit al die ontmoetingen nog geen langdurige relatie gegroeid. Ik heb er nooit wakker van gelegen, maar mijn omgeving in het begin wel. In mijn twintigerjaren kreeg ik vaak de vraag waarom ik nog niemand had: was ik misschien te moeilijk? Deed ik geen moeite? Was ik lesbisch? Ondertussen zijn mijn familie en vrienden het gewoon. Op vakantie krijg ik de vraag wel nog eens van wildvreemden, gevolgd door het sussende antwoord: ‘Oh, maar dat komt nog wel’. En dan denk ik: ‘Waarom is samenwonen zo belangrijk?’ Alsof je niet echt volwassen bent als je het niet doet? Ik zorg al sinds mijn achttiende voor mezelf. Ik ben de ware nog niet tegengekomen, maar dat maakt me niet ongelukkig. Singles verschillen daarin niet zoveel van koppels: je hebt een minderheid aan singles en koppels die overgelukkig is met hun situatie, je hebt een klein gedeelte dat doodongelukkig is, maar het merendeel vindt hun leven, hun situatie gewoon oké. Ik heb het gevoel dat de maatschappij nog altijd vrij negatief over een single leven denkt: alsof samenwonen alleen maar voordelen heeft. Eigenlijk klopt dat niet: er zijn altijd twee kanten aan de medaille. Ik moet bijvoorbeeld alle beslissingen in mijn eentje nemen, en ik voel me 100% verantwoordelijk als het dan eens tegenzit. Maar ik kan mijn leven ook helemaal inrichten zoals het mij uitkomt, en hoef geen compromissen te sluiten. Op het gebied van geld zijn we natuurlijk kwetsbaarder: woon je alleen, dan moet je alles uit één portemonnee betalen. En dat zorgt uiteindelijk voor minder gemoedsrust, en leidt bij sommigen tot een ongelukkiger gevoel. Maar de meeste singles zijn geen kneusjes die pizza eten en zeven katten hebben, en ze leiden ook geen Sex and the City-leven. We zijn heel gewone mensen, en we zijn met veel. Maar liefst 1, 8 miljoen Belgen woont alleen. Daarom vind ik het belangrijk dat we meetellen.
Of ik mezelf ooit nog zie samenwonen? Zeg nooit nooit, maar ik leef ondertussen al zo lang alleen, dat ik over zo’n grote stap in ieder geval heel goed zal nadenken.”

62% van de vrouwen zonder partner staan open voor een relatie; de bereidheid om in een nieuwe relatie te stappen vermindert met het ouder worden. Vijftigplussers hebben meer vrede met hun vrijgezellenbestaan in vergelijking met de jongere generatie.

1 op 2 singles vindt het oké dat ze geen vaste partner heeft. 1 op 4 is ontevreden over hun single zijn. Het gebrek aan intimiteit valt hen zwaar. Maar ook de praktische en financiële voordelen van een relatie missen ze.
Relatiedeskundige Rika Ponnet: “Er zijn alsmaar meer mensen die alleen wonen. Omdat er meer relatiebreuken zijn, omdat mensen ouder worden en alleen komen te staan, omdat ze nog niet klaar zijn voor een volgende relatie… Wat wel vroeg of laat terugkeert, is het verlangen om zich opnieuw te binden. Zich verbinden met iemand is iets typisch menselijk. Dat 50 plussers meer vrede hebben met hun vrijgezellenbestaan, verbaast mij niet: alleenstaande ‘midlifevrouwen’ beseffen dat ze het erg moeilijk hebben op de relatiemarkt en berusten daar gemakkelijker in. Ze kunnen hun mannetje staan, en ondanks het feit dat ze wel eens het gevoel hebben iemand te missen, heeft dat weinig invloed op hun levenskwaliteit.”

Vaste relatie = minder belangrijk

7 op 10 vrouwen vindt het hebben van een vaste relatie belangrijk, in 2001 was dat nog meer dan 8 op 10 vrouwen.
Relatiedeskundige Rika Ponnet: “Vrouwen staan door een emancipatiegolf van twee à drie decennia sterker in hun schoenen, en meer op eigen benen. Zeker op geldgebied staan ze in een relatie véél sterker dan vroeger. Het maakt dat vrouwen minder afhankelijk zijn van een man, en vermoedelijk om die reden een vaste relatie iets minder belangrijk vinden.”

Ware liefde?!

Minder dan de helft van de vrouwen (42%) gelooft in het idee van de Ware Jacob.
Rika Ponnet: “Hier zie je een tegenstelling ontstaan tussen moeders en hun dochters. Jongeren, vaak kinderen van gescheiden ouders, dromen van het huisje-boompje-beestjeverhaal. Ze willen het beter doen dan hun ouders, en gaan op zoek naar de prins op het witte paard. Maar de zoektocht naar de Ware Jacob is een Hollywoodmythe, iets wat enkel in films bestaat. Het maakt singles kieskeuriger, langer zoekende en dus langer alleenstaand.”

Waar ontmoet je je levenspartner?
1. in het uitgaansleven (28%)
2. vriendenkring (16%)
3. sociale media (14%)
Het verenigingsleven staat pas op de achtste plaats, en heeft fors aan belang ingeboet.

Maar liefst 36% van de vrouwen tussen 36 en 50 jaar is gescheiden, uit elkaar gegaan of zit in een scheiding.
Rika Ponnet: “Twintig jaar geleden was de groep die het meest scheidde, gemiddeld vijftien jaar gehuwd en tussen de 38 en 45 jaar. Vandaag zien we ook jongere koppels uit elkaar gaan, bijvoorbeeld na de geboorte van hun eerste kindje. En ook zestigplussers zetten de stap: mevrouw heeft bijvoorbeeld geen zin om haar laatste dagen te slijten in een uitgeblust huwelijk en zet er een punt achter. Veel oudere koppels gaan ook uit elkaar eens de kinderen het huis uit zijn. De verwachting is dat de helft van wie vandaag trouwt, in de loop van zijn leven zal scheiden. In de Scandinavische landen, Amerika en Canada zitten ze al aan dat cijfer. Vaak zijn er bij relatiebreuken kinderen betrokken, wat toch altijd zorgt voor kwetsbaardere omstandigheden. Daarom wordt het in de toekomst alsmaar belangrijker om in te zetten op een goed begeleide scheiding. Dat is uiteindelijk beter voor alle partijen en voor de maatschappij.”

De 3 belangrijkste redenen om een punt te zetten achter je huwelijk
1. als de ene de andere onderdrukt
2. als een van beide ontrouw is
3. als een van beide met een verslaving worstelt
Relatiedeskundige Rika Ponnet: “Veelal liggen emotionele redenen aan de basis: de relatie is ontwricht, het koppel leeft naast elkaar, en het gevolg daarvan is overspel. Overspel of ontrouw is dus geen directe oorzaak voor een breuk, maar vaak het gevolg van een relatie die al langere tijd in het slop zat.”

20 % van de vijftigplussers is voor de tweede keer getrouwd.
Dirk (54) en Carla (55) trouwden dit jaar, het is voor elk van hen hun tweede huwelijk. Ze hebben samen drie kinderen.
Dirk: “Mijn huwelijksfeest met Carla was zo anders dan mijn eerste trouw: het was kleinschaliger, niet voor de kerk, met minder regels en meer ambiance.”
Carla: “Ik ben van mijn zevenendertigste gescheiden en ben sindsdien nooit actief op zoek geweest naar een relatie. Ik bezocht geen datingsites en de single mannen die ik ‘toevallig’ op feestjes van vrienden tegenkwam interesseerden me niet. Ik had mijn dochter, mijn appartement en mijn bedrijf en dat voelde voor mij compleet. Als de liefde mijn pad opnieuw zou kruisen, dan zou ik mijn ogen evenwel niet sluiten. Dirk ontmoette ik op een feestje. Ik kende hem van in het dorp, maar niet persoonlijk. Ik viel als een blok voor zijn humor. Het was niets minder dan een coup-de-foudre.”
Dirk: “Mijn ex en ik waren samen gebleven voor de kinderen. Maar toen die gingen verder studeren, en ik op dat ogenblik Carla leerde kennen, zijn we gescheiden.”
Carla: “Toen Dirk voor het eerst bij ons thuis kwam, heeft hij zich meteen bij mijn dochter en haar vrienden op het terras gezet. Het klikte meteen, en dat stelde me gerust. Hij is die nacht blijven slapen en niet meer weggegaan. Na een jaar hebben we iets gekocht dat écht van ons twee was. Ik vond dat eigen nest heel belangrijk.”
Dirk: “Dit jaar zijn we zeven jaar samen en getrouwd. Het ging er helemaal anders aan toe dan mijn eerste huwelijksfeest. Het was kleinschaliger, niet voor de kerk, minder regels en meer ambiance. En de centen die we kregen hebben we weggeschonken aan een goed doel. Het werd onvergetelijk!”
Carla: “Ik ben met mijn beste vriend getrouwd, met iemand waarop ik kan en mag steunen. Al ging onze relatie niet altijd over rozen. De goede en kwade dagen hebben we samen al meegemaakt: we kregen in dezelfde periode allebei kanker. Dan leer je elkaar goed kennen…”
Dirk: “De kinderen hebben ook tijd nodig gehad om te wennen aan onze relatie, en aan elkaar. Ze hadden hun ouders al een tijdje niet meer verliefd gezien, en nu zagen ze hun vader wel knuffelen, met een andere vrouw. We hebben hen ruimschoots te tijd gegeven waarin ze zich wat mochten afzetten, maar Carla en ik zijn altijd duidelijk geweest: wij zien elkaar graag en geven elkaar niet op. Het was te nemen of te laten. Dat klinkt hard, en vergt lef, maar het heeft gewerkt.”
Carla: “We hebben er altijd heel open over kunnen praten. Ik heb geen wonderdochter, en Dirk heeft ook geen wonderdochters. En wat ook hielp is het gezellig maken: voor ons nieuwe appartement heb ik meteen een grote tafel gekocht, waar we met tien personen aan kunnen zitten. Ik kook graag, en aan tafel voeren we de interessantste, leukste en moeilijkste gesprekken. Als ik nu terugblik op onze relatie, dan heb ik maar van één ding spijt: was ik Dirk maar tien jaar eerder tegengekomen.”

Tweede keer, goede keer?

Rika Ponnet: “Uit een groot echtscheidingsonderzoek in Vlaanderen blijkt dat iets meer dan 80% vijf jaar na een scheiding een nieuwe partner heeft. De grote meerderheid blijft na een breuk dus even alleen, en kiest dan weer om langere tijd in een relatie te stappen. Mensen die in een tweede huwelijk stappen doen dat vaak heel bewust, maar de kans dat het huwelijk strandt is groter dan bij een eerste huwelijk. Omdat ze al eens gescheiden zijn, en dat ‘overleefd’ hebben, wordt de drempel lager om bij onvrede ook het tweede huwelijk te verbreken.”

26% van de vrouwen met een vaste partner heeft ooit al ernstig overwogen haar partner te verlaten. In 2001 was dat nog 21%.

Telex

Leen (35): “Mijn man en ik zijn al vijftien jaar samen, en op zich loopt het wel goed. Toch blijf ik het gevoel hebben dat er ergens nog een man rondloopt die veel beter bij me zou passen, die me écht compleet maakt. Moet ik dat idee van me afschudden?”
Valerie: “Een ideaal najagen en alles opgeven voor iets wat je misschien nooit zal vinden? Of tevreden zijn met wat je hebt. Ik vind het waardevoller om met iemand samen te leven die mijn kleine kantjes kent, en toch van me houdt, iemand die ‘s morgens koffie brengt of ‘s avonds mijn voeten warmt. Een warme, stabiele liefde, dus. Als je dat hebt, kus dan je beide handjes en hou je man goed vast.” * Lies: “Verwar passie en vuur zeker niet met liefde, want dan zou op het eind wel eens kunnen blijken dat je alles wat je wilde, net hebt laten gaan. ” * Patricia: “Ik ben al dertig jaar gelukkig getrouwd. Het was heus niet altijd rozengeur en maneschijn, maar het gras is niet altijd groener aan de overkant!” * Janina: “Wees gelukkig met de stabiele en liefdevolle relatie die je hebt, en praat met je man als er dingen zijn die je mist.” * Nancy: “Als jullie het al vijftien jaar goed hebben, zou ik me vasthouden aan deze man. Hij zal je twijfels voelen, maar blijft toch bij je. En weert je: volmaakte mannen bestaan niet. Dat maakt ze net zo leuk!” *Kelly: “Zijn dit geen normale gedachten als je al vijftien jaar samen bent? Neem de tijd voor elkaar en doe dingen samen. Dat is niet altijd evident, maar wel belangrijk. En als de twijfel blijft: een goed gesprek doet wonderen.”

Twijfel je aan je relatie, maar blijf je toch bij je partner dan is dat vaak…:
1. voor de kinderen
2. uit financiële afhankelijkheid
3. uit het verplichte gevoel om samen te blijven
4. uit angst voor eenzaamheid.

Maakt dat dan gelukkiger? Is dit een juiste keuze?
Ik denk dat je in deze niet over goed of fout kan spreken. Mensen maken deze keuzes ook niet volgens een rationele logica, dat is de uitleg die ze er aan geven, maar altijd volgens een gevoelslogica, waarbij allerlei angsten zorgen voor twijfels, het niet maken van bepaalde keuzes…Het gaat ook vaak over heel complexe puzzels met tal van stukken waarover we niet altijd controle hebben. Twijfelen en blijven betekent toch meestal dat er meer redenen zijn om niet te breken. Dat is niet fout of goed, zo is het leven.

Haar in de boter?

Over deze onderwerpen maken we het vaakst ruzie:
1. taakverdeling in het huishouden (vooral bij jongeren)
2. de opvoeding van de kinderen (uitsluitend bij koppels met kinderen)
3. aankopen van dingen, geld in het algemeen
4. levensstijl
5. familie
Met het ouder maak je je minder druk om de taakverdeling, geld, levensstijl of egoïsme.

16% van de vrouwen tussen 51 en 70 is weduwe.
Christiane (70) is sinds anderhalf jaar weduwe. Ze heeft drie kinderen, die in het buitenland wonen.
“Het kwam toch nog onverwacht, het overlijden van mijn man. Hij leed al enkele jaren aan longkanker, en werd daarvoor behandeld. De maanden voor zijn dood had hij extra zuurstof nodig, maar we zijn in die periode nog naar Amerika gereisd – onze kinderen wonen daar. Ik herinner me nog heel goed hoe onze familie had verzameld in het huis van mijn dochter: onze kinderen en kleinkinderen, iedereen samen. Zo’n samenzijn, dat was zeker tien jaar geleden. Mijn man genoot. Maar tijdens die reis zag ik de eerste signalen: hij hield zich wat afzijdig en hield niet van te veel drukte. Enkele maanden later is hij in elkaar gezakt in de badkamer; ik weet nog dat ik tegen hem zei dat hij me niet alleen mocht laten. In het ziekenhuis hielden ze hem in een kunstmatige coma, tot de kinderen arriveerden. Hij is gestorven zoals hij het wilde: met zijn gezin rondom hem, en zich niet bewust van zijn einde. Dat hij geen pijn heeft moeten lijden, geen doosstrijd heeft moeten doorstaan, dat troost me tot op de dag van vandaag.
De dagen na zijn overlijden leef je op adrenaline. De weken erna kreeg ik nog veel telefoontjes, en daarna wachtte me de leegte. Vaak waren de enige twee woorden die ik op een dag zei, bij de bakker ‘Twee pistolets, alsjeblief.’ Mijn zus is er voor me, ze belt me dagelijks, maar ik voel me vaak alleen. En er is ook die administratieve rompslomp: ik moet alles terug op mijn meisjesnaam laten zetten, daardoor lopen er betalingen fout. Moe word ik ervan, en boos.
Als je met de eindigheid van het leven wordt geconfronteerd dan zet je dat aan het denken. Ik wil alles halen uit de tijd die me nog rest. Met mijn man bezocht ik onze kinderen eens per jaar in Amerika, nu ga ik vaker. Zo vaak als ik kan, nu het nog kan…”

Wist je dat…
Relatiedeskundige Rika Ponnet: “Weduwes die kunnen terugblikken op een gelukkige relatie, maar vooral goed afscheid van hun partner hebben kunnen nemen, zullen het overlijden van hun man doorgaans gemakkelijker verwerken.” Dit lijkt paradoxaal maar is het niet: vanuit dat gelukkig huwelijk is er vaak een groot vertrouwen in het goed lopen van relaties, een groot zelfvertrouwen ook in het vermogen om graag te zien, een relatie vorm te geven. Vaak hoor ik ook dat de partner aangegeven heeft, dat de ander niet alleen moet blijven. Niet zelden zie ik zo een mensen vrij snel na het overlijden van hun partner, hun leven opnieuw opnemen, ook met een nieuwe partner.


Slapen in hondenhok, vleesafval eten en slagen met bezem: vrouw mishandelt man

Het Belang van Limburg – 28 januari 2016

Hij moest slapen in een hondenhok en beschimmeld brood eten. Bovendien kreeg hij slagen met een bezem op het hoofd. De rechter in Turnhout veroordeelde een vrouw uit Antwerpen tot 36 maanden cel voor de mishandeling van haar man in Oud-Turnhout, zo meldt Gazet van Antwerpen.
“Dagelijks word ik met een houten blok of een bezem op het hoofd geslagen door mijn vrouw terwijl ik op mijn knieën moet gaan zitten”, verklaarde hij. “Sinds begin 2013 mag ik niet meer slapen in het chalet, maar moet ik overnachten in het houthok, het hondenhok of de open lucht.”

Drinken moest de man naar eigen zeggen uit een vijver op het domein. “Al zes jaar heb ik geen warm eten meer gezien. Ik moet het stellen met beschimmeld brood en vleesafval dat ik buiten moet opeten”, zei hij. “Mijn behoefte doe ik in het bos.”

Oud brood voor de paarden

Op 17 juni 2014 volgde een nieuwe huiszoeking. De man waste zich toen nog altijd met regenwater. Hij kreeg naar eigen zeggen oud brood dat bestemd was voor de paarden, waar hij een maand mee moest toekomen.

De rechter in Turnhout veroordeelde Taja D. gisteren voor de onmenselijke behandeling van haar echtgenoot. “De vaststellingen van de verbalisanten laten niets aan de verbeelding over”, sprak rechter Willemijn Verhoeve. “De beklaagde is agressief en hoogbegaafd. Een machotype.”


Nieuwe trend: twee leraars in een klas

De Morgen – 25 januari 2016

Meer en meer scholen experimenteren met grotere klassen en co-teaching: 2 leerkrachten die tegelijk lesgeven. Dat principe bestond al in kleuterklassen, maar nu ook in het secundair onderwijs. Onder andere de eerstejaars beroeps van middenschool Prins van Oranje in Diest experimenteren alvast met het concept. Bij co-teaching is het de bedoeling dat de ene leerkracht de leerlingen een beetje ondersteunt en helpt, terwijl de andere leerkracht op dat moment een instructie kan geven. De leerlingen krijgen in kleine groepjes les, terwijl de rest oefeningen maakt. Dat heeft als voordeel dat de leerlingen de leerstof op hun eigen tempo verwerken. De leerkrachten kunnen dan weer bij elkaar terecht voor advies. Zowel het katholiek als het gemeenschapsonderwijs staan achter co-teaching. Hier in Diest willen ze het uitbreiden naar het aso, met klassen van gemiddeld 30 leerlingen. Het wordt afwachten of het concept ook naar andere scholen zal uitbreiden.


‘Het is officieel: de single is, tegen wil en dank, een nieuwe doelgroep’

Knack – 24 januari 2016

Beleidsmakers hebben sinds kort ontdekt dat veel fiscale maatregelen in het nadeel zijn van alleenstaanden zonder kinderen. Singles zijn daarmee de zoveelste doelgroep geworden. Om een einde te maken aan het fiscaal apartheidsregime moeten we echter net af van alle samenlevingshokjes. Dat schrijven Maurits Vande Reyde (voorzitter Jong VLD, single) en Alexandra d’Archembeau (bestuurslid Jong VLD, single) in de wekelijkse bijdrage aan het Schaduwparlement.

Stel u even deze fictieve situatie voor: een internet-installateur die na het recht trekken van al uw kabels vraagt hoe kroostrijk u bent. Aan de hand daarvan berekent hij een maandelijkse korting. Want niet enkel op uw surfverbruik, zelfs op de éénmalige installatiekosten krijgt u een vermindering voor iedere Saar, Jente en Emma die thuis rondloopt. Dat zou natuurlijk compleet absurd zijn.

Nochtans weten we al langer dan vandaag dat belastingregels helaas wel volsteken met dat soort onzin. Politieke partijen hebben in het verleden blijkbaar gezamenlijk beslist het gezin als fiscale norm te nemen en zijn sindsdien, pampers en papfles in de lucht, vrolijk op dat conclaaf voortgegaan. Daardoor zitten alleenwoners zonder kinderen bij ons nu met de hoogste belastingdruk ter wereld.

Meerderheid

Sinds kort begint het beleidsmakers echter te dagen dat singles best talrijk zijn, straks misschien zelfs de meerderheid. Dus komt er tegen de talrijke discriminaties eindelijk wat verweer. De alleenstaande wordt de laatste maanden zelfs verheven tot de nieuwste doelgroep wiens miezerig bestaan mits dringende politieke actie vooruitgeholpen moet worden. Een “single-reflex” werd al in het leven geroepen, hoera.

Sta ons toe om daar wat sceptisch over te zijn. Neem nu bijvoorbeeld de kritiek van S.PA afgelopen week over de nieuwe prijs voor water. Die is het meest nadelig voor wie zonder partner leeft. Want zowel voor uw verbruik als door het simpele feit dat u over een wastafel met afvoer beschikt, betaalt u minder naargelang uw nageslacht groot is. Daar wordt terecht tegen geprotesteerd.

Diezelfde S.PA klaagde enkele maanden geleden echter niet over singles, wel over co-ouders als de grote dupe van krak dezelfde waterfactuur. Hun voorstel was toen om kinderen in co-ouderschap twee domicilies te geven, zodat er dubbel geprofiteerd kon worden van de kinderkorting. Een korting die ze nu dus discriminerend vindt voor singles. Tiens. Op hun jaarlijkse ledendag pleitten ze dan weer voor een taxshift volledig in het teken van, jawel: de gezinnen. En het hele gratis-beleid, dat nu gelukkig stilaan verdwijnt, stond bol van de kinderkortingen. Gratis elektriciteit, gratis water: alles was gratis, maar nog net wat meer gratis wanneer er kinderschoenen op het rek stonden.

Hokjesdenken

Het lijkt er dus op dat het vooral kwestie is om zoveel mogelijk samenlevingsvormen te bedienen, een kwaal waar overigens alle politieke partijen mee kampen. Nu eens de gezinnen, dan weer de singles, straks het polygamische-trio. Je kan er dan ook geld op inzetten dat er binnenkort één of andere fiscale aftrek op tafel komt, speciaal voor kinderloze alleenstaanden, om even later dan weer het nieuw-samengestelde gezin of de co-ouderschap moeder uit te roepen tot nieuwe paria van de onrechtvaardige fiscaliteit.

Laat dat eeuwige hokjesdenken in verschillende samenlevingsvormen nu net de kern van het probleem zijn. We leven in een fiscaal apartheidsregime en zolang we onderscheid blijven maken op basis van hoe en met wie we ons leven doorbrengen, kunnen we dat onmogelijk omverwerpen.

De huidige focus op singles mag dan goed bedoeld zijn, het volstaat niet. Er is veel meer nodig. Bestaande regelgeving moet volledig herschreven worden. Onderscheid tussen single, getrouwd, verloofd of het is een beetje ingewikkeld moet compleet verdwijnen. Om maar een voorbeeld te geven: successierechten zijn het afgelopen jaar sterk gedaald en dat is een goede zaak. Maar nog steeds zit er een huizenhoog verschil tussen wie aan gezin en familie kan schenken en wie niet. Daarvoor bestaat anno 2016 geen enkele zinnige reden. Dat is niet meer van deze tijd.

Elke single kent wel die goed bedoelde bezorgdheden van naaste en verre familie tijdens de feestdagen: “nog steeds single?”, meestal gevolgd door een “hoe komt het?”, soms door een “niet dat daar iets mis mee is natuurlijk”. Voor beleidsmakers moet dat soort vragen compleet irrelevant zijn. Geen gedoe dus met single-reflex of gezinsvriendelijke fiscaliteit: gewoon een zo laag mogelijke individuele belastingdruk, los van doelgroepen. Op naar een fiscale reflex die helemaal samenlevingsneutraal is. De Vlaamse scriptieprijs wacht op de moedige thesisstudent die er werk van maakt.


Waar blijft die maatschappij die vrouwen geen schuldgevoel aanpraat?

De Morgen – 23 januari 2016

Jonge vrouwen kennen hun klassiekers niet meer. Was ‘een slimme meid krijgt haar kind op tijd’ vroeger een algemeen aanvaarde wijsheid, dan denken ze nu ‘elke meid heeft zeeën van tijd’. Recent onderzoek van doctor Ilse Delbaere toont aan dat Vlaamse vrouwen de impact van leeftijd op vruchtbaarheid systematisch onderschatten. Hoe jonger die vrouwen, hoe groter de onderschatting. De positieve effecten van ivf (in-vitrofertilisatie) worden dan weer overschat. Hoe jonger de vrouwen, hoe groter de overschatting.

Jonge vrouwen denken dus steeds vaker dat ze zonder veel medische risico’s oude moeders kunnen worden. Meisjes hebben een onrealistisch beeld over zwangerschappen op late(re) leeftijd. De tijdloosheid overheerst, onterecht.

Op zich is het – uiteraard – een goede zaak dat de leeftijdsgrens voor de medische begeleiding van vrouwen met een zwangerschapswens ter discussie staat. Experts stellen dat de grens voor zwangerschappen met ingevroren cellen van 47 naar 50 jaar kan. Heel wat vrouwen zullen daarmee geholpen zijn.

Toch past een waarschuwing, al zal die gruwelijk behoudsgezind overkomen. De groep die met ingevroren eicellen op latere leeftijd zwanger zal geraken, zal klein blijven. Wie denkt er ook aan om op zijn 23ste eitjes in een koelkast te stoppen? Wie heeft het geld om dat te doen? Wie wil langs die – mogelijk – lange weg van vruchtbaarheidsbehandelingen?

De medische vooruitgang kan de natuur dan wel een beetje tarten, een algemene en levenslange garantie op moederschap is er niet. De menopauze blijft een plafond dat niet los te wrikken valt.

Als die verfoeide biologische klok aan de muur blijft hangen, draait de natuur de emancipatie dan een loer? Ja en nee. Omdat die grens redelijk onwrikbaar is, moeten er andere zaken in beweging komen. Omdat lijf en leden nu eenmaal niet te programmeren zijn, moet de samenleving zichzelf anders organiseren. De keuze tussen (alleenstaand) ouderschap of de ideale job zou geen dilemma mogen zijn. Waar blijft die school met muziek- en tekenlessen na de schoolbel? Waar blijft die crèche met flexibele uren? Waar blijft die maatschappij die vrouwen, wat ze ook doen of laten, geen schuldgevoel aanpraat?

Als de natuur weinig keuze laat, dan moet er in andere domeinen net meer keuzevrijheid komen. Voor moeders én vaders.


Tieners van gescheiden ouders hebben vaak nood aan vangnet

Deredactie – 21 januari 2016

Jongeren zijn vaak in de war door de scheiding van hun ouders. Ze moeten zich aanpassen aan de nieuwe situatie, maar vinden weinig steun bij hun ouders. Een betrouwbare gesprekspartner is dan nodig om het kind te ondersteunen in die aanpassingsperiode. Dat blijkt uit een onderzoek van het Kenniscentrum Hoger Instituut voor Gezinswetenschappen en de vzw Awel, die een luisterend oor biedt aan jongeren en hun problemen.
Het onderzoek vertrok vanuit 145 anonieme chatgesprekken van tieners in 2013 bij Awel. Terwijl 75 tot 80 procent van de jongeren erin slaagt zelf een nieuw evenwicht te vinden na een aanpassingsperiode, worstelen de jongeren in dit onderzoek met moeilijke gevoelens.

Ze vertellen over praktische en financiële gevolgen die een grote impact hebben op hun leven, of klagen dat bij de verblijfsregeling hun stem niet wordt gehoord. Ze willen weten hoe en bij wie ze met hun verhaal en wensen, hun gevoelens van vervreemding soms, terecht kunnen. Deze groep kinderen heeft het moeilijk om een veilige en betrouwbare plek te vinden.

Vanuit het onderzoek komt naar voor dat steun van het informele netwerk, zoals vrienden, familie, leeftijdsgenoten en vrienden op school, voor jongeren van groot belang is. Een betrouwbare gesprekspartner die erkenning geeft aan de moeilijke positie van het kind en die in het contact met het kind de loyaliteit naar beide ouders respecteert, zal de veerkracht van het kind kunnen versterken.

In de analyse van de chatgesprekken kwam herhaaldelijk aan bod dat het praten met andere jongeren “die het ook hebben meegemaakt” extra ondersteuning biedt. Daarom beveelt het rapport aan om meer in te zetten op “lotgenotencontact”. Awel denkt na over manieren om “peer-to-peer-support” via het forum uit te bouwen.


Bij scheiding moet ook kind bemiddeling kunnen vragen

De Standaard – 21 januari 2016

Wanneer ouders scheiden, kunnen ze een beroep doen op bemiddeling om dit vreedzaam te laten verlopen. Ook kinderen zouden die bemiddeling moeten kunnen starten, zegt het Hoger Instituut voor Gezinswetenschappen.

Een op vijf kinderen in ons land leeft met gescheiden ouders. De scheiding zelf is een ingrijpende gebeurtenis, die veel veranderingen teweegbrengt in het leven van ouders én kinderen. Vaak ontstaat er ook al onrust in het gezin voor de feitelijke scheiding. En daarna is het soms lang zoeken naar een nieuw evenwicht, al dan niet in een nieuw samengesteld gezin.

Een aantal kinderen en jongeren belt of chat tijdens dit soms moeizame proces met medewerkers van Awel, de vroegere kinder- en jongerentelefoon. Ze kunnen er anoniem hun verhaal doen en vinden er een luisterend oor. 145 van die chatgesprekken werden nu geanalyseerd door onderzoekers van het Hoger Instituut voor Gezinswetenschappen.

Zowat alle chatgesprekken werden geïnitieerd door kinderen of jongeren die het moeilijk hadden of bleven hebben met de scheiding van hun ouders. Om diverse redenen: of ze ervaren de scheiding als een donderslag bij heldere hemel, of ze kunnen of mogen er met hun ouders niet over praten, of ze zien een van hun ouders niet meer en lijden daaronder. Soms hebben ze ook moeite met een nieuwe partner of een nieuwe gezinssituatie. Of ze hadden geen inspraak in hun eigen verblijfssituatie.

Het is niet abnormaal dat kinderen tijd nodig hebben om te wennen aan de gezinstransitie. Het gros van de kinderen bereikt na een jaar of twee wel opnieuw een evenwicht. Een minderheid blijft er langer mee worstelen.

De onderzoekers van het Hoger Instituut voor Gezinswetenschappen denken dat het zou helpen als kinderen nauwer bij het scheidingsproces betrokken worden. Ze formuleren daarom voorzichtig het advies om bemiddeling ook te laten opstarten door de kinderen, zodat zij mee kunnen praten over de regelingen na scheiding. Ook kan dit verhinderen dat de scheiding van de ouders ontaardt in een vechtscheiding, die kinderen dwingt om te kiezen voor een van beide ouders. Gezien de loyauteit van kinderen aan hun beide ouders, is dit quasi onmogelijk.

De jongeren die contact namen met Awel voelen zich verdrietig, angstig, boos, onzeker, schuldig en machteloos. Vooral kinderen die zich verlaten voelen door een van beide ouders, gaan zich bijzonder slecht voelen. Awel en het Hoger Instituut voor Gezinswetenschappen denken dat deze jongeren het best geholpen worden wanneer ze terecht kunnen bij een vertrouwenspersoon: ‘Iemand die niet tot justitie behoort. Het is niet goed als jongeren meteen naar de rechtbank moeten stappen om gehoord te worden. Lotgenotencontact helpt volgens ons veel beter. Het is ook wat de jongeren van KAJ vroegen, toen ze hun dossier over leven na een scheiding voorstelden.’


Klassiek gezin verdwijnt in Vlaanderen

Nieuwsblad – 20 januari 2016

Het aantal alleenstaande ouders in Vlaanderen is de afgelopen vijf jaar met vijf procent gestegen. In ruim één op de vier gezinnen is het ondertussen mama of papa alleen die de boel runt. “En dus ook alleen de rekeningen moet betalen. En dat maakt hen heel kwetsbaar om in de armoede te belanden”, zegt Nathalie Debast, OCMW-specialist bij de VVSG.
Met 225.000 zijn ze ondertussen in Vlaanderen, de gezinnen waar mama of papa alleen de kinderen grootbrengt. Dat blijkt uit nieuwe cijfers van de FOD Economie. Het aantal alleenstaande ouders stijgt fors: plus vijf procent in vijf jaar tijd.

“Dat komt omdat er veel meer mensen dan vroeger hun huwelijk of hun relatie afbreken”, zegt demograaf Jan Surkyn (VUB). “Ze komen dus alleen te staan, of ze dat nu zelf gewild hebben of niet. Die steeds groter wordende groep bestaat veruit voor het grootste gedeelte – zo’n tachtig procent – uit vrouwen. Want wanneer een relatie of huwelijk beëindigd wordt, zijn het toch nog altijd het vaakst de vrouwen die de zorg voor de kinderen op zich nemen.”

Vooral alleenwonenden

Het gaat om een zeer kwetsbare groep voor wie armoede om de hoek loert, zegt Nathalie Debast, OCMW-specialiste bij de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten (VVSG). “Je zal maar drie kinderen hebben en het plots allemaal alleen moeten beredderen: blijven werken of een opleiding volgen, opvang zoeken voor de kinderen. Je kosten voor elektriciteit en dergelijke blijven even hoog. En uit alle onderzoeken blijkt ook dat er zeer vaak problemen zijn met de betaling van alimentatiegeld. Het is een weinig benijdenswaardige positie. Dat zien wij ook bij de OCMW’s: de groep alleenstaande vrouwen met kinderen die daar langskomt voor een leefloon, neemt sterk toe.”

De OCMW’s zetten nu ook veel meer dan vroeger in op activatie van die vrouwen. “Vroeger lieten we hen de tijd, net na de relatiebreuk. Maar nu gaan we hen sneller steunen en aanzetten om bijvoorbeeld een opleiding te volgen, of komen we ook al sneller tussen in de kosten voor kinderopvang.”

De cijfers van de FOD tonen dat het allerklassiekste gezin, een getrouwd koppel met kinderen, fors van zijn pluimen verliest. Er zijn er nog 641.297 in Vlaanderen, ruim vijf procent minder dan vijf jaar geleden.

Veruit de grootste categorie in de Vlaamse huishoudens vormen nu de “alleenwonenden”: mensen die niet getrouwd of samenwonend zijn en geen kinderen in huis hebben.


 

COMMENTAAR: “alleenstaande moeders zijn de nieuwe armen”

Nieuwsblad – 20 januari 2016

Hoe ziet armoede er in Vlaanderen anno 2016 uit? Lang niet meer zoals het lompenproletariaat uit de tijd van Daens. Armoede is veel onopvallender geworden. De gezichten van de armoede zijn vandaag niet alleen de daklozen en de vluchtelingen op straat. Armoede heeft ook het gezicht van de doorsnee onderwijzeres of verpleegster die als alleenstaande een gezin moet runnen.

Het zijn vrouwen met een diploma en een respectabel beroep. Vrouwen die er alles aan doen om hun kinderen een zo normaal mogelijk leven te geven, inclusief gsm en voetbalschoenen. Maar die het amper redden. Die wekenlang moeten sparen wanneer de kinderen aan een nieuwe winterjas toe zijn. Die hun eigen tandartsbezoek uitstellen om toch maar te proberen meedraaien in deze samenleving.

Ze kunnen niet anders. Ze hebben een maandelijks inkomen van pakweg 1.500 euro. Daarmee moeten ze zowel hun huis als de vaste kosten en alle andere toegenomen behoeftes zoals gsm en computer, betalen. In theorie gedeelde kosten met de papa, in de praktijk vooral op de schouders van de mama.

Deze groep van “nieuwe armen” wordt steeds groter. Dat meldt de FOD Economie. Volgens haar jongste statistieken heeft vandaag ruim één op de vier gezinnen maar één ouder. Niet dat die het allemaal even moeilijk hebben. Maar het armoederisico wordt wel almaar groter.

Meest schrijnend is dat er geen verbetering in het verschiet ligt. De kosten voor elektriciteit, water en dergelijke nemen alleen maar toe. En met een beleid dat “besparen” als ordewoord heeft, kunnen deze gezinnen alleen maar achteruitgaan. Besparen op onderwijs, besparen op OCMW’s en andere diensten die een reddingsboei kunnen zijn. Nu nog meer besparen in de sociale zekerheid, en het plaatje is compleet.

De toekomst ziet er dus somber uit. Tenzij het enige antwoord is dat ouders in hun traditionele gezin moeten blijven zitten. Maar laten we die weg vooral niet opgaan. Een scheiding en het verlies aan levensstandaard dat ermee gepaard gaat, is voor deze onderwijzeressen en verpleegsters al deprimerend genoeg.


Meer geld om jongeren warm te maken voor wetenschap

Het Belang van Limburg – 17 januari 2016

Vlaams minister van Onderwijs Hilde Crevits (CD&V) en Vlaams minister van Werk en Innovatie en Philippe Muyters (N-VA) stoppen samen 160.000 euro in de STEM-academie, die de interesse van kinderen en jongeren voor wiskunde, wetenschappen, techniek en technologie wil stimuleren.
Dat schrijft De Zondag. Door de subsidie zal de academie 31.000 kinderen kunnen bereiken en in de helft van de gemeenten STEM-initiatieven kunnen aanbieden.

Nog te weinig jongeren vinden de weg naar technische en wetenschappelijke opleidingen in Vlaanderen, terwijl de nood aan technisch geschoolde arbeidskrachten hoog is.

De STEM-academie bundelt alle buitenschoolse STEM-initiatieven, die jongeren willen aanmoedigen om te kiezen voor een carrière in STEM (Science, Technology, Engineering, Mathematics).

‘De vele buitenschoolse STEM-activiteiten in Vlaanderen kennen een groot succes. In die mate dat de vraag het huidige aanbod overstijgt. Met de subsidie versterken we de begeleiding en ondersteuning van initiatieven en kan het netwerk verder groeien’, aldus minister Crevits.


“Wet op dubbele familienaam vernietigd omdat ze vrouwen discrimineert”

Nieuwsblad – 14 januari 2016

Het Grondwettelijk Hof heeft een bepaling uit de nieuwe naamwetgeving vernietigd omdat die vrouwen discrimineert. De regering krijgt tot het einde van het jaar om de wet aan te passen.
Aanstaande ouders kunnen sinds 1 juni 2014 ervoor kiezen om hun kind de naam van de vader, die van de moeder of een combinatie van beide namen te geven. ­Wanneer de ouders niet kunnen of willen kiezen, krijgt de baby ­automatisch de naam van de ­vader.

Bij het Grondwettelijk Hof was een klacht ingediend omdat het kind automatisch de naam van de man krijgt bij onenigheid. In de wet staat dat in geval van onenigheid of bij afwezigheid van keuze, het kind de naam van de vader draagt. En die bepaling vindt het Hof inderdaad discriminerend tegenover vrouwen.

De wetgeving was bedoeld om het patriarchaal model van de traditionele naamwetgeving te doorbreken. Maar helemaal genderneutraal was de wet dus nog niet. De regering krijgt tot het einde van het jaar om hem aan te passen.

Van de Belgische baby’s die ­tussen 1 januari 2015 en 31 december 2015 geboren werden, hebben er 92.140 de naam van de vader ­gekregen, zoals vroeger de traditie was. Welgeteld 4.097 gaan door het leven met de familienaam van de moeder, 4.276 hebben de dubbele familienaam vader-moeder gekregen en 718 de dubbele familienaam moeder-vader.

Samengeteld zijn er vorig jaar 9.091 baby’s geboren die een niet-traditionele naam hebben gekregen.


Liefde overwint veel maar niet alles

Knack – 12 januari 2016

Samengestelde gezinnen spiegelen zich te veel aan klassieke kerngezinnen, waardoor ze nog vaker vastlopen. Naar schatting meer dan de helft strandt.

Tegenwoordig loopt 1 op de 3 huwelijken op de klippen, maar bij samengestelde gezinnen lijkt de toekomst nog somberder: naar schatting strandt meer dan de helft. Niet het minst omdat de droomprins of -prinses geen onbeschreven blad is en/of zowel kinderen als een ex heeft. Liefde overwint veel, maar niet alles.

Zelfs al is vader of moeder tot over de oren verliefd, de kinderen staan zelden te trappelen om de nieuwe partner in hun hart te sluiten. Ook niet als deze laatste, al is het met de beste bedoelingen, probeert om de rol van de afwezige partner zo goed mogelijk in te vullen. Het vormen van een nieuw samengesteld gezin vraagt veel tijd en nog veel meer geduld.

Leerrijke puinhopen Jos Willems, voorzitter van de vzw Een nieuw gezin, is erg begaan met het lot van de kinderen uit nieuwe gezinnen. “Ik ben zelf ook tweemaal stiefouder geweest en heb heel wat boeken en literatuur over het thema verslonden.” De afgelopen jaren werden er diverse ervaringsboeken van stiefouders gepubliceerd, haast steeds geschreven door stiefmoeders vol frustraties over hun moeizame zoektocht naar stabiliteit in het gezin. Stiefvaders houden zich meer op de vlakte. Jos Willems: “Wat ontbrak, was een toegankelijke en degelijk onderbouwde handleiding die helpt om een succes maken van een samengesteld gezin.” Willems schreef het dan maar zelf.

Geen start van nul De meeste mensen nemen het kerngezin (vader, moeder en kinderen) nog steeds als het na te streven doel. Nochtans is dat niet zaligmakend en geven andere gezinsstructuren evenveel kansen op geluk. Jos Willems: “De groeiende groep alternatieve gezinsstructuren heeft nood aan nieuwe voorbeelden, maar die ontbreken. Dat komt omdat de variatie zo groot en niet voor 1 gat te vangen is.” Latrelaties met of zonder kinderen, stiefgezinnen met kinderen van de ex met of zonder eigen kinderen, met volwassen en kleine kinderen, verblijfsco-ouderschappen, weekendregelingen…

“In een poging om het kerngezin te imiteren, nemen nogal wat stiefouders zonder veel nadenken een rol op die doorgaans leidt tot conflicten. Zo zijn beginnende stiefmoeders, vooral de groep zonder eigen kinderen, geneigd om onder druk van de partner, de eigen kinderwens, de omgeving of de maatschappij hun uiterste best te doen om het huishouden te managen en de kinderen van hun partner te bemoederen. Omdat dat nu eenmaal van een vrouw verwacht wordt, denken ze.” Zo’n aanpak resulteert niet zelden in frustraties en conflicten. Stiefkinderen starten niet van nul en ze hebben al een geprivilegieerde liefdesrelatie met hun ouders.

Respect voor de ex Het verleden kan je niet uitwissen. Om een samengesteld gezin optimale kansen op slagen te geven, moeten de kinderen zich goed voelen in de nieuwe situatie. “Kinderen staan hier absoluut centraal”, benadrukt Jos Willems. “Zelfs al ben je zelf niet kindgericht en niet van plan om je aan je stiefkinderen op te dringen (je wil enkel de vriend van hun moeder of de vriendin van de papa zijn), dan nog geven zij het ritme aan. Gezinnen waar een stiefkind zich tegen de stiefouder keert, worden snel onleefbaar.”

Kinderen zijn nooit vragende partij voor de scheiding van hun ouders, laat staan voor een nieuwe “ouder”. Ze hebben tijd nodig om aan de nieuwe situatie te wennen. Een scheiding waarbij de exen elkaar met respect blijven behandelen omwille van de kinderen, geeft hun kroost de beste kans om zich toch nog optimaal te ontwikkelen. Daarentegen werkt een vechtscheiding altijd in het nadeel van de kinderen. “Als nieuwe partner doe je beter een poging om een bemiddelende rol te spelen tussen beide exen, veeleer dan van de ex-partner een gemeenschappelijke vijand te maken”, stelt Willems. “Want zo’n houding keert zich op termijn altijd tegen het stiefgezin.”

Living apart als start “Wie (te) snel gaat samenwonen met een nieuwe partner met kinderen, neemt enorme risico’s”, benadrukt Willems. “Ook wie de beste bedoelingen heeft, moet de kinderen de kans geven om te wennen aan de nieuwe partner. Overleg met de kinderen is absoluut nodig vooraleer de stap te zetten. De kans op mislukken is veel groter, ook als je smoorverliefd bent en rotsvast overtuigd het goede te doen. Toch doe je het beter niet.” Een latrelatie blijkt vaak een betere start voor een samengesteld gezin. De tijd dat men apart woont, kunnen de kinderen aan de nieuwe partner wennen en hebben ze hun ouder ook voldoende voor zich alleen. Hoe lang zo’n latperiode moet duren, wordt grotendeels bepaald door de kinderen zelf. Willems: “Je kan dat proces wel een duwtje geven door bijvoorbeeld dingen samen te doen, samen op vakantie te gaan en interesse te tonen in de kinderen.”

Gesprekken over rollen

Ondanks de roze wolk zijn gesprekken over de wijze van functioneren in een nieuw gezin echt noodzakelijk vooraleer de stap naar samenwonen te zetten. Is de stiefouder bereid een fundamentele rol te spelen in het gezin? Misschien zoekt de man een leuke vrouw die de zorgen voor en van zijn kinderen op zich neemt, zodat hij zich meer aan zijn carrière kan wijden? Beseft de vrouw dat de kinderen veel aandacht zullen opeisen en in verschillende omstandigheden op de eerste plaats zullen staan? Kan ze daarmee leven? Heeft hij begrip voor de kameraadschappelijke manier waarop zijn nieuwe partner met haar ex omgaat?

“De omgang met de ex wordt vaak onderschat”, beklemtoont Jos Willems. “Hoe beter die is, hoe minder problemen er zijn met de kinderen en hoe groter de kans dat de nieuwe relatie slaagt. Voorwaarde is wel dat die omgang in het teken van de kinderen staat.” Als de relatie tussen stiefouder en ex bij aanvang slecht is, heeft de stiefouder er belang bij om de plooien na verloop van tijd glad te strijken. Respect voor de moeder of vader van zijn/haar stiefkinderen komt de nieuwe relatie altijd ten goede.

Hoe verzoenbaar zijn de regels? Ieder gezin heeft een eigen cultuur: gewoonten waar je niet langer bij stilstaat. Ook de nieuwe partner met kinderen hebben stilzwijgende afspraken. Er kunnen problemen ontstaan wanneer iemand met zin voor orde en discipline terechtkomt in een gezin met een flowerpowermentaliteit of omgekeerd. Wat doe je bijvoorbeeld met kinderen die urenlang liggen te zappen voor de televisie terwijl de jouwe beperkt mogen kijken? Halen de zijne iets uit de koelkast zonder vragen terwijl dat voor de jouwe niet kan? Kunnen zijn kinderen 2 keer per week uitgaan terwijl die van jou maar 1 keer mogen?

“Allemaal situaties die vooraf grondig moeten doorgesproken worden”, zegt Jos Willems. “Ga je als partner zonder kinderen wonen bij een eenoudergezin, dan pas je je best aan aan de bestaande gezinscultuur. Veranderingen kan je met mondjesmaat invoeren door bepaalde dingen zelf anders te doen. Als ‘nieuwkomer’ regels opleggen is om problemen vragen. Breng je zelf ook kinderen mee, dan is een mogelijke optie om voorlopig met 2 gezinnen onder 1 dak te leven: ieder met aparte regels. Maak de verschillen wel gaandeweg bespreekbaar en verzoenbaar.”


Onderwijs is gratis. Toch wordt het voor steeds meer gezinnen onbetaalbaar

Knack – 12 januari 2016

Hoewel meer en meer ouders de schoolrekeningen van hun kinderen niet meer kunnen betalen, blijven veel scholen vasthouden aan prestigieuze citytrips, skireizen en bosklassen. ‘Voor ze incassobureaus onder de arm nemen, zouden schooldirecties al die onbetaalde rekeningen beter eens tegen het licht houden’, schrijft Knack-redactrice Ann Peuteman in haar Zoetzure Dinsdag.

In België is onderwijs gratis. Zo staat het toch in de grondwet. Maar de praktijk is wel anders. Dat weet Nele, een alleenstaande moeder van twee zonen, maar al te goed. Nog altijd heeft ze de rekeningen van vorig schooljaar niet betaald. Ze hoopte dat de school daar niet al te moeilijk over zou doen, maar dat was een misrekening. De aanmaningsbrieven volgen elkaar op en worden alsmaar onvriendelijker. Nele heeft nog geluk: de school van haar kinderen werkt niet met een incassobureau. Nog niet. Vandaag doet al een op de vier Belgische scholen een beroep op zo’n bureau. Dat wijst erop dat meer en meer ouders de schoolrekeningen van hun kroost niet meer kunnen betalen. Voor gezinnen die overduidelijk arm zijn en van een uitkering of leefloon moeten rondkomen, wordt nog wel een oplossing gezocht. Maar dat geldt niet voor de groeiende groep ouders die wel een baan hebben maar toch tegen de armoedegrens aan schuren.

Gratis onderwijs betekent in dit land dan ook alleen dat je geen inschrijvingsgeld hoeft te betalen om naar de kleuter-, lagere of middelbare school te gaan. Aan onder meer uitstappen en zwemlessen hangt wel een prijskaartje. Al zijn die kosten in de lagere school ondertussen aan banden gelegd. Dat is een van de grootste realisaties van toenmalig Vlaams minister van Onderwijs Frank Vandenbroucke, die daar in 2008 een maximumfactuur invoerde.

Per schooljaar mag een school per leerling maximum 85 euro aanrekenen voor uitstappen, sportactiviteiten, zwemlessen en toneel- of museabezoekjes. Voor meerdaagse uitstappen, zoals bos- of sneeuwklassen, mag de factuur tijdens de hele duur van het basisonderwijs tot 410 euro oplopen. Nu zijn dat voor heel wat ouders al heel hoge bedragen. Zeker als ze meer dan één kind hebben. Daarbij komt nog dat sommige scholen bijzonder creatief zijn in het omzeilen van de maximumfactuur. Ze vragen ouders bijvoorbeeld om (een deel van) een klasuitstap cash te betalen zodat er geen sporen van te vinden zijn op de maandelijkse schoolrekening.

Toch heeft de maximumfactuur veel veranderd. Al is het maar dat scholen nu meer nadenken voor ze dure activiteiten plannen. In het middelbaar is dat nog altijd niet het geval, want daar is er geen maximumgrens vastgelegd. Nochtans wordt schoolgaan duurder met de leeftijd en komen steeds meer gezinnen daardoor in de problemen. De meeste ASO-richtingen zijn niet zo duur, maar in het technisch en beroepsonderwijs kan de rekening behoorlijk oplopen. Pervers genoeg zijn het net richtingen waar veel jongeren uit kansarme gezinnen terechtkomen, zoals haartooi en horeca, die het meest kosten. ‘De laatste jaren merk ik dat jongeren soms om financiële redenen van richting veranderen’, vertelde een lerares uit het beroepsonderwijs me onlangs. Een maximumfactuur zou dus ook in het middelbaar geen overbodige luxe zijn.

Kaasschaaf

Nu zijn veel schooldirecties koele minnaars van zo’n maximumbedrag. Zij willen koste wat het kost hun sneeuwklassen en citytrips blijven organiseren omdat die het prestige van de school vergroten. En ze geloven ook echt dat zulke activiteiten goed zijn voor de algemene ontwikkelingen van hun leerlingen. Zeker van kinderen die van huis uit niet veel kennis en cultuur meekrijgen. De vraag is alleen of een kind er veel beter van wordt als zijn ouders de kaasschaaf moeten bovenhalen om al die extraatjes te kunnen betalen. Natuurlijk is het niet de bedoeling dat scholen alles gratis organiseren of al die schulden zomaar kwijtschelden. Maar voor ze een incassobureau onder de arm nemen, zouden ze al die onbetaalde rekeningen beter eens tegen het licht houden.


Waarom het geen goed idee is om je ex op facebook te stalken

Het Laatste Nieuws – 10 januari 2016

Het is oh zo verleidelijk: af en toe Facebook openen om te kijken hoe het gaat met je ex, in de hoop dat jij het toch beter stelt. Maar dat blijkt nu niet zo’n goed idee te zijn. Integendeel, het is alleen maar slecht voor jouw mentale gezondheid.
Psychologe Tara Marshall voerde een onderzoek uit, waaruit blijkt dat het volgen van je ex op Facebook je eigen verwerkingsproces verstoort. “Deze manier van controleren hing samen met een zwaarder verwerkingsproces, een harder verlangen naar de ex-partner, meer negatieve gevoelens ten opzichte van het ik en een moeizame persoonlijke groei. Bovendien kan het andere relaties of de resultaten op school of op het werk beïnvloeden.”

Het kan dus misschien verleidelijk zijn – we doen het allemaal, maar liefst één derde van de proefpersonen gaf toe het regelmatig te doen – maar zelf haal je er niet veel voordeel uit. Bovendien zou het online stalken van je ex vooral veroorzaakt worden door een laag zelfbeeld, een grote angst om afgewezen te worden en veel gevoelens van jaloezie.


Daarom raak je zo moeilijk over breuk met ex

Nieuwsblad – 9 januari 2016

Over een relatiebreuk heenkomen is ongetwijfeld nooit een makkie, maar sommige misgelopen relaties wegen zwaarder door dan andere. Recent onderzoek van de universiteit van Stanford heeft uitgewezen dat een eventuele deuk in het zelfbeeld het ‘genezingsproces’ ernstig kan beïnvloeden. Wie een afwijzing persoonlijk opneemt, zal de breuk veel moeilijker kunnen verteren.
Personen die een relatiebreuk wijten aan zichzelf en hun persoonlijkheid zullen veel meer last ondervinden van de breuk in kwestie. Dat heeft een recente studie van de universiteit van Stanford geïllustreerd. Het onderzoeksteam voerde dit onderzoek uit onder 891 proefpersonen en toonde aan dat een romantische afwijzing zwaar op het zelfbeeld kan doorwegen en bijgevolg ook het verwerkingsproces kan bemoeilijken.

Volgens Carol Dweck, onderzoekster aan de universiteit van Stanford, is dit gemakkelijk te verklaren: “Wanneer een geliefde iemand door en door kent en niet langer zijn leven met die persoon wil delen, is het mogelijk dat de afgewezen persoon dit aan zijn of haar persoonlijkheid zal linken. Dit kan vervolgens een nefaste invloed op het zelfbeeld teweegbrengen en mogelijke schade veroorzaken die ook zal doorwegen op toekomstige relaties.”

Het onderzoek toonde eveneens aan dat personen die een relatiebreuk als een leerproces zien veel sneller een breuk zullen verwerken.


2015

Gedaan met ‘taxi spelen’ voor de kinderen

Nieuwsblad – 21 december 2015

Om het leven van kinderen én hun ouders gemakkelijker te maken, wil Vlaams minister van Welzijn Jo Vandeurzen (CD&V) voortaan naschoolse opvang en muziek-, kunstacademies en sportclubs laten samenwerken. In het Limburgse Riemst gebeurt dat al: “Het is veel gemakkelijker. Ouders moeten veel minder voor ‘taxi’ spelen na de schooluren.”
Vandeurzen wil dat model nu uitbreiden naar heel Vlaanderen, met steun van de Vlaamse regering. Om die ­reden gaat Vlaanderen niet langer zelf rechtstreeks de opvanginitiatieven ondersteunen. “De financiering van de naschoolse kinderopvang zal voortaan via de gemeentes gebeuren, die erover moeten waken dat tussen opvang, scholen, jeugd-, cultuur en sportinitiatieven lokale samenwerkingsverbanden worden gesmeed”, aldus het kabinet van Jo Vandeurzen. “Het nieuwe opvangmodel moet ouders toelaten de opvoeding van hun kinderen beter te combineren met hun professioneel leven.”


Verblijfsregister voor kinderen van co-ouders op komst

Deredactie.be – 21 december 2015

In de loop van januari komt er een verblijfsregister voor kinderen van co-ouders. Daardoor zullen kinderen van wie de ouders gescheiden zijn en in twee verschillende gemeenten wonen, toch in beide gemeenten ingeschreven kunnen worden en zo van tal van voordelen kunnen genieten. Een fiscale oplossing biedt het register echter niet.
Co-ouderschap bij echtscheidingen komt steeds vaker voor. Beide ouders kunnen via die regeling op een evenwaardige manier tijd investeren in de opvoeding van hun kinderen.

De kinderen kunnen echter slechts bij een van de twee ouders gedomicilieerd zijn. Als de gescheiden ouders in twee verschillende gemeenten wonen, kan dat tot een aantal problemen leiden.

Zo kunnen de kinderen een hele reeks kortingen die gemeenten aan hun inwoners geven, mislopen omdat ze niet in die gemeente gedomicilieerd zijn, hoewel ze er om de week een week verblijven. Het gaat dan bijvoorbeeld over “kortingen voor sportactiviteiten, speelpleinwerking of andere ontspanningsmogelijkheden”, zegt CD&V-Kamerlid Sonja Becq.

In elke gemeente

Op aansturen van Becq komt er daarom in elke gemeente een verblijfsregister voor kinderen van co-ouders. In het dossier van het kind wordt het verblijfsadres bij de desbetreffende verblijfsouder opgenomen. Dat wordt dan automatisch overgenomen in het bevolkingsdossier van de verblijfsouder, waardoor deze ouder direct kan aantonen dat het kind bij hem of haar verblijft. De vermelding verschijnt dan ook in het dossier van de ouder bij wie het kind officieel gedomicilieerd is.

“Het verblijfsadres blijft geldig zolang de situatie blijft bestaan en wordt aangepast bij verhuis van de verblijfsouders”, voegt Becq eraan toe. “Op deze manier weten gemeentes welke minderjarige kinderen voor bepaalde periodes – meestal de helft van de tijd – op hun grondgebied verblijven en kunnen ze dus aan dit verblijf bepaalde voordelen toekennen.”

Becq wijst er ook op dat het verblijfsregister in het kader van rampen ook een nuttig instrument kan zijn om te controleren wie mogelijk in een bepaalde getroffen woning verblijft.

Geen fiscale gevolgen

Aan het verblijfsregister worden echter geen fiscale of sociaalrechtelijke voordelen gekoppeld. Een ouder die bijvoorbeeld plots meer belastingen moet betalen omdat zijn of haar kind(eren) niet meer bij hem of haar gedomicilieerd zijn, ziet met dit register zijn of haar problemen niet opgelost.


Een rapport delen op sociale media, goed idee of niet?

Het Belang van Limburg – 19 december 2015

Voor ze de kerstvakantie ingaan, worden de meeste ouders op de school van hun kroost verwacht om het rapport op te halen. Wie goed nieuws krijgt, is misschien verleid om de goede prestaties te delen op sociale media. Maar waarom willen we dat zo graag en is dat eigenlijk wel verstandig?
“Er zijn verschillende redenen waarom jongeren of hun ouders een rapport op sociale media delen”, zegt Joris Van Ouytsel, onderzoeker naar het internetgebruik van adolescenten aan de Universiteit Antwerpen. “Een motivatie kan zijn dat ze steun te zoeken bij een breder netwerk dan de mensen in hun directe omgeving. Als je je rapport in de klas krijgt, of het nu goed of slecht is, krijg je steun van je beste vrienden. Op Facebook deel je het met al je vrienden, dus je hebt nog meer het gevoel dat je steun krijgt van een grotere en diversere groep dan in je directe omgeving. Daarnaast is het, zeker als het om een goed rapport gaat, ook een manier om zich te profileren. Sociale netwerken bevestigen het beeld dat we van onszelf hebben en ophangen, met likes, met complimentjes, …”

Grote verwachtingen

Die steun die je krijgt van een grotere omgeving, kan een goede zaak zijn. Maar, zeker als je een goed rapport deelt, schep je wel bepaalde verwachtingen voor jezelf en je publiek. “Als je nu een goed rapport deelt, kan het zijn dat je het gevoel hebt dat je dat bij het volgende rapport opnieuw moet doen. Als het dan tegenvalt, kan dat negatieve gevoelens oproepen omdat je geen goed resultaat kan delen. Sommige jongeren zorgen met zulke statusupdates voor verwachtingen die ze in de toekomst niet kunt inlossen. Wanneer het volgende rapport niet zo goed is, kunnen de foto’s van nu misschien als een boemerang terugkomen. Het kan uiteraard geen kwaad om leuke dingen te delen, zolang je maar beseft dat je een bepaalde druk creëert en dat je het jezelf misschien moeilijk maakt. En dat het, voor wie geen goed rapport had, uiteraard niet zo fijn is om geconfronteerd te worden met goede cijfers”.

“Praat erover met je kind”

Trotse ouders die het rapport van hun kinderen op Facebook willen delen, maken daarover ook best afspraken met hun kroost. “Praat erover met je kinderen, want het gaat om hun privacy en informatie die voor hen gevoelig is. Let er ook op dat je persoonlijke info, zoals foto’s en contactgegevens, afschermt. Gooit ze niet zomaar online, want je weet nooit waar die informatie terecht komt en wat er mee gebeurt”.


Website betaalt droomhuwelijk… op één voorwaarde

Nieuwsblad – 17 december 2015

Een droomhuwelijk ter waarde van 10.000 dollar (9.200 euro) krijgen. Daar zullen heel wat koppels van dromen. Een Amerikaanse website biedt het ook gewoon aan; een trouwlening die niét moet terugbetaald worden. Al hangt er wel een heel belangrijke voorwaarde aan vast…
Op dit moment kunnen koppels zich inschrijven op de website SwanLuv uit Seattle om een lening tot 10.000 dollar te krijgen voor hun huwelijksfeest. De mensen achter de website zijn nu die aanvragen (statistisch) aan het analyseren, om daarna dan te bepalen welke koppels de lening zullen krijgen. Dat zal vanaf februari gebeuren.

Het gaat om een bijzondere lening, want de koppels hoeven die niét terug te betalen. Al krijgen de koppels dat natuurlijk niet voor niets: de koppels krijgen die grote som op voorwaarde dat ze samen blijven “tot de dood hen scheidt”. Gaat het koppel eerder uit elkaar, dan moeten ze de lening terugbetalen. En dat is dan niet zomaar die 10.000 dollar, maar dat volledige bedrag plus intrest.

Het businessplan van SwanLuv zit zo in elkaar dat de trouwpartijen van de koppels die wél bij elkaar blijven gefinancierd worden met de intresten van de koppels die uit elkaar gaan. Maar SwanLuv beschouwt zichzelf niet als een website die munt slaat uit gebroken huwelijken. Om dat laatste te vermijden, biedt de website namelijk ook gratis huwelijkstherapie aan.


De reboundrelatie: de eerste vluchtheuvel na een gebroken liefde

Flair – 15 december 2015

Een relatie gaat uit. Er is een moeilijk afscheid en veel verdriet. Sommigen storten zich pardoes in de armen van een ander. De nieuwe liefde brengt troost, de verse passie verdooft de pijn. Maar voor hoe lang? We fileren voor u de reboundrelatie, een doekje voor het bloeden dat vaak maar een kort leven beschoren is. Een artikel van Annelies A.A. Vanbelle voor Feeling.

Wie het geduld had om de film ‘Eat, Pray, Love’ (2010) uit te zitten, het uitgesponnen ontwikkelingsproces van de Amerikaanse schrijfster Elizabeth Gilbert, kon op het einde genieten van de romance tussen Julia Roberts en Javier Bardem, twee Hollywoodtoppers. Maar dáárvoor gebeurt er iets anders opmerkelijks. Roberts zegt haar kwakkelende huwelijk na acht jaar gedag en stort zich halsoverkop in de armen van een knappe en obsessief mediterende jongeman. Van de ene man recht in de armen van de ander. Maar ook dat brengt geen soelaas. Een nieuw evenwicht moet ze helemaal op haar eentje zoeken, en er gaat een reis via Italië, een ashram in India en Indonesië aan vooraf voor ze uiteindelijk zichzelf en de ware liefde vindt.

Els (45) herkent veel van haar eigen verhaal in deze film: “Na een relatie van 21 jaar, die emotioneel heel dramatisch verliep op het einde, leerde ik meteen iemand anders kennen. Ook hij kwam uit een lange relatie. We amuseerden ons goed samen, maar toch was het weinig bevredigend. De relatie kabbelde maar voort, er was geen doel of geen richting. Ook verliefdheid is er niet echt geweest. Het was geen emotionele verbintenis. Het ging erg snel, en nu besef ik dat ik beter de tijd had genomen. De relatie heeft me geholpen om over de ergste klap heen te komen. Het hielp, omdat het me afleidde van het verdriet. Het was ook een vlucht uit de eenzaamheid, die me na de breuk versmachtte. Uiteraard heb ik dit nooit bewust gedaan. Ik had het op dat moment gewoon nodig. Het was eigenlijk alleen maar uitstel: ik moet eerst aan de slag met de issues uit het verleden, met de littekens van mijn vorige relatie. Die heeft me eigenlijk nooit losgelaten. Twee weken geleden hebben we besloten dat we samen geen toekomst hebben. Deze troostrelatie was eigenlijk mijn opstapje naar een nieuw leven. Nu ben ik beter geëquipeerd om het verleden te gaan verwerken.”

Elk zijn traject

Een relatie afbreken: het is nooit een pretje. En iedereen gaat hier anders mee om. Sommigen hullen zich in een veilige cocon en trekken zich voor een tijd terug. Ze willen geen mensen zien, niet buitenkomen, en verwerken hun verdriet in stilte. Ze willen vooral niets voelen. Anderen storten zich halsoverkop in een nieuwe relatie. Alleen zijn kunnen en willen ze nu niet, in dat tomeloze verdriet. Ze nemen geen tijd om te rouwen, klampen zich hartstochtelijk vast aan een nieuwe liefde. Een nieuwe liefde die liefst zo weinig mogelijk te maken heeft met de vorige. Dat noemen we een reboundrelatie.

Rika Ponnet, relatiebemiddelingsbureau Duet: “De definitie van een reboundrelatie is: aantrekking gebaseerd op niet ingevulde noden uit een vorige relatie. De troostrelatie of overgangsrelatie, zoals Els hierboven beschrijft, is een vorm van rebound. Vaak houdt het op na twee jaar, dat is de logische herstelperiode na een relatie. De duur van zo’n reboundrelatie loopt dus gelijk met de periode van rouw na een lange relatie. Wanneer je terug jezelf gevonden hebt, weer in evenwicht bent, dan houdt het op. Het is een vorm van een herstelrelatie.

“Oordelen over mensen die kiezen voor een reboundrelatie kun je niet. De verwerkingsprocessen na een relatie zijn heel persoonlijk, individueel. We maken keuzes vanuit onze copingstrategieën: voor de ene is rouwen je terugtrekken in je emotionele grot en je wonden alleen likken, voor de ander is dat steun en verbondenheid zoeken bij anderen, via o.m. intieme relaties. Er is in deze geen goed of fout. En je kunt daar dus niet moralistisch over doen, of adviezen in geven. Als iemand dat wel doet, zegt dat vaak veel over degene die de adviezen geeft.

“Het is te vergelijken met de man die zes maanden nadat zijn vrouw gestorven is al een nieuwe liefde vindt. In zijn omgeving zullen veel mensen dat veroordelen. Maar misschien kan dat net doordat die vorige liefde zo goed en zo hecht was? Misschien heeft de overleden partner wel aangedrongen op nieuw liefdesgeluk? Wie zijn wij om te oordelen over anderen? Niemand hoeft je te zeggen hoe je moet omgaan met zo’n zaken. Er zijn gewoon veel mogelijkheden en veel trajecten.”

Surinaamse schone en brave bankbediende

Het traject van Carla (51) is heel bijzonder. Haar twee partners die elkaar opvolgden, konden niet meer tegengesteld zijn. Hier is sprake van een exemplarische reboundrelatie, een echte ‘terugkaatsrelatie’. Carla: “Jill was helemaal mijn type. Een bloedmooie, donkere Surinaamse vrouw, met lang krullend haar, half Indisch, half Javaans. We waren 34 toen wel elkaar leerden kennen en zijn 4 jaar samen geweest. Ik ontmoette haar op café. De eerste avond was het al bingo. Ik viel op haar uiterlijk, op haar temperament, op alles. Maar al snel bleek dat ze eigenlijk een heel moeilijk karakter had. Het cultuurverschil werd pijnlijk duidelijk: ze kon zich niet aan afspraken houden, niet met mij en niet met anderen. Haar nonchalante houding was respectloos. Ook had ze, doordat ze in haar jeugd veel armoede had gekend, een gat in haar hand. Ze verdiende goed, als chef-kok in een restaurant, maar ging kwistig met haar geld om. “Praten met haar ging moeilijk, ze begon bij een meningsverschil direct te roepen. Net als veel mensen in de horeca in die tijd, begon ze coke te snuiven om lange uren te kunnen kloppen. Het was een echte avonturier. Ze liep er de kantjes vanaf. Desondanks was ik erg verliefd op haar, en hadden we samen erg veel plezier. Ik denk dat ze na de vrouw waar ik nu mee samen ben, mijn grootste liefde was. We hielden van elkaar maar onze levensstijl was te verschillend. Laat thuiskomen, niet sparen, het druggebruik, de nonchalance in afspraken… Op den duur ging ik vreemd, omdat ik me bij haar niet meer veilig en verbonden voelde.
“Van de weeromstuit ging Jill ook vreemd, als een soort wraakreactie. Wij westerlingen zouden het proberen op te lossen met een goed gesprek, zij deed het zo. De liefde was nog groot, maar onze relatie had geen toekomst meer. Op mijn 38e ging het uit. De vrouw waar ik mee vreemdging, Eva, was al lang een vriendin van me. Ze was totaal het tegenovergestelde: ze werkte al vijftien jaar bij de bank, en maakte daar elk jaar mooi promotie. Ze had haar schaapjes op het droge en al twee huizen in haar bezit. Ze leidde een heel gestructureerd leven. Ze kwam elke avond om zes uur thuis en was altijd beschikbaar voor een goed gesprek. Ze was lief, attent, kon goed delen, praten en luisteren. Ze bood me alles wat ik zo had gemist. Ze regelde ook mijn geldzaken en maakte een financiële planning op. Ik werd ontzettend verliefd. Met haar kon ik echt in verbinding gaan, met Jill ging dat niet.”

Een open rug

Rika Ponnet: “Dit is een typische reboundrelatie, gebaseerd op een gemis in de vorige relatie. Je ziet dat mechanisme vaak. Vrouwen die samenleefden met een dominante man, zullen daarna op zoek gaan naar een zachter iemand. Naar iemand die hun grote gemis voor een tijd kan invullen. Kenmerkend ook is dat die relaties direct heel intiem zijn. Je loopt als het ware rond met een open rug, met het diepe verdriet van een scheiding nog in je lijf. Iemand hoeft je maar aan te raken en je zwicht meteen. Je vertoeft in een zeer grote nood. Vaak was je daarvoor samen met iemand die weinig gevoelsmatig verbonden was, en in de plaats daarvan komt: affectie, intimiteit, betrokkenheid. De start van zo’n relatie, die vaak getekend is door rouw, afscheid en verdriet, gaat heel diep. Daarom weet je je zo snel verbonden met die nieuwe partner.”
Carla: “Met Eva was ik inderdaad overtuigd dat ik eindelijk de vrouw van mijn leven had gevonden. Dit is ze, dacht ik. Toch begon ik na ongeveer een jaar ook weer een soort gemis te voelen, het leek of onze relatie zich niet verder verdiepte, de liefde kreeg geen diepere laag. Dat is het hele zelfbegoochelingsgedoe van reboundrelaties: eigenlijk wou ik met Jill wat ik met Eva had. Ik stortte me op Eva, omdat ze me alles wat ik bij Jill gemist had op een presenteerblaadje gaf. Ik snakte naar de veiligheid en de rust bij mijn Surinaamse furie, wat natuurlijk onmogelijk was. Ik brak uiteindelijk ook de relatie met Eva af, wat enorm kwetsend was voor haar. Ik heb echt haar hart gebroken.”

Rika Ponnet: “Hierover hoeft Carla zich niet schuldig te voelen. Een relatie afbreken kan hard kwetsen, maar zo zit de liefde nu eenmaal in mekaar. Vaak zit de sleutel hier ook bij degene die steeds de gever is in relaties. De meeste mensen die bij mij aankloppen zijn dan ook niet de rebounders zelf, maar degenen die met hen in een relatie zaten, de overzetboten dan dienst. Vaak komen ze het niet één keer, maar meerdere keren op rij tegen dat zij de reboundpartner zijn, het slachtoffer van de situatie. Mensen zoals Eva zijn heel gevend, verzorgend, ondersteunend van aard, en komen niet voor zichzelf op. Ze zijn lief en attent, en ontlenen hun betekenis aan geven. Het is hun taak om te onderzoeken hoe het komt dat ze telkens weer in deze rol vervallen. Als reboundpartner is het daarom belangrijk om te durven reflecteren over het waarom van je keuze. Waar zat jouw nood? Zorgen voor de ander? Het gevoel hebben van grote betekenis te zijn? Graag ‘redden’ is een relatiepatroon waarbij je als redder vaak met lege handen achterblijft.”

Gedoemd om te mislukken?

En dan de hamvraag: hoe komt het dat de meeste reboundrelaties na onafzienbare tijd misgaan? Rika Ponnet: “Dat komt doordat de relatie enkel geënt is op het gemiste deel, en niet op het geheel van een persoonlijkheid. Het is dus geënt op wat heel lang niet ingevuld is, op wat ontbrak, niet op een totaliteit. Bovendien is men niet zichzelf op het moment dat men voor een reboundrelatie zit, men maakt die keuze middenin een fase van veel verdriet en verwarring.
“Men zoekt na een lange relatie naar een nieuw evenwicht, en de reboundpartner is hier een vehikel voor. Eenmaal dat nieuw evenwicht gevonden is, wordt die partner overbodig. Je ziet zoiets ook gebeuren in vriendschappen. Mensen doen in een moeilijke periode soms beroep op vrienden die lief en beschikbaar zijn, maar zodra ze hersteld zijn, zodra ze zich sterker en completer voelen, verliest die vriendschap zijn functie. Hierdoor kunnen mensen zich in de steek gelaten voelen, of zelfs gebruikt.
“Het komt ook voor dat de rebounder na een reboundrelatie terugkeert naar een partner die exact hetzelfde ineenzit als degene waar hij van wegliep. Eenmaal hersteld, denkt hij of zijn weer alles aan te kunnen. En zo loopt men telkens opnieuw in dezelfde val. Al moet ik wel zeggen dat je hier nu misschien een vertekend beeld krijgt. Het gros van de mensen vindt na een scheiding een nieuwe partner, en blijft daar opnieuw weer heel lang bij. Die echte relatiehoppers maken maar een klein deel uit van het relatieveld, al springen ze natuurlijk meer in het oog.”

Soms duurzaam

Dat een reboundrelatie niet altijd gedoemd is te mislukken, bewijst het verhaal van Veerle (34) en Pol (36). Ondertussen zijn ze al tien jaar gelukkig samen en van plan dat nog lang te blijven. Veerle: “Tijdens mijn studententijd was ik samen met Laurent. Het was een mysterieuze man die nooit echt zijn ware gezicht liet zien, en daarom oefende hij zo’n aantrekkingskracht op me uit. Zijn ware gevoel voor mij? Dat sprak hij nooit uit. Ook wou hij niet dat we naar buiten traden als een koppel. Toch hadden we achter de schermen vier jaar een intense emotionele relatie en vaak seks. Hij bleef echter interesse tonen in andere vrouwen, zelfs in mijn vriendinnen. Hij sprak met ze af, soms zonder dat ik ergens van wist. Op een dag betrapte ik hem met één van hen, en met haar is hij ook verdergegaan. Ik was een emotioneel wrak toen ik hem verliet. En toen botste ik op Pol: veel rustiger, de betrouwbaarheid zelve, het ultieme luisterend oor. Ik overviel hem met mijn beklag over Laurent, wat achteraf bekeken erg ongepast van me was. Gaandeweg kreeg ik heel die foute relatie wat verwerkt, en begon ik me echt te hechten aan Pol. Ik ontdekte dat hij helemaal niet zo saai en stabiel was als ik dacht, en dat hij ook zijn ondeugende kantjes had. En ik werd van de weeromstuit wat rustiger. Het hoefde allemaal niet meer zo spannend, zo hartverscheurend intens. Dat had ik nu wel gehad. Onze relatie is begonnen onder een fout gesternte, maar heeft gelukkig wel de kans gekregen om te rijpen. Dankzij de rust en het begrip van Pol. Ik kan nu wel zeggen: hij is de man van mijn leven, zonder twijfel, en ik wil hem nooit meer kwijt.”

Rika Ponnet: “Soms gaat het inderdaad goed en blijft het duren. Omdat mensen groeien en merken dat die nieuwe partner gevoelsmatig beter bij hen past. Het kan een betere optie zijn, beter tegemoet komen aan je noden. Ze willen dan de prijs van de passie niet meer betalen, de passie die hun trigger was. Keuzepatronen kunnen dus evolueren. Je kunt elkaar leren kennen in een reboundfase, maar daarna kan het duurzamer worden.
“Eigenlijk kun je elk levenstraject zien als een in elkaar haken van relaties en relationele ervaringen, en de ene is altijd onlosmakelijk verbonden met de vorige en de volgende. Op die manier is elke volgende relatie wel een beetje een reboundrelatie. Elke nieuwe partner vormt ons, en bepaalt dus mee wie de volgende wordt.”

Signalen dat jij of je (ex-)partner in een reboundrelatie zitten:
Hoe kun je nu weten dat je in een reboundrelatie zit? Of vermoed je dat je als welmenende partner meegezogen wordt de een reboundrelatie van een ander? En hoe kun je weten dat die nieuwe vlam van je ex-partner eigenlijk gewoon een geval van rebound is? Dit zijn mogelijke signalen:

– Meestal ga je een reboundrelatie aan nog tijdens het afbreken van je relatie of heel snel daarna. Als er maar heel weinig tijd zit tussen je huidige en vorige relatie, is dat een duidelijke indicatie voor rebound. De vuistregel die men hiervoor gebruikt: een maand per jaar dat je relatie duurde. Dus had je een relatie van tien jaar, dan zou je eigenlijk minstens tien maanden moeten herstellen voor je een nieuwe relatie aangaat.

– Denk je nog heel vaak na over je vorige relatie? Zit je ex-partner eigenlijk nog meer in je hoofd dan je huidige partner? Verlang je nog naar hem of haar, of probeer je een ontmoeting te forceren? Check je zijn of haar Facebookprofiel wel erg vaak? Praat je over je ex met je nieuwe partner? Dit zijn allemaal tekens aan de wand dat je nog niet klaar bent voor een nieuwe relatie.

– Heb je het gevoel dat deze relatie nergens naartoe gaat, geen toekomst heeft? Maak je samen plannen voor later, of beangstigt je dat? Groeit jullie liefde steeds dieper of niet? Ook de tijdsduur is belangrijk: heb je de kaap van de twee jaar overschreden, dan maakt deze nieuwe relatie een reële kans.

– Let ook op de signalen van je omgeving. Het kan zijn dat je door je liefdesverdriet een vertroebeld beeld hebt, en omgaat met iemand die totaal niet bij je past. Je omgeving kan je hier al dan niet subtiel op trachten te wijzen. Uiteraard beslis je zelf of je hier rekening mee houdt.

Tips bij reboundrelaties

– Heb je inderdaad het idee dat jouw relatie wel eens een reboundrelatie zou kunnen zijn? Ga dan niet overhaast te werk. Neem geen grote beslissingen zoals samen een huis kopen of aan kinderen beginnen, tot je heel zeker bent dat dit meer is dan een reboundrelatie.

– Wees eerlijk met jezelf. Zou het niet kunnen dat deze relatie dient om de pijn van de vorige relatie te vergeten? Analyseer je eigen gevoelens en probeer hierbij streng te zijn voor jezelf. Je bent het verplicht aan de partner die mogelijk ongewild in een reboundrelatie is verzeild geraakt.

– Loopt de reboundrelatie af? Neem dan heel veel tijd voor jezelf, probeer rustig je verleden te verwerken en een nieuw evenwicht te vinden. Uiteindelijk is dit toch een keiharde job waar je op een dag tegenaan kijkt. De littekens uit het verleden halen je uiteindelijk altijd in.

– Heb je het vermoeden dat jij de reboundpartner bent van dienst, en dat je uiteindelijk aan de kant zal worden gezet? Wees op je hoede en stort je niet al te diep in deze relatie. Wacht hiermee tot je zeker bent dat je partner het echt meent, zichzelf heeft teruggevonden en hersteld is van zijn of haar vorige relatie.


EU wil -16-jarigen enkel nog op facebook met ouderlijke toestemming

Express.be – 15 december 2015

Tieners zullen in de toekomst geen accounts meer kunnen openen op sociale media, tenzij ze daarvoor de toestemming van hun ouders hebben. Als het van de EU afhangt tenminste.

Europa werkt aan een nieuwe regelgeving die bedrijven als Facebook, Instagram en Snapchat zou verbieden privégegevens van jongeren onder de 16 te verzamelen, tenzij de ouders daarvoor toelating geven. Vandaag is de leeftijdsgrens daarvoor in zowel de VS als de EU op 13 jaar vastgelegd.

In de praktijk betekent dit dat tieners verplicht zouden worden hun ouders om toestemming te vragen vooraleer ze zich kunnen inschrijven in een sociaal netwerk of zelfs een app op hun smartphone kunnen downloaden. Bedrijven die zich niet aan de nieuwe regelgeving houden kunnen boetes krijgen die tot 4% van de jaaromzet bedragen en dus tot miljoenen euro’s kunnen oplopen.

Volgens Alexander Whalen, senior policy manager bij industrievereniging Digital Europe, gaat het om ‘onredelijke’ veranderingen, die tieners enkel zullen aanzetten om over hun leeftijd te liegen.

Indien het wetsvoorstel wordt goedgekeurd krijgen landen 2 jaar om het in praktijk te brengen.


Zonen hebben meer stoornissen dan dochters (maar zijn gelukkiger)

De Standaard – 14 december 2015

Uit het grootschalige JOnG!-onderzoek blijkt dat jongens zich over het algemeen gelukkiger voelen meisjes, ook al krijgen net jongens meer leer- en andere stoornissen.
Jonge tieners in Vlaanderen voelen zich gemiddeld mentaal beter dan tieners in andere landen ter wereld, maar Vlaamse jongens van 12 en 13 jaar rapporteren een groter welbevinden dan meisjes van die leeftijd. ‘Als we peilen naar diagnoses en stoornissen, komen jongens er zowel op de leeftijd van 6 als op de leeftijd van 12 jaar slechter van af’, zegt Ciska Pieters, onderzoekster bij de dienst Jeugdgezondheidszorg aan de KU Leuven. ‘Je goed voelen heeft echter niet alleen te maken met de aanwezigheid van negatieve symptomen. Er zijn ook positieve kenmerken die het welbevinden bevorderen. En als we daarnaar vragen, blijken meisjes van 12 en 13 jaar lager te scoren.’

Pieters’ onderzoek Wadist?, of Oeist? is een deel van de grote JOnG!-studie, waarin groepen van pasgeborenen, 6- en 12-jarigen op diverse momenten werden bevraagd.

ADHD en autisme

Pieters, ook CLB-arts in Brugge, betrok er de tieners zelf bij. Ze legde hen internationale lijsten voor met vragen over algemeen welbevinden, levenstevredenheid en zelfgescoorde gezondheid.

Het resultaat – dat jongens gelukkiger zijn dan meisjes – is opvallend omdat de ouders in de JOnG!-studie aangeven dat het vaker zonen zijn die een of andere stoornis hebben: 25 procent van de jongens tegenover slechts 15 procent van de meisjes. Meestal gaat het om een leerstoornis (7 procent). Ook ADHD, autisme en DCD – een coördinatie- en ontwikkelingsstoornis – worden relatief vaak genoemd (elk 4 procent).


“Met een lege brooddoos naar school komen. Vreselijk”

Gazet van Antwerpen – 10 december 2015

Dat één op drie kinderen in Boom in een kansarm gezin wordt geboren zien ze ook in de scholen. Het is geen uitzondering meer dat kinderen geen boterhammen bij zich hebben om ’s middags op te eten of dat de ouders de schoolrekeningen niet meer kunnen betalen.
Bij basisschool OLVI De Kade in het hartje van Boom gaan 370 kinderen naar school. Na Nieuwjaar worden het er zelfs 400, omdat er dan heel wat kleutertjes voor het eerst kennismaken met het kleuterklasje. De voorbije jaren merkten ze in de school dat meer en meer kindjes in armoede leven. “Het is een fenomeen dat de voorbije vijf jaar echt gegroeid is”, stelt directeur ad interim Annemie Coopman vast. “Schoolrekeningen die in stukken worden betaald, kinderen die geen warme kleren hebben in de winter of die zelfs zonder eten naar school worden gestuurd. Het is echt schrijnend wat we soms zien.”

Zonder lunchpakket

“Het ergste is dat kinderen zonder eten naar school worden gestuurd. Er zijn er die hun lunchpakket thuis echt vergeten, maar er zijn er ook die niets meekrijgen omdat er eenvoudigweg geen eten is. Kindjes die hier met een lege brooddoos staan. Die geen boterham bij zich hebben om ’s middags op te eten. Of die enkel een zakje chips bijhebben. Vreselijk gewoon. Omdat we die kinderen niet aan hun lot willen overlaten, voorzien we cornflakes met melk als noodoplossing. Dan hebben ook zij ’s middags een maaltijd. De hele dag op de schoolbanken zitten met een lege maag is niet vol te houden.”


Na oudercontact is er nu ook ‘kindercontact’

De Standaard – 9 december 2015

Meer en meer lagere scholen organiseren naast een oudercontact minstens twee keer per jaar een ‘kindercontact’, een soort van evaluatiegesprek op kindermaat. Kinderen leren er bijvoorbeeld of ze moeten werken aan hun gedrag of studiemethode.
Steeds meer basisscholen voeren formele evaluatiegesprekken behalve met de ouders nu ook met de kinderen zelf. Dat zegt de onderwijskoepel Katholiek Onderwijs Vlaanderen die directeurs daarin stimuleert. ‘Pakweg tien jaar geleden was er amper sprake van, nu is het in een heleboel scholen een gangbare praktijk geworden’, zegt pedagogisch begeleider Greet Vanhove.

Het principe is simpel: de kinderen komen elk apart op gesprek bij de juf of meester, vaak na een rapport. ‘Meestal bespreken ze met de kinderen wat ze op het oudercontact zullen zeggen. Dat neemt al heel wat stress weg: de kinderen moeten niet langer vrezen dat hun leraar allerlei slechte dingen over hen zal zeggen achter hun rug’, zegt Vanhove.

Maar het allerbelangrijkste is dat kinderen een zegje krijgen in hun schoolcarrière. ‘Leraar en leerling bespreken samen de werkpuntjes en hoe ze die best aanpakken. Soms komen de kinderen zelf met een oplossing waar de juf of meester nooit aan zou denken’, zegt Vanhove.


Binnenkort geen kerstexamens meer?

De Morgen – 8 december 2015

Sommige scholen overwegen de kerstexamens bijna volledig af te schaffen. Enkel voor de hoofdvakken zou er nog een examen zijn voor de kerstvakantie, voor de andere vakken komt er dan een permanente evaluatie. Volgens de scholen biedt dat twee voordelen: de leerlingen hebben minder stress en de leerkrachten kunnen langer lesgeven.

Enkele Vlaamse scholen, waaronder de provinciale school in Diepenbeek, denken erover de kerstexamens – zoals die nu bestaan – ten dele af te schaffen. In plaats van de vakkennis van de leerlingen pas aan het eind van een volledig semester te testen, willen de scholen dat al eerder doen op verschillende momenten doorheen het jaar. Althans voor reguliere vakken. Voor hoofdvakken zou het kerstexamen wel nog blijven bestaan.

“In plaats van één momentopname met kerst, willen we op tussentijdse momenten al gaan meten in hoeverre leerlingen de lesdoelstellingen hebben behaald”, zegt Yves Boermans, directeur van de provinciale secundaire school van Diepenbeek. “Dit door doorheen het jaar meer evaluatiemomenten in te bouwen.” Naast meer testmomenten wil de directeur ook meer variëren in de manier van evalueren.

Volgens hem biedt een dergelijke aanpak twee voordelen: de leerlingen hebben minder stress en de leerkrachten kunnen langer lesgeven.

Omdat examens toch hun nut nog kunnen bewijzen, mogen ze voor de hoofdvakken blijven bestaan. “Examens kunnen daar nuttig zijn omdat de leerling er vragen krijgt voorgelegd die het geheel van de leerstof overschouwen. De leerling moet dan aantonen dat hij alle verschillende lesonderdelen beheerst en er ook linken tussen kan leggen”, aldus de directeur. Het testen van die kennis kan alleen via de goede oude manier van een écht eindexamen.


Niet naar kleuterklas: 5 keer meer kans op zittenblijven

De Morgen – 7 december 2015

Kinderen die niet naar de kleuterklas gaan, lopen vijf keer meer kans op zittenblijven later. Minister van Onderwijs Hilde Crevits (CD&V) wil de kleine maar hardnekkige groep niet-schoolgaande kleuters daarom op school krijgen. Dat staat vandaag in de kranten van Mediahuis.

In Vlaanderen gaat een overweldigende meerderheid van de vijfjarigen naar de kleuterschool: 99 procent. En van de ingeschreven kleuters is maar 2,5 procent onvoldoende aan­wezig, dat wil zeggen minder dan 22 halve dagen.

De wegblijvers vormen dus maar een kleine groep, maar toch wil minister Crevits hierop inzetten. “Ik wil die kinderen niet opgeven”, zegt ze. Uit een eerste analyse is immers gebleken dat een vijfjarige die voldoende aan­wezig is in de klas 11 procent kans loopt op schoolse achterstand later. Voor een leeftijds­genoot die te weinig aanwezig is, loopt die kans op tot 54 procent, of vijf keer meer.

Duidelijk is ook dat de kinderen die niet of te weinig naar de kleuterschool gaan, vaker een andere dan de Belgische nationaliteit hebben en dat ze meer uit kwetsbare groepen komen.

De conclusies komen uit een rapport dat het ­Departement Onderwijs en Vorming heeft gemaakt over de schoolloopbaan van kinderen uit het geboortejaar 2006. Crevits wil tegen 2016 maat­regelen voorstellen om deze doelgroep op de kleuterschool te krijgen.


Gevaarlijke pillen toch voorgeschreven “als gemakkelijkheidsoplossing”

Nieuwsblad – 7 december 2015

Maar liefst 4.917 Belgische minderjarigen hebben vorig jaar gevaarlijke antidepressiva gekregen, zo blijkt uit cijfers van de Christelijke Mutualiteit. Het ziekenfonds luidt daarover de alarmbel. “Al die jongeren riskeren zware bijwerkingen zoals zelfmoordneigingen. Nog te vaak zien dokters pillen als een gemakkelijkheidsoplossing.”
Vijf jaar en al aan de antidepressiva. Het kan wel degelijk, zo blijkt uit nieuwe cijfers van de Christelijke Mutualiteit (CM). Het ziekenfonds berekende dat in de loop van vorig jaar 4.917 minderjarigen minstens één keer de medicatie kregen. Ruim 130 van die minderjarigen waren vijf jaar of jonger.

Waarom de medicatie aan hen is voorgeschreven, staat niet in de cijfers. Bij hele kleine kinderen worden antidepressiva gebruikt tegen angst- en slaapstoornissen. Maar dat neemt niet weg dat het onrustwekkend is om te zien dat de cijfers opnieuw in stijgende lijn zitten, zegt de CM. Tussen 2003 en 2012 was er een daling, de voorbije twee jaar is er weer tien procent jongeren bijgekomen.

“Het gaat om antidepressiva van het type SSRI”, zegt apotheker Caroline Lebbe. “Op één product na (fluoxetine of prozac, nvdr.) zijn het medicijnen die je volgens de bijsluiter beter niet aan kinderen en adolescenten geeft. De voordelen wegen niet op tegen de nadelen. Er zijn serieuze twijfels of de pillen wel werken. Bovendien hebben minderjarigen een grotere kans op bijwerkingen.”

Die zijn in het geval van SSRI’s niet min: opstandig gedrag en agressie, maar ook zelfmoordgedachten en zelfs -pogingen. “Iets wat je depressieve kinderen toch beter bespaart.”

Het flagrantste voorbeeld is het middel paroxetine (merknaam: Seroxat). Jaren nadat het op de markt kwam, bleek in september dat het antidepressivum niet eens werkt bij 12- tot 18-jarigen, en hen zelfs kan aanzetten tot zelfdoding.


Bijna een op vijf kinderen in België leeft onder armoederisicodrempel

Moneytalk – 3 december 2015

Bijna een op de vijf kinderen (18,8 procent) jonger dan 18 jaar in België leeft in een gezin met een inkomen onder de armoederisicodrempel.

Tien jaar geleden was dat 15,9 procent. Dat blijkt uit het nieuwe jaarboek van het Centrum Ongelijkheid, Armoede, Sociale Uitsluiting en de Stad (OASeS) van de UAntwerpen.

Eenoudergezinnen

Bij eenoudergezinnen loopt dat aandeel op tot 36,4 procent en van kinderen van laagopgeleide ouders gaat het om 53,8 procent. Werkt bijna niemand in het gezin, dan leeft 73,6 procent van de kinderen met een inkomen onder de drempel. Bijna 7 procent van de kinderen leeft in een gezin met erg weinig materiële middelen.

“In een welvarend land als België zijn dergelijke cijfers onrechtvaardig, vooral omdat kinderen die in armoede leven daar de rest van hun leven de gevolgen van kunnen dragen”, klinkt het bij de onderzoekers. Ze verwijzen naar Nederlands onderzoek, waaruit blijkt dat armoede een emotionele, materiële en sociale belasting vormt, en dat jongeren zich vaak buitengesloten voelen of zich schamen.

Jongeren

Ook jongeren worden steeds vaker geconfronteerd met financiële moeilijkheden. Het armoederisico van 18-24-jarigen ligt evenzeer op 18,8 procent. Dat percentage stijgt sinds 2008. Het maandelijkse gemiddeld aantal leefloongerechtigden nam tussen 2013 en 2014 met 3,9 procent toe, maar bij jongeren onder de 25 was dat 5,1 procent. Jongeren tussen de 18 en 25 jaar vertegenwoordigden vorig jaar zo’n derde van de leefloonbevolking, terwijl hun totale aandeel in de bevolking 10,7 procent bedroeg.

Donderdagochtend wordt het hele jaarboek in Antwerpen voorgesteld.


School schrapt speeltijd: “Te veel gedoe en tijdverlies”

De Morgen – 3 december 2015

De 180 kinderen van basisschool De Hoogvlieger in Aarschot mogen ‘s namiddags niet meer buiten spelen. De directie heeft de speeltijd afgeschaft. Te veel gedoe en tijdverlies, is de uitleg. Geen goede zaak, zo zeggen experts. Dat meldt Het Laatste Nieuws.

“Eigenlijk duurt de namiddagspeeltijd maar tien minuten. Maar eer de kinderen weer aan de slag zijn, zijn we algauw 25 minuten verder”, zegt directrice Anouk Cleeremans. “Het vergt te veel organisatie: jassen aan, trappen af, jassen weer uit, etc. Als het regent moeten de 180 leerlingen bovendien onder het afdak staan: veel te veel volk op een te kleine plaats.”

Volgens de directrice zou de nieuwe regeling – die ook geldt voor de kleuterklasjes – geen al te grote impact hebben “omdat de kinderen nog steeds pauze krijgen, maar dan geïntegreerd in het klasgebeuren”. Hoe de kinderen zich bezighouden tijdens de pauzes in hun klas, mogen de leerkrachten zelf beslissen.

Verschillende ouders zijn echter niet over het ‘proefproject’ van de school te spreken. Volgens hen kunnen hun kinderen de frisse lucht van de namiddagpauze goed gebruiken. Daarmee is ook kinder- en jeugdpsycholoog Koen Lowet het eens. “De speeltijd in open lucht is destijds niet voor niets ingevoerd. Kinderen moeten kunnen bewegen en hun hoofd even leegmaken. Bovendien zijn de sociale vaardigheden die kinderen leren óók belangrijk voor hun opvoeding.”


Geens: ‘Kind moet zich in vertrouwen kunnen uitspreken over echtscheiding’

De Standaard – 2 december 2015

Minister van Justitie Koen Geens (CD&V) wil dat kinderen van ouders die willen scheiden meer rechten krijgen. Hij lanceert daarover enkele concrete voorstellen.

Nu is het zo dat een kind ouder dan 12 een ‘weinig toegankelijke’ oproepingsbrief krijgt om door een rechter van een familierechtbank verhoord te worden. Een gesprek dat nadien bij het echtscheidingsdossier gevoegd wordt en in te lezen is door de ouders van het kind. Wat volgens kinderrechtencommissaris Bruno Vanobbergen een afremmend effect heeft.

Geens wil dat de inhoud van dat gevoelige gesprek vertrouwelijk blijft. ’Ik vind het belangrijk dat wanneer de ouders kiezen om te scheiden, ze het belang van het kind vooropstellen. Een kind moet kunnen spreken met de rechter zonder angst te hebben voor de reactie van de ouders’, zegt Geens.

Concreet moet ook de oproepingsbrief toegankelijker en wil hij de hele procedure ingekort zien. Een werkgroep zal zich nu over zijn voorstellen buigen.


Een op drie ouders van tieners heeft nood aan meer advies

De Standaard – 30 november 2015

De Huizen van het Kind willen zich ook openstellen voor ouders van tienerkinderen die met opvoedingsvragen zitten. Onderzoek van de Thomas More-hogeschool toont dat een derde van deze ouders behoefte heeft aan informatie en advies.

‘Investeren in de eerste levensjaren is erg belangrijk, maar daar stopt het natuurlijk niet. Ook ouders van tienerkinderen kunnen opvoedingsvragen hebben’, zegt Patty De Bruyckere van Thomas More. Op vraag van het samenwerkingsverband 0010 stad Antwerpen onderzocht zij mee de behoefte aan ondersteuning bij deze ouders.

Uit het onderzoek blijkt dat één op de drie ouders behoefte heeft aan ondersteuning. De meest voorkomende vragen gingen over sociale media en over school.

Daarnaast vinden veel ouders het moeilijk om grenzen af te bakenen: slechts een minderheid gaf aan de regels vast te leggen in overleg met hun tienerkinderen. Anderen waren daarin traditioneler: ‘Hier zijn mijn grenzen en als het je niet aanstaat, daar is de deur!’

Opvoeden tussen twee culturen scoorde hoog bij de moeders van Marokkaanse origine. Zij maken zich zorgen omdat autochtone ouders daarin veel minder streng zijn. Een autochtone moeder had het dan weer lastig met de sociale druk door vrienden.

Niet problematiseren

Advies inwinnen bij vrienden of familie past niet bij elk probleem. ‘Er bestaat nochtans een ruimer aanbod aan hulp voor ouders van tienerkinderen, maar het is onvoldoende gekend’, concludeert De Bruyckere. Zij stelt voor dat de Huizen van het Kind zich meer promoten als de plek waar je te allen tijde met een opvoedingsvraag over tieners terechtkunt.


“Beste school, sorry dat we werken”

Nieuwsblad – 27 november 2015

Oudercontact om 15 uur, een koffiemoment om 9 uur of ’s avonds nog holderdebolder op zoek moeten naar een “geel T-shirt met groene zonnen”. Papa Wim Hoste klaagt in een open brief aan dat scholen te veel activiteiten plannen overdag. “Scholen moeten meer rekening houden met de agenda van werkende mensen”, zegt hij.
Het zit papa Wim Hoste (38) hoog. In een open brief op de website van onderwijstijdschrift Klasse roept hij scholen op om meer rekening te houden met de agenda van werkende ouders. Wim woont samen met zijn partner Jeroen (34) in Zelzate. Hun vier kindjes zijn 5, 7, 9 en 11 jaar oud.

“Ik heb het gevoel dat scholen steeds meer activiteiten en contactmomenten plannen overdag”, zegt hij. “Het is onmogelijk voor een werkende ouder om dan naar school te komen. Tenzij we een dag vrijaf nemen, maar dat kan toch niet de bedoeling zijn?”

Hij vindt dat de school ook onmogelijke dingen vraagt van ouders. “Soms moeten we tegen de volgende dag een krant van vandaag zien te vinden. Maar tegen dat ik mijn kinderen ophaal, zijn de meeste winkels dicht. Ik moest eens een geel T-shirt met groene zonnen zien te vinden. Ik heb dat niet zomaar rondslingeren”, zegt hij. “Die dingen moet de school toch op voorhand communiceren zodat we ons daarnaar kunnen organiseren?”

Wim is zelf pedagoog en gaf les in de lerarenopleiding. “Ik heb alle begrip voor leerkrachten. Zij kunnen ons niet altijd ’s avonds ontvangen. Maar een beetje meer evenwicht is op zijn plaats”, zegt hij.

Nooit goed voor iedereen

Katholiek Onderwijs Vlaanderen vindt het een terechte bekommernis. “Zeker voor oudercontacten is het de bedoeling dat ouders maximaal aanwezig zijn en dat scholen dus rekening houden met hun agenda”, zegt woordvoerder Willy Bombeek.

Volgens ouderkoepel VCOV doen veel scholen wél inspanningen. “Ouders kunnen vaak ’s middags of ’s avonds naar school. Het probleem is dat onze werkuren complexer worden en de school kan niet voor iedereen goed doen.”

LETTERLIJK. De open brief

Beste school,

Wij hebben geen kabouters. Wij zijn 2 papa’s van 4 pleegkinderen. Wij hebben een job. Wij moeten (en velen met ons) om 8.30 of 9 u. op het werk zijn, soms vroeger.

Wij kunnen geen koffie drinken om 9 u Een overleg met het CLB om 10 u. is onmogelijk. Sorry dat we werken en daarom een eetzaalboete moeten betalen omdat onze kinderen een boterhammetje willen eten. Wij kunnen niet elke week kinderen rondvoeren. Wij kunnen niet naar een oudercontact komen om 15 u.; dan zijn we nog aan het werk.

Als ik de kids om 17.30-18 u. oppik, is er nergens nog ‘de krant van vandaag’ te krijgen, laat staan nog een winkel open om gele T-shirts met groene zonnen te kopen (EN GEEN ANDERE KLEUR). We kunnen inderdaad pas om 19 u. eten. Maar we zien onze kinderen niet minder graag.

Zo zijn er vele tientallen ouders, vaak met nog moeilijker combinaties of papa’s en mama’s die er alleen voor staan. Kunnen jullie daar wat meer rekening mee houden?

Dankjewel!

Wim H.


Hoe word je een goede papa?

Knack – 26 november 2015

De pater familias is uitgerangeerd. Papa-mijn-vriend is ook achterhaald. Kinderen verwachten iets anders, maar wat?

Kinder- en jeugdpsychiater Peter Adriaenssens heeft volgende praktische adviezen voor zoekende vaders.

1. Neem een snelle start

Mannen zijn traditioneel meer met de kinderen bezig ná de peuter- en kleutertijd, maar daardoor missen ze als papa veel. Neem ook een actieve rol op in de beginfase: flesjes geven en in slaap wiegen, bijvoorbeeld.

2. Wees jezelf

Toon als vader je persoonlijke kwaliteiten. Doe dingen waar je aanleg voor hebt, en waar je zelf plezier in hebt. Maak grapjes, speel, daag je kinderen uit. Laat ook je kwetsbare kant zien, druk je gevoelens in woorden uit, want daar leren kinderen heel veel van.

3. Wees solidair met je partner

Haal elkaar niet onderuit maar ondersteun elkaars kwaliteiten.

4. Wees solidair met de samenleving

Bekritiseer een leerkracht niet als je zoon met straf naar huis komt, en leer je kind een zeker respect aan voor andere autoriteitsfiguren in de samenleving.


‘Even snel online scheiden, dan ben ik van mijn ex af’

De Telegraaf – 24 november 2015

Jullie hebben het geprobeerd, jarenlang. Voor de kinderen, voor jezelf, maar het werkte simpelweg niet meer. En dus hakken jullie samen de knoop door: we gaan scheiden. En dan? Volgens De Raad voor Rechtsbijstand is het mogelijk om in de nabije toekomst volledig digitaal van elkaar te scheiden en komt daarom vandaag met een vernieuwde en geavanceerde versie van haar site ’Rechtwijzer’, waarmee echtparen van a tot z digitaal uit elkaar kunnen gaan.

Nu ritselt het op internet van de aanbieders van snelle én goedkope online scheidingen. Maar volgens Liselotte Maas, deelprojectleider van Rechtwijzer, biedt de Raad voor Rechtsbijstand als enige de mogelijkheid aan echtelieden om samen online aan een dossier te werken en ondertussen ook digitale hulp en bijstand van professionals als mediators en juristen in te schakelen.

Digitaal overleg

Een proefversie is afgelopen jaar door 300 stellen doorlopen: „Via een dialoogvenster kan men met elkaar overleggen en afspraken maken over zaken als alimentatie, omgang met de kinderen en pensioen. Gaandeweg wordt alle benodigde informatie gegeven over de te behandelen onderwerpen en deelnemers zien steeds hoever ze al zijn. Doel is een kant-en-klaar scheidingsplan dat vervolgens door een advocaat bij de rechtbank kan worden ingediend.”

En de kinderen?

Marsha Pinedo, drijvende kracht achter online ontmoetingspunt voor kinderen van gescheiden ouders Villa Pinedo, ziet dat er vooraf vaak te licht over de gevolgen van een echtscheiding wordt gedacht. „Vooral als er kinderen in het spel zijn. Dan kun je namelijk niet denken, even snel online scheiden dan ben ik tenminste eindelijk van die ander af. Want je raakt nooit ’af’ van die andere ouder van je kinderen. Integendeel, daar moet je juist heel veel afspraken mee maken.”

Eén keer aan tafel

Daarom vindt Pinedo dat scheidende ouders verplicht minimaal één keer samen aan tafel moeten zitten bij een professional op scheidingsgebied. „Scheiden gaat over emoties. Vaak over problemen die ouders zelf niet erkennen of niet willen erkennen. Een deskundige signaleert die spanning en kan de problemen benoemen. Heus, we zijn zelf ook reuze digitaal, Villa Pinedo heeft een online workshop ’Voor alle gescheiden ouders’. Maar je kunt echt niet álles in je leven via internet regelen.”


Kinderen maken betere toets na spelen in tuin

Het Belang van Limburg – 23 november 2015

Kinderen halen hogere punten op een toets als ze vooraf een half uurtje in het groen hebben gespeeld. Bejaarden in een rusthuis blijven langer in conditie en doen het mentaal beter als ze actief in de tuin bezig zijn. Dat blijkt uit de eerste resultaten van onderzoek van studenten PXL Healthcare, die zijn voorgesteld op de studiedag ‘Tuintherapie en kwetsbaarheid’ van Limburg.net en PXL.

Wie herstelde van een hartaanval of moest revalideren na een beroerte werd in het verleden vaak binnen vier muren gehouden. Ook tuinen in rustoorden of huizen voor mensen met een handicap dienden vooral voor het uitzicht. “Maar steeds meer is het besef gaan groeien dat natuur en groen een actieve, zelfs helende rol kunnen spelen in de therapie”, klinkt het bij Limburg.net en PXL.


“Vaders die deeltijds werken worden nog altijd voor watjes aanzien”

Knack – 19 november 2015

‘Niet alle mannen zijn macho’s en seksisten. Ook zij krijgen te maken met discriminatie, partnergeweld en vooroordelen’, schrijft Marleen Finoulst hoofdredactrice van Bodytalk.

Donderdag 19 november is het voor de 16e keer Internationale Mannendag. Wat in 1999 in Trinidad begon als een kleinschalig, bescheiden initiatief, is ondertussen uitgegroeid tot een beweging in ruim 60 landen, die meer aandacht vraagt voor mannen en jongens en voor de manier waarop ze in de wereld staan. Een van de thema’s is het bevorderen van gendergelijkwaardigheid en gelijke kansen.

Neem nu de levensverwachtingskloof. Jongens geboren in 2009 hebben 5,28 jaar minder levensverwachting dan meisjes, zo blijkt uit cijfers van het Belgisch Instituut voor Gelijkheid van Mannen en Vrouwen. Zelfdoding is een ander heikel thema: voor elke vrouw die suïcide pleegt, zijn er drie mannen die dat ook doen. Dezelfde verhouding geldt voor dodelijke verkeersslachtoffers.

Gefeminiseerde samenleving

Niet alle mannen zijn macho’s en seksisten. Ook zij krijgen te maken met discriminatie, partnergeweld en vooroordelen. Vaders die deeltijds werken om (mee) voor de kinderen te zorgen, worden nog altijd voor watjes aangezien. De vaderrol is onduidelijk en steeds meer jongens raken de trappers kwijt. In het secundair onderwijs lopen ze achterstand op ten opzichte van meisjes, en ook daarna, in het hoger onderwijs en aan de universiteiten, ontsporen jongens massaal.

In het boek Zoekende zonen van auteur Inge Delva spreken experts van een epidemie. Opvallend veel twintigers raken het spoor bijster of haken helemaal af, niet in het minst degenen die in een warm nest opgroeien en alle kansen krijgen. Hun kronkelige leven is volgens sommigen een gevolg van onze gefeminiseerde samenleving.

ongens zijn van nature lawaaierig en beweeglijker, ze tackelen elkaar graag en houden van actie, wat op school vaak als onaangepast gedrag wordt bestempeld. Zeer energieke jongens krijgen hier het etiket ‘ADHD’. Hier en daar hoor je dat de vervrouwelijking van het onderwijs geen goede zaak is voor jongens. Er zou te veel gefocust worden op waarden waarin meisjes beter scoren, zoals netheid en stiptheid. Net die dingen waarop jongens afknappen. Daardoor raken ze gedemotiveerd en schoolmoe, zijn ze sneller geneigd tot spijbelen, waardoor ze zakken en mislukken. Ze voelen zich een ‘loser’.

Glazen plafond

Bezorgdheid om jongens mag ons niet doen vergeten dat er maatschappelijk geen gelijkheid bestaat tussen mannen en vrouwen. Dat een vrouwelijke werkneemster nog steeds ongehoord minder verdient dan haar mannelijke evenknie. Vrouwen hebben hard moeten knokken voor hun plaats in de maatschappij, en het glazen plafond is nog niet weg. Toch moeten we beide fenomenen los van elkaar zien.

In andere westerse landen stelt men een soortgelijke evolutie vast: jongens hinken alsmaar meer achterop, terwijl meisjes floreren. In Engeland is men het seksegescheiden onderwijs opnieuw aan het invoeren, met hevige voor- en tegenstanders. Of het jongens opnieuw op de sporen zet, zal moeten blijken.


“Vraag kinderen niet om hun bord leeg te eten”

Nieuwsblad – 17 november 2015

Eén op de zeven kinderen en bijna één op de vijf jongeren in ons land is te zwaar. Dat blijkt uit een peiling van het Wetenschappelijk Instituur Volksgezondheid (WIV), dat Minister Van Volksgezondheid Maggie de Block onder meer als basis zal gebruiken voor haar gezondheidsbeleid.
Voor de studie werden zo’n 3.461 Belgen bevraagd over hun eetgewoonten en gezondheid, waaronder zo’n 1.000 kinderen (vanaf drie jaar) en 1.000 jongeren (tussen 10 en 17 jaar). Bij de kinderen is gemiddeld zo’n vijftien procent te zwaar, bij jongeren vanaf tien jaar is dat achttien procent.

Het rapport heeft enkele aanbevelingen voor ouders om een gezond eetpatroon bij hun kinderen te bevorderen. Zo is het belangrijk om de kinderen te betrekken bij het klaarmaken van de maaltijden en het boodschappen doen, eregeld samen te eten en niet te vaak voor de televisie te eten. Daarnaast kunnen ouders hun kinderen zelf laten bepalen wanneer ze honger hebben en wanneer ze genoeg hebben. “Ouders moeten proberen om een gulden middenweg te vinden”, zegt dokter Karin De Ridder van het WIV aan de VRT-website deredactie.be. “Ze kunnen hun kinderen beter geen vrije toegang geven tot koekjes en snoep, maar ze moeten hen ook niet verplichten om absoluut hun bord leeg te eten, ook als ze geen honger hebben.”

Met dat samen eten met de familie valt het overigens nog wel mee. Sinds de laatste peiling in 2004 zijn de gewoonten op dat gebied nauwelijks veranderd. Van de kinderen tussen drie en negen jaar eet 99 procent regelmatig in familieverband. 85 procent van de kinderen heeft vrije toegang tot fruit, vijftig procent mag zelf kiezen wat ze eten en 42 procent moet zijn bord leeg eten. 53 procent van de kinderen kijkt nooit televisie tijdens het ontbijt, 74 procent kijkt nooit televisie tijdens het middageten, 59 procent tijdens het avondmaal.

Jonge kinderen hebben het meest regelmatige eetpatroon van alle Belgen, maar tijdens hun tienerjaren leren ze die gezonde gewoontes snel af. Zo ligt het percentage regelmatige ontbijters (minstens vijf keer per week) het hoogst bij kinderen van 3 tot 9 jaar (90 procent), maar neemt het daarna af tot een dieptepunt in de categorie 14-17 jaar (67 procent) om op latere leeftijd weer wat te stijgen.Kinderen van 3 tot 9 jaar nemen ook het vaakst een tienuurtje (80 procent), terwijl dat percentage afneemt bij de categorie 10 tot 17 jaar en het laagst is bij jongvolwassenen (27 procent). Een gelijkaardige trend valt vast te stellen voor het vieruurtje in de namiddag.

Kinderen hebben nog altijd minder overgewicht dan volwassenen: vanaf 55 jaar is iets meer dan de helft van alle Belgen te zwaar


Maak zomervakantie korter, en geef extra vakantie in herfst en lente

Het Laatste Nieuws – 13 november 2015

Een kortere zomervakantie en meer vakantie tijdens het jaar: dat voorstel lanceert Vlerick Business School na een studie over de schoolvakanties. Pedagogen juichen het voorstel toe, schrijft Het Nieuwsblad vandaag.
Volgens het model van Vlerick zou de zomervakantie twee weken minder lang duren, maar wordt de herfstvakantie een week langer en komt er een extra week bij met Hemelvaart.

Het doel? De nieuwe regeling zou in de eerste plaats de prestaties van leerlingen verbeteren, maar heeft nog meer voordelen voor de samenleving. Minder leerkrachten zouden geveld worden door stress en burn-outs, en we zouden met z’n allen minder in de file staan.

Pedagogen zijn alvast voorstander. “Voor minstens 35 procent van de leerlingen leidt de te lange zomervakantie tot een terugval in de resultaten”, klinkt het in Het Nieuwsblad.


Vlaamse huisvrouw is met uitsterven bedreigd

Knack – 12 november 2015

Vlaanderen telt nog amper 233.000 huisvrouwen. Dat is een daling met veertig procent op vijftien jaar tijd. Dat blijkt uit nieuwe cijfers van de FOD Economie waarover de kranten van Mediahuis donderdag berichten. In 1990 bleven nog meer dan 700.000 Vlaamse vrouwen thuis om het huishouden te runnen.

Prof. Charlotte Declerck, docent Familierecht aan de Universiteit Hasselt, verbaast zich niet over deze cijfers. Op Radio 1 licht ze toe dat vrouwen enerzijds ook graag buitenshuis gaan werken, anderzijds zijn er vrouwen die wel graag thuis zouden blijven voor het huishouden en de kinderen, maar toch gaan werken omwille van financiële redenen.

Financiële redenen

‘Het tweeverdienersinkomen is de norm geworden vandaag.’ Professor Declerck betreurt dat de financiële situatie de keuze om thuis te blijven vaak niet meer mogelijk maakt. Op de vraag of een van de redenen misschien kan zijn dat vrouwen geen huisvrouw meer durven zijn uit angst om met niets achter te blijven na een scheiding, antwoordt ze het volgende: ‘Ik weet niet of mensen hiervan op de hoogte zijn, maar mensen die wettelijk of feitelijk samenwonen en mensen die gehuwd zijn op basis van een zuivere scheiding van de goederen blijven onbeschermd achter na een breuk of scheiding. Dat is inderdaad een probleem.

En de huisman?

Echte ‘huismannen’ zijn er amper. Vijftien jaar terug waren het er een kleine drieduizend, nu zijn het er zowat zesduizend. In een ver verleden is Frank Deboosere trouwens twee jaar huisman geweest. Daarover zegt hij op Radio 1: ‘Dat was een heel bewuste beslissing. Het was heel hard en zwaar werken. Vierentwintig uur per dag, zeven dagen per week.’ Toch raadt hij het aan. ‘Ik heb zelf mijn kinderen kunnen zien groot worden en actief kunnen deelnemen aan hun opvoeding.’ Hij trok zich in die periode ook niks aan van wat anderen over zijn situatie dachten. ‘Ik heb en had andere katten en honden te geselen dan me daar druk over te maken.’


“Gescheiden ouders betalen tot 100 euro meer voor water”

Het Belang van Limburg – 12 november 2015

Ouders van gescheiden kinderen dreigen per jaar tot 100 euro extra te moeten betalen voor drinkwater. Dat zegt Vlaams parlementslid Rob Beenders (sp.a). Oorzaak is de nieuwe waterfactuur die de Vlaamse regering invoert vanaf 1 januari 2016. “Slechts één van de gescheiden ouders van een kind zal van de korting kunnen genieten”, zegt Beenders.
De waterfactuur wordt vanaf 2016 hervormd. Zo wordt het gratis water afgeschaft en wordt bij de uiteindelijke berekening van de factuur rekening gehouden met het aantal mensen dat gedomicilieerd is op een adres. Dat systeem is volgens Beenders nadelig voor niet-traditioneel samengestelde gezinnen.

Kinderen die afwisselend bij de vader en de moeder verblijven, hebben immers maar één wettige woonplaats. Maar ze verbruiken dus wel bij beide ouders drinkwater. “Als je kinderen de helft van de tijd bij jou zijn, maar ze zijn bij je ex gedomicilieerd, dan betaal je zomaar even 100 euro extra per jaar. Enkel en alleen om administratieve redenen”, waarschuwt het Hasseltse sp.a-parlementslid.

Realiteit

En dat geldt niet alleen voor de waterfactuur. “Denken we bijvoorbeeld maar aan gemeenten die per gedomicilieerd gezinslid een aantal gratis vuilniszakken ter beschikking stellen.”

“Het is hoog tijd dat de regering rekening houdt met de realiteit, en die is dat er meer en meer gezinnen zijn die niet meer op een traditionele manier zijn samengesteld. Laat de overheid vertrekken vanuit de echte gezinssamenstelling. In deze gedigitaliseerde tijden is dat een fluitje van een cent. Het kan bijvoorbeeld door kinderen van co-ouders twee domicilies te geven. Zo hebben beide ouders dezelfde rechten en worden zij op een gelijke manier behandeld”, besluit Beenders.


Indexering kinderbijslag niet in Vlaamse begroting voorzien

Knack – 6 november 2015

Hoewel de spilindex volgens de jongste vooruitzichten van het Planbureau in augustus volgend jaar overschreden wordt, heeft de Vlaamse regering in haar begroting geen rekening gehouden met een indexering van de kinderbijslag.

Dat schrijven De Standaard en Het Nieuwsblad. Uit een rondvraag van de kranten blijkt dat niemand binnen de regering zegt dat die indexering er ook effectief zal komen.

Niemand binnen de regering wil zeggen dat het geld voor de indexering wel gezocht zal worden. Officieel klinkt het dat de Vlaamse regering daarover “op het gepaste moment” zal overleggen. “Daarvoor hebben we begrotingscontroles”, zegt een regeringsbron.

28 euro per kind

Een automatische indexering is dus geen zekerheid. Nochtans was de niet-indexering van de kinderbijslag het voorbije jaar door de Vlaamse regering aangekondigd als een eenmalige maatregel. Die aangevochten indexsprong betekende toen een verlies van gemiddeld 28 euro per kind.

De regering beloofde het uitgespaarde geld (63 miljoen euro) in te zetten voor het vernieuwd stelsel van de kinderbijslag.

Ook nu zegt het kabinet van de bevoegde minister Jo Vandeurzen (CD&V) volgens de kranten dat de overschrijding van de spilindex en de impact ervan op de kinderbijslag “moeten gezien worden in de opbouw van een eigen Vlaamse kinderbijslag”.


Waarom vrouwen steeds minder kinderen krijgen

Knack – 2 november 2015

Ondanks inspanningen lijken overheden er niet in te slagen om de vergrijzing een halt toe te roepen. China maakte weliswaar recent bekend dat het zijn één-kind-politiek stopzet, maar in de meeste ontwikkelde landen hebben vrouwen minder dan twee kinderen. De werksituatie, het milieu en de persoonlijke vrijheden zijn enkele van de redenen waarom vrouwen minder kinderen baren.

In de meest ontwikkelde landen wordt het vervangingsniveau niet gehaald en zal de vergrijzing enkel nog toenemen, zegt Joseph Chamie, voormalig directeur van de Bevolkingsdivisie van de Verenigde Naties. Volgens gegevens van de federale overheid kende België in 2012 1,7 geboortes per vrouw. In Nederland is het cijfer vergelijkbaar.

In verschillende andere landen zoals Duitsland, Italië, Japan, Polen, Singapore, Zuid-Korea en Spanje is het gemiddelde vruchtbaarheidsniveau gedaald tot net iets meer dan één kind per vrouw, veel lager dan het vervangingsniveau van twee kinderen.

Als de vruchtbaarheidsgraad van 1,4 geboortes per vrouw in bijvoorbeeld Japan aanhoudt, zal de huidige bevolking van 127 miljoen Japanners gedaald zijn tot 64 miljoen in 2100. Daarbij zullen meer dan 40 procent van de Japanners 65 jaar en ouder zijn. Hetzelfde dreigt te gebeuren met de bevolking van landen als Duitsland, Italië en Rusland.

Liefdescruises en vaderlandsliefde

In een poging om het tij te doen keren hebben sommige overheden waaronder die van Duitsland, Italië, Japan, Rusland, Singapore en Zuid-Korea, inspanningen gedaan om hun inwoners aan te zetten opnieuw meer kinderen te maken. Recent besliste China bijvoorbeeld om zijn één-kind-politiek te wijzigen en twee kinderen per koppel toe te staan.

Ondanks lokale inspanningen zoals een verhoging van het kindergeld en initiatieven zoals de nationale conceptiedag, een familienacht, ‘liefdescruises’, financiële stimulansen, een opwaardering van het moederschap, oproepen tot vaderlandsliefde en burgerplicht, zijn overheden er niet in geslaagd om de vruchtbaarheid van hun landgenoten te doen toenemen en vrouwen te overtuigen om terug meer kinderen te nemen.

Daar zijn verschillende redenen voor te vinden. Zo heeft het huwelijk als gewaardeerd sociaal instituut fel afgedaan, en zijn nieuwe, minder bindende samenlevingsvormen meer aanvaard net zoals echtscheidingen. Ook wordt het huwelijk niet meer alleen gezien als een doel om zich te kunnen voortplanten.

Verder hebben de kansen voor vrouwen om zich te ontwikkelen, een opleiding te volgen, te werken en financieel onafhankelijk te worden het aantal geboortes gekelderd, en heeft contraceptie ervoor gezorgd dat vrouwen het krijgen van kinderen kunnen uitstellen of tegengaan.

Kinderloos

Steeds meer jonge vrouwen kiezen eerder voor een carrière en de persoonlijke ontwikkeling, dan voor een gezin. Soms geraken ze na jaren gewend aan hun leven met een hoge sociale en economische status en de onbeperkte vrijheden en bergen ze hun eventuele kinderplannen op latere leeftijd alsnog op.

Vrouwen geven ook aan dat ze soms beslissen om geen kinderen te nemen omdat ze geen geschikte partner vinden: een partner die dezelfde waarden op vlak van opvoeding deelt en bereid is om zijn aandeel in het huishouden te doen.

Ook denken veel jonge mensen dat ze niet zullen rondkomen met een inkomen en dus beiden uit werken moeten gaan, waardoor ze het krijgen van kinderen, en alle kosten die daaraan verbonden zijn, weinig zinvol vinden.

Niet moeder maar werkende moeder

Net omdat moeders tegenwoordig niet meer eenvoudigweg moeder zijn, maar werkende moeders, is het gebrek aan goede opvangmogelijkheden en ondersteuning een veel geziene reden om niet aan een tweede kind te beginnen.

Bovendien nemen vrouwen het niet dat overheden zich gaan mengen met hun persoonlijke vrijheden en keuzes. Vrouwen willen niet opnieuw aangemoedigd worden om thuisblijf-moeder te worden, en verwachten dat ook mannen aangespoord worden om die taak eventueel op zich te nemen.

In ontwikkelde landen maken vrouwen en mannen zich tenslotte ook zorgen over de dreiging van de globale overbevolking en de schadelijke gevolgen daarvan voor het milieu. Ze zijn ervan overtuigd dat de wereld een betere en meer duurzame plek wordt met minder geboortes en een afnemende globale wereldbevolking.

Het lijkt heel onwaarschijnlijk dat overheden het tij zullen kunnen keren. Vrouwen in landen waar het aantal geboortes nu laag liggen, zijn niet bereid om opnieuw in de rol te stappen waarin ze hun moeders en grootmoeders zagen. De kans dat het vervangingsniveau in deze landen ooit nog gehaald wordt, is dan ook zeer klein. (IPS)

Joseph Chamie is onafhankelijk adviseur-demograaf en voormalig directeur van de Bevolkingsdivisie van de Verenigde Naties.


Werkzoekende in ‘cohousing’ heeft recht op werkloosheidsuitkering

Juristenkrant – 29 oktober 2015

In navolging van een recent arrest van het arbeidshof in Brussel zal bij het bepalen van de hoogte van de werkloosheidsuitkering van de werkzoekende-huisgenoot binnen een cohousing niet langer rekening kunnen worden gehouden met het inkomen van de andere huisgenoten, bij gebrek aan gemeenschappelijk huishouden tussen de samenwoners. Met deze beslissing wordt de bestaande praktijk van de RVA teruggefloten, die erin bestond om een werkzoekende die in cohousing leefde automatisch te beschouwen als ‘samenwonende zonder gezinslast’ en niet als ‘alleenstaande’. De uitspraak wordt vandaag besproken in De Juristenkrant.

Bij het bepalen van de hoogte van de werkloosheidsuitkering wordt in principe rekening gehouden met het inkomen van de personen die feitelijk woonachtig zijn op het adres van de aanvrager. De werkloosheidsreglementering veronderstelt immers het bestaan van solidariteit tussen de samenwoners.

In onze huidige maatschappij bestaat er echter een belangrijke tendens van midden-twintigers en jonge dertigers die er bewust voor kiezen tijdelijk samen te hokken, zonder een verankerde solidariteit onderling. Zo laat het gemeenschappelijk woonbudget van de betrokkenen toe om in centrum Brussel een herenhuis met tuin te huren, terwijl met een kwart van dat budget hoogstens een klein appartementje gehuurd kan worden. Ook verschillende tv-series illustreerden de vele voordelen van dat type wonen.

In een tijd van hoge jeugdwerkloosheid, zeker in de steden, is het in dat licht laakbaar een werkzoekende-huisgenoot te ‘bestraffen’ door zijn uitkering in te korten rekening houdend met het inkomen van de huisgenoten. Het klopt niet dat een (langdurig) werkzoekende op die manier in de eenzaamheid geduwd wordt, terwijl net de huisgenoten vaak het nodige draagvlak kunnen zijn om de betrokkene opnieuw in de arbeidsmarkt op te nemen. Het is niet uitgesloten dat dit beleid onder meer armoede op lange termijn in de hand werkt.

Geen solidariteit

De werkloosheidsreglementering definieert ‘samenwonen’ als: (1) het onder hetzelfde dak samenleven van twee of meer personen en (2) de huishoudelijke aangelegenheden hoofdzakelijk gemeenschappelijk regelen. In tegenstelling tot het algemene werkloosheidsbeleid van de RVA en de beslissing van de eerste rechters, oordeelt het arbeidshof in het concrete geval dat ‘de samenhuizers’ niet vallen onder het begrip ‘samenwoning’ in de zin van de werkloosheidsreglementering aangezien de tweede voorwaarde ‘gemeenschappelijk huishouden’ niet vervuld is.

Het arbeidshof stelt vast dat er tussen de huisgenoten geen gemeenschappelijk huishouden bestaat. Met de samenwoning beogen de huisbewoners immers, naast de fijne sociale aspecten ervan, schaalvoordelen te realiseren zonder dat er een werkelijke solidariteit tussen de bewoners zou ontstaan. Opdat er sprake zou zijn van ‘samenwoning’, is vereist dat de werkzoekende de huishoudelijke aangelegenheden hoofdzakelijk gemeenschappelijk regelt. Het arbeidshof beoordeelt de feitelijke elementen van het dossier en stelt vast dat die voorwaarde niet vervuld is. Zo is iedere bewoner verantwoordelijk voor het onderhoud van zijn eigen kamer met beurtrol voor de gemeenschappelijke delen, hebben ze eigen compartimenten in de ijskast, doen ze beperkte gemeenschappelijke aankopen (kruiden, olijfolie, wc-papier), is er geen gemeenschappelijke was of strijk of nog geen gemeenschappelijke aankopen voor vrijetijdsbesteding. Kortom, er is geen sprake van een gemeenschappelijk budget waaruit een vaststaande solidariteit tussen de bewoners blijkt. Het arbeidshof oordeelt daarom dat ondanks de feitelijke samenwoning, de werkzoekende, in de zin van de werkloosheidsreglementering beschouwd moet worden als ‘alleenstaande’.

De uitspraak van het arbeidshof moet bijgetreden worden. Ingeval van werkloosheid van één van de huisgenoten, zal er niet geraakt worden aan het algemene systeem van gelijke verdeling van de gemeenschappelijke onkosten of de betaling van de huurprijs. Terecht heeft het arbeidshof vastgesteld dat in het licht van de werkloosheidsreglementering de gelijkstelling tussen – klassiek – een samenwonend koppel en de samenwoners in cohousing niet opgaat.

Praktische gevolgen

Het concept ‘cohousing’ biedt tal van voordelen en betekent een meerwaarde voor onze maatschappij. Zo kunnen (jonge) werkers en werkzoekenden de stap naar zelfstandig wonen zetten zonder dat zij louter uit financiële overwegingen in Hotel Mama zouden blijven. Het is dan ook noodzakelijk dat de wetgeving en de administratie op die bestaande praktijk inspelen. Bovendien is het concept niet nieuw. Met het arrest werd een belangrijke stap in de goede richting gezet. Een werkzoekende-huisgenoot zal nu beschouwd moeten worden als ‘alleenstaande’ bij de toekenning van een werkloosheidsuitkering wanneer er geen solidariteit tussen de bewoners bestaat. De vraag is natuurlijk of de diensten van de RVA zich automatisch zullen schikken naar deze rechtspraak, wat enkel bereikt zal kunnen worden met een aanpassing van de werkloosheidsreglementering waarin duidelijke en welomlijnde criteria worden vastgelegd om de verschillende ‘samenwonings’-vormen van elkaar te onderscheiden.

Tot slot heeft cohousing ook in andere juridische domeinen een weerslag. Zo dringt zich een aanpassing op van de wetgeving van de woninghuur. Cohousing is geen stabiel 3-6-9-verhaal, maar een verhaal dat constant onderhevig is aan veranderende Facebook-statussen, waardoor een meer flexibele huurovereenkomst, met voldoende waarborgen voor de eigenaar, nodig is.


Onze grootste wens: meer tijd

Nieuwsblad – 26 oktober 2015

De zomervakantie blijkt een heikel punt in de gezinsplanning. 43 procent van alle ouders vindt dat de zomervakantie ingekort moet worden.

De Vlaming worstelt vooral met het gebrek aan tijd. Dat blijkt uit een enquête die Het Nieuwsblad door onderzoeksbureau iVox liet uitvoeren bij duizend Vlamingen.

Eén op de drie ondervraagden noemt de combinatie werk en gezin “problematisch”. En door een drukke agenda blijkt samen ontbijten met het gezin een zeldzaamheid geworden. Een kwart van de ondervraagden ontbijt nooit samen, meer dan de helft doet het maximaal twee keer per week, in het weekend dus.

Pensioen

De Vlaming blijkt erg veel van zijn job te houden, maar toch blijkt uit de bevraging dat de helft van de Vlamingen tussen de 35 en 54 jaar nu al uitkijkt naar zijn pensioen. “Niet omdat ze hun job an sich beu zijn”, zegt professor Arbeidspsychologie Sara De Gieter (VUB). “Maar omdat ze denken dat ze pas dan echt voldoende tijd zullen hebben voor ontspanning, vrienden,…”

Ook de zomervakantie blijkt een heikel punt in de gezinsplanning. 43 procent van alle ouders vindt dat de zomervakantie ingekort moet worden.


Bijna helft van Vlaamse ouders wil kortere zomervakantie

Knack – 26 oktober 2015

De zomervakantie blijkt een heikel punt in de gezinsplanning. 43 procent van alle ouders vindt dat de zomervakantie ingekort moet worden.

De Vlaming worstelt vooral met het gebrek aan tijd. Dat blijkt uit een enquête die Het Nieuwsblad door onderzoeksbureau iVox liet uitvoeren bij duizend Vlamingen.

Eén op de drie ondervraagden noemt de combinatie werk en gezin “problematisch”. En door een drukke agenda blijkt samen ontbijten met het gezin een zeldzaamheid geworden. Een kwart van de ondervraagden ontbijt nooit samen, meer dan de helft doet het maximaal twee keer per week, in het weekend dus.

Pensioen

De Vlaming blijkt erg veel van zijn job te houden, maar toch blijkt uit de bevraging dat de helft van de Vlamingen tussen de 35 en 54 jaar nu al uitkijkt naar zijn pensioen. “Niet omdat ze hun job an sich beu zijn”, zegt professor Arbeidspsychologie Sara De Gieter (VUB). “Maar omdat ze denken dat ze pas dan echt voldoende tijd zullen hebben voor ontspanning, vrienden,…”

Ook de zomervakantie blijkt een heikel punt in de gezinsplanning. 43 procent van alle ouders vindt dat de zomervakantie ingekort moet worden.


Alleenstaande draait op voor energiefactuur

De Morgen – 21 oktober 2015

Alleenstaanden zijn het grootste slachtoffer van de zogenoemde ‘Turteltaks’, de energieheffing die Vlaams minister van Energie Annemie Turtelboom (Open Vld) heeft aangekondigd. De reeds bestaande scheeftrekking wordt zo nog erger.

De ‘Turteltaks’ komt er om de historische schuldenberg van groenestroomcertificaten voor zonnepanelen en windmolens aan te pakken. Door de maatregel ziet een gemiddeld gezin zijn jaarlijkse stroomfactuur met 100 euro stijgen. In verhouding worden alleenstaanden nog harder geraakt, stelt oppositiepartij sp.a vast. Volgens de Vlaamse Energieregulator VREG verbruikt een alleenstaande gemiddeld 0,6 megawattuur (MWh). Door de nieuwe taks van 100 euro op die 0,6 MWh komt het totale bedrag voor een alleenstaande op 166 euro per megawattuur. Ter vergelijking: een gemiddeld gezin verbruikt 3,5 MWh, wat neerkomt op 28 euro per MWh. In verhouding betalen singles dus zes keer meer dan gezinnen.

Die verhouding wordt nog meer scheefgetrokken als we kijken naar wat de bedrijven bijdragen. Een onderneming die 250 gigawattuur (= 250.000 MWh) verbruikt, betaalt 100.000 euro. Dat is 40 eurocent per MWh. Vergelijk dat met de 166 euro voor een alleenstaande, en je komt aan een hallucinante verhouding van 1 op 400.

“Crapuleus”, noemt professor fiscaal recht Michel Maus (VUB) het. “Er moest iets gebeuren aan die groenestroomcertificaten, daarover was iedereen het eens. Maar dat kon ook op een faire en correcte manier. De put die is ontstaan door de groenestroomcertificaten kwam er ook door de bedrijven, die er in sommige gevallen erg goed aan verdiend hebben.”

Discriminatie

Turtelboom is zich bewust van de scheeftrekking, reageert haar kabinet. “Daarom hamert ze erop dat je vlot van provider kunt veranderen en gebruik kunt maken van de energielening om de hogere factuur zo veel mogelijk te minimaliseren.” Dat de taks zo onevenwichtig wordt doorgevoerd, doet bij Maus de vraag rijzen of hij een juridische toetsing wel doorstaat. “Ik vraag me af of het gelijkheidsbeginsel niet wordt geschonden. Fiscaal gezien mag je discrimineren, maar enkel als dat gerechtvaardigd en eerlijk is, en dat is hier niet het geval.”

Het is overigens niet de eerste keer dat alleenstaanden de dupe zijn van een fiscale maatregel. Dat is vaste prik, erkent ook Maus. “Uit alle onderzoeken van de OESO blijkt dat de alleenstaande de fiscale paria is op het vlak van arbeidsfiscaliteit. Neem de belastingvrije som in de inkomstenbelasting: die gaat spectaculair omhoog als er kinderen ten laste zijn.”

Een en ander valt historisch te verklaren: van oudsher wordt het gezin als hoeksteen van de samenleving beschouwd, en zowat alle maatregelen worden met dat gezin in het achterhoofd doorgevoerd. Maar intussen vormen alleenstaanden een steeds grotere groep in de samenleving. “Men houdt geen rekening met maatschappelijke evoluties”, besluit Maus.


Beste Siska, laten we “de fuckertjes” maar even weglaten uit onze kranten en Facebook

De Morgen – 19 oktober 2015

Marijke Bisschop is pedagoge en gedragstherapeute. Ze schreef o.a. ‘Bouwen aan zelfvertrouwen’.

Even kreeg het kind in mij rillingen bij het lezen van het interview met Siska Schoeters (17/10). Daar had zij zich ook al aan verwacht. Gelukkig zegt zij veel van haar kinderen te houden en geeft zij toe dat opvoeden het minder leuke gedeelte is. En ik weet zeker dat zij een moeder uit duizenden is die zich goed aan haar taak als moeder en stiefmoeder kwijt.

Maar als ik moet lezen dat je nu maar beter eventjes geen kinderen had om even een terrasje te doen en om dan ‘ladderzat’ te kunnen worden, dat je die ettertjes bij momenten kotsbeu bent, dat het mooiste moment van de dag is wanneer je ze in bed legt en dan even van de fuckertjes af bent en dat je die smerige aap een ‘pain in the ass’ vindt, dan ben ik blij dat ik dit als kind niet kan lezen. En het kind in mij is ook blij dat ik nog niet op Facebook van mijn moeder kan zien hoe ik “keihard op mijn bakkes ging…”

Inderdaad is de combinatie van carrière maken, de beste moeder willen zijn, er goed willen uitzien en kunnen meepraten over je vak best niet makkelijk voor onze jonge moeders. Maar alsjeblieft, laten we onze kinderen nooit, al is het maar eventjes, “kotsbeu” zijn. We vinden het gedrag op dat moment wel even heel vervelend, of hinderlijk, maar nooit het kind zelf.

“Je bent een pracht van een kind, maar je doet nu wel even heel lastig.” Het is niet alleen dat het niet goed staat dingen liever niet onverbloemd te zeggen, maar je zegt het gewoon niet over een kind. Wij zijn toch volwassen personen? Natuurlijk hebben we allemaal onze kinderen wel eens eventjes achter het behang willen plakken, maar het zijn niet de kinderen die hinderlijk zijn, wel af en toe hun gedrag. Maar daar komt dan ook onze opvoeding bij kijken: wij kunnen gedrag af- of aanmoedigen. Wij, ouders, zijn er voor onze kinderen, onze kinderen zijn er niet alleen voor ons.

Kinderen vragen om ouderlijke liefde, troost en genegenheid en zeker om die opvoeding. Opvoeding, “het minder leuke gedeelte van kinderen” volgens Siska, is ook heel moeilijk en steeds moeilijker in dit digitale tijdperk. Dat opvoeden moeilijk is, daarover ben ik het helemaal met Siska eens. Daar is geen app voor. Het vraagt ouderschap van ons, en een heel groot stuk ‘verantwoordelijkheid’ en modelfunctie. Dit is niet altijd makkelijk te combineren met onze drukke en uitdagende carrière, de vriendinnen, het heen en weer geren en gerij en onze sportclub.

Kinderen vragen veel tijd van ons en ook om duidelijke grenzen en regels en aandacht. Dit combineren is een hele taak voor de ouders, gelukkig kunnen we elkaar hierin steunen en bij elkaar aankloppen. Maar laten we de “ettertjes”, en de “fuckertjes” en “had ik maar geen kinderen” even weglaten uit onze kranten en op Facebook. Ik vrees dat dit van ons geen betere opvoeders maakt en onze kinderen niet die doses zelfvertrouwen geeft die we hen zo graag zouden geven. Ook Siska heeft dit ideaal en dat is prachtig van haar. Het mooiste cadeau dat ik als kind kreeg van mijn ouders was: zelfvertrouwen.


Erika Van Tielen: “Dat rozewolkengedoe is bullshit”

Nieuwsblad – 19 oktober 2015

“Wie die roze wolk heeft uitgevonden, die moet eraan”, verkondigde Studio Brussel-presentatrice Siska Schoeters vorige week over het moederschap. Nu geeft ex-collega Erika Van Tielen, die met Happy mama haar eerste boek heeft geschreven, haar gelijk. “Niets in het leven is zwart-wit. Het moederschap evenmin”, schrijft ze in haar opiniebijdrage voor De Morgen.
Erika Van Tielen, zelf mama van twee zoontjes: Finn (4) en Rowen (21 maanden), schrijft in haar pleidooi dat Siska Schoeters een keer heel eerlijk het volledige plaatje heeft verteld. Ze vindt het een goede zaak dat het moederschap vanuit een realistisch standpunt wordt bekeken. “Het helpt om vrouwen ervan bewust te maken dat andere moeders ook worstelen, dat het oké is om te lachen en te huilen”, schrijft ze. Ze voegt eraan toe dat de zogenaamde roze wolk waar je als mama op zit vaak een illusie is. “Ik ben blij dat we de leugens de wereld aan het uitkrijgen zijn.”

Van Tielen onderstreept dat de uitspraken van Siska, die niet door iedereen begripvol werden onthaald, in het bewuste interview ook steeds gecounterd werden met een positieve noot. “Het is niet omdat je een zucht van verlichting slaakt als ze in hun bed liggen, dat je niet ongelofelijk blij bent als je hen er ’s morgens weer mag uitplukken. Uiteindelijk weet iedereen dat een leven met kinderen anders zal zijn dan een leven zonder”, schrijft Van Tielen.

Ze bedoelt daarmee dat het moederschap zowel goeie als minder goeie dagen kent. Er zijn zaken zoals werkdruk en slaaptekort, maar tegelijk ook veel liefde en zin voor relativering. Ze stelt in haar opiniebijdrage dan ook voor om altijd de beide kanten van de medaille te bekijken en zo een gezond evenwicht te vinden tussen realiteit en die Instagram-foto’s, waarop alles perfect lijkt. “Perfectie bestaat niet, zelfs niet bij schattige little fuckers”, besluit ze.


Siska Schoeters zegt wat veel mama’s denken. Of toch niet?

Het Laatste Nieuws – 17 oktober 2015

“Kinderen kunnen verschrikkelijk zijn.” In een interview in ‘De Morgen’ vertelt StuBru-stem Siska Schoeters (33) onverbloemd eerlijk over de nadelen van het moederschap. Herkenbaar voor velen, dus waarom hebben we het daar anno 2015 dan nog zo moeilijk mee?
‘Kinderen hinderen’ luidt één van de levenswijsheden van Siska Schoeters in de Zeno-rubriek ‘De 10 waarheden’ van ‘De Morgen’. De Studio Brussel-presentatrice is mama van Lucien (4) en stiefmama van Leon (11) en Martha (9), die ze – voor alle duidelijkheid – ongelofelijk graag ziet. Maar dat neemt niet weg dat ze soms denkt ‘Lucien moet nu echt even weg. Niet eventjes, maar lang’. Of: ‘had ik maar geen kinderen’. “Dan kon ik met mijn vrienden een terrasje gaan doen, ladderzat worden en daarna Chinees gaan eten.” Of: “Het mooiste moment van de dag is toch vaak het moment waarop je je kinderen in bed legt en denkt: Yes! Ik ben voor minstens zeven uur van die kleine fuckers verlost!”

Onverbloemd eerlijk dus. Zelfs vriend Tomas De Soete zei voor publicatie dat ze het wel hard had verwoord. Maar dat vindt Schoeters net goed. “Dit is mijn ervaring, goed en minder goed.” Het is net problematisch, zegt ze, dat je sommige dingen niet mag zeggen omdat het niet goed staat.


Opinie: “Help! Mijn kind wil op facebook!”

Sociaal.net – 14 oktober 2015

Sociale media zijn meer en meer aanwezig in het leven van kinderen. Binnen het welzijnsveld is er consensus dat we kinderen moeten begeleiden bij het gebruik van sociale media. Vanuit die gedachte doen sociaal werkers aan mediaopvoeding. Maar zijn gezinnen echt geholpen met dit advies?

LEEFTIJDSGRENS?
Sociale media als Facebook, Snapchat en Instagram hanteren een leeftijdsgrens. Kinderen jonger dan dertien mogen er niet op.

Dat mediagiganten deze leeftijdsgrens opleggen, heeft weinig te maken met pedagogische overwegingen. Het is de Amerikaanse COPPA-wetgeving die verbiedt om gegevens van -13 jarigen te gebruiken voor commerciële doeleinden.

“35% van de Vlaamse 9 tot 12-jarigen zit op Facebook.”

Dit verbod is echter gemakkelijk te omzeilen. In 2014 had liefst 35% van de Vlaamse 9 tot 12-jarigen een profiel op Facebook, soms met en soms zonder medeweten van ouders.

GELOVEN WE WEL IN OUDERS?
Uit pedagogische hoek krijgen ouders soms het advies om samen met hun kind een profiel aan te maken, eventueel voordat ze de leeftijdsgrens bereikt hebben. Op die manier vermijden ze dat kinderen achter hun rug een profiel aanmaken. Ouders weten dan wat er gebeurt. Ze kunnen ingrijpen wanneer het dreigt fout te lopen.

Maar wanneer ouders toestaan dat hun kind jonger dan 13 jaar een Facebookprofiel aanmaakt, staan ze ook toe dat kinderen liegen over hun leeftijd, dat ze valse persoonsgegevens verstrekken.

Het gaat er dus niet alleen om of die leeftijdgrens op zich al dan niet pedagogisch noodzakelijk is. Het gaat ook om de normen en waarden die je als ouder of sociale professional meegeeft.

“Mag je liegen als dit je uitkomt?”

Juridisch is liegen over je leeftijd niet helemaal onschuldig. Het zet de pedagogische ouder-kind relatie van meet af aan onder druk. Als ouder geef je de boodschap dat je mag liegen wanneer dat handiger uitkomt.

ONDERMIJNEN
En andersom. Als we er toch van uitgaan dat kinderen het achter de rug van hun ouders doen, wat zeggen we dan eigenlijk? Dat wat ouders beslissen er niet toe doet? Op deze manier ondermijnen we ouderschap, eerder dan het te ondersteunen. Daar is geen enkel gezin bij gebaat.

Wanneer we willen dat ouders mediaopvoeding opnemen, dan moeten we ze de boodschap meegeven dat we geloven dat ze dat kunnen.

Europees onderzoek toont bovendien aan dat jong-adolescenten een verbod van ouders niet zomaar naast zich neerleggen. Hoe jonger het kind, hoe groter de kans dat het zich aan gemaakte afspraken houdt. Het is dus belangrijk om ander advies te verstrekken aan ouders van -13 jarigen, dan aan ouders met oudere kinderen.

KAN PEDAGOGIE ZONDER GRENZEN?
Professionelen in het mediawijsheidsveld zijn het erover eens dat een actieve mediatie het best is voor een kind. Actieve mediatie wil zeggen dat ouders betrokken zijn en interesse tonen in het mediagebruik van kinderen. Een open en positieve dialoog is belangrijk.

“Toon interesse in het mediagebruik van je kind.”

Restrictieve mediatie komt veel minder goed uit de bus. Wanneer kinderen te veel controle krijgen en te weinig mogen, dan leren ze niet omgaan met media. Ze kunnen onvoldoende gebruik maken van mogelijkheden, ze zien de risico’s niet. Bovendien hebben kinderen die louter restrictief benaderd worden, sterker de neiging om aan de ouderlijke controle te ontsnappen.

INTERNET MAAKT GEEN ONDERSCHEID
Restricties kregen een negatieve connotatie. Het is bijna een vies woord. Toch kunnen restricties zinvol zijn en horen ze thuis binnen actieve mediatie.

Het gaat dan vooral om de manier waarop grenzen opgelegd worden. Zijn ze zinvol? Worden ze voldoende verantwoord en besproken met kinderen? Worden alternatieven aangeboden? Wordt er rekening gehouden met de ‘zich nog ontwikkelende capaciteiten’ van het kind?

Het internet maakt geen onderscheid naar leeftijd. Facebook houdt geen rekening met de ‘zich nog ontwikkelende capaciteiten’ van kinderen. Het is aan ouders en opvoeders om daarin te bemiddelen en dat kan aanvankelijk restricties inhouden.

Ouders kunnen die grenzen gradueel versoepelen naarmate kinderen vaardiger worden of bepaalde leeftijdsgrenzen overschrijden.

GEEN PLEIDOOI TEGEN
Zinvolle beperkingen hebben dus zeker een plaats binnen mediaopvoeding. “Wij willen niet dat je online over je leeftijd liegt om een Facebookprofiel te maken”, kan zo’n zinvolle restrictie zijn.

Wanneer je dit aanvult met “Zullen we samen een Ketnet-profiel maken?”, dan geef je een leeftijdsaangepast alternatief en verhoog je de kans dat je kind de getrokken grens respecteert.

Dit is geen pleidooi tegen sociale media, veeleer een pleidooi voor het ondersteunen van ouderschap. Laat ons aan ouders vooral niet zeggen dat hun kinderen toch niet luisteren. Maar laten we ouders uitrusten met inzicht en vaardigheden om actief te kunnen mediëren, in dialoog met kinderen.

GEZINNEN REKENEN OP UW SOLIDARITEIT
Het internet is fenomenaal. Hoe kan iemand dat overzien? “Het is teveel, het is te groot”, zo zeggen ouders vaak. En ze hebben gelijk. Het is de hele wereld in één klik.

Is het alleen de verantwoordelijkheid van ouders om kinderen daar veilig gebruik van te laten maken? Ouders voelen zich terecht machteloos en sommige ouders geven het al bij voorbaat op. Dat is een spijtige zaak.

Ouders sensibiliseren en ondersteunen is belangrijk. Maar er is meer. We hebben met z’n allen een morele plicht om zorg te dragen voor de veiligheid en leefbaarheid van sociale media.

“Wat we doen, heeft meer effect dan wat we zeggen.”

Sociale media geven ieder van ons een stem, maar gebruiken we die voldoende? Gebruiken we ze bewust, in de wetenschap dat kinderen en jongeren meeluisteren? Sommigen van ons wel, en dat geeft hoop. Kinderen en jongeren hebben rolmodellen nodig. Wat we doen, heeft immers meer effect dan wat we zeggen

WARME OPROEP
Daarom is dit ook een warme oproep aan het adres van sociaal werkers, opvoedingsondersteuners, opvoeders en andere sociale professionals. Laat je stem en persoonlijkheid klinken op sociale media.

Daarvoor moet je geen internet-genie zijn. Kennis van privacy-instellingen, het besef dat volledige privacy op internet niet bestaat, een portie gezond verstand en respect voor anderen brengen je al een heel eind.

Ook een uitschuiver is het einde van de wereld niet. Hoe we daarmee omgaan, zegt veel over wie we zijn. Daarvan kunnen kinderen en ouders leren.

EEN GETUIGENIS TER INSPIRATIE
Het ‘Facebook Vriendschap Manifest’ beschrijft het soort Facebook-vriend dat ik wil zijn: een vriend en ouder die zijn verantwoordelijkheid neemt om van sociale media een plezierige, veilige en vriendelijke plek te maken, ook voor jong-adolescenten.

Het is een kleine steenworp in het water, maar hopelijk deinen de rimpels uit tot een beweging van Facebookgebruikers die hun verantwoordelijkheid opnemen. Laten we samen rolmodellen zijn voor jongeren. Laten we van die alom aanwezig sociale media een plek creëren waar het fijn en veilig vertoeven is, ook voor kinderen. Dat hebben gezinnen echt nodig.


Belgische mannen hebben meer vrije tijd dankzij klassiek rollenpatroon

Knack – 12 oktober 2015

Ondanks alle berichten over de snel veranderende samenleving, is het leefpatroon van de Belgen de voorbije 15 jaar nauwelijks veranderd. Ook de traditionele rolpatronen blijven overeind.

Dat blijkt uit het “Tijdsbestedingsonderzoek 2013” van de federale overheidsdienst Economie en de onderzoeksgroep TOR van de Vrije Universiteit Brussel.

“Het opvallendste aan het onderzoek is waarschijnlijk dat er relatief weinig verandering is. Er zijn weinig grote evoluties, ondanks alles wat er gezegd wordt over de snel veranderende wereld”, zei VUB-professor Ignace Glorieux bij de voorstelling van het onderzoek in Brussel. Zo blijkt een gemiddelde dagindeling er nog altijd zo uit te zien als in 1999.

Tussen 22 en 6 uur liggen de meeste mensen in bed, en de arbeidstijd situeert zich voor de meesten ergens tussen 6 en 19 uur. Die arbeidstijd omvat niet alleen betaald werk, maar ook bijvoorbeeld het huishouden verzorgen en zorgen voor de kinderen. Vanaf 19 uur en tot de bedtijd volgt de periode recreatieve tijd. Die omvat sociale participatie verenigingsleven, sociale contacten …) en vrije tijd (sport, hobby, lezen, enz.).

Met z’n allen voor de beeldbuis

Opvallend in de vrije tijd is dat televisie een uiterst dominante positie blijft innemen. Meer dan de helft van onze vrije tijd zitten we voor de beeldbuis, ondanks de opkomst van fenomenen als smartphones, tabletcomputers, Netflix, uitgesteld tv-kijken, Facebook en Twitter. “Nieuwe en sociale media worden eerder secundair gebruikt, op de achtergrond. Ze palmen niet de tijd van andere activiteiten in”, aldus Glorieux.

Wie uitgesteld naar tv kijkt, doet dat net als de gewone televisiekijkers tijdens de avondlijke vrijetijdsuren. “De minister van Cultuur zou zich eigenlijk vooral moeten bezighouden met televisie”, duidde Glorieux de dominante positie van de beeldbuis, “want de rest van de cultuur is peanuts. Op een zaterdagavond, het topmoment voor cultuur, gaat het om amper 3 procent van de Belgen, terwijl op een weekdag om 21 uur ‘s avonds meer dan de helft van de Belgen tv kijkt.”

Grosso modo is de gemiddelde Belg bijna de helft van de tijd bezig met wat de onderzoekers noemen de “reproductieve tijd”, of de tijd nodig om het lichaam te onderhouden. Dat omvat slapen en rusten, persoonlijke verzorging, en eten en drinken. Bijna een kwart is “productieve tijd” (betaald werk, huishouden, kinderzorg, opvoeding en opleiding) en nog eens bijna een kwart bestaat uit recreatieve tijd. De rest – ruim een uur per dag – gaat op aan verplaatsingen. Het onderzoek ontkracht voorts verhalen als zouden we door alle druk minder lang in bed liggen, minder tijd maken om te eten en te drinken, of minder tijd hebben voor de kinderen. Alleen de sociale participatie blijkt wel lichtjes af te nemen.

Sociaal contact

De mensen brengen meer tijd door met gezinsleden en hebben iets minder contacten met mensen buiten het gezin, zo blijkt. Dat is geen teken van vereenzaming, benadrukte Glorieux. Hij wijst erop dat er meer tijd wordt besteed aan elk sociaal contact, en dat het mogelijk is dat nieuwe media ervoor zorgen dat er minder behoefte is aan face-to-facecontacten.

Dat alles wil niet zeggen dat er niet méér druk kan zijn dan vroeger. Het onderzoek gaat immers vooral over de tijd die we aan verschillende zaken spenderen, en zegt niets over de druk die we daarbij voelen. Het is mogelijk dat we even lang werken als vroeger, maar intensiever, of dat we meer zijn gaan multitasken wanneer de tv aanstaat, aldus de professor. “Het kan wel dat we meer opgejaagd zijn” door allerlei extra prikkels van bijvoorbeeld sociale media. Nog een gevolg van de vaststelling dat er weinig verandert aan de tijdsbesteding van de Belg, is dat de traditionele rolpatronen bevestigd worden.

Genderverschillen in vrije tijd

Mannen besteden ruim 6 uur meer aan betaald werk per week, maar vrouwen zijn 8 uur meer bezig met het huishouden en nog eens anderhalf uur extra met kinderzorg. Dat leidt ertoe dat mannen gemiddeld 6 uur meer vrije tijd hebben per week dan vrouwen. Die genderverschillen beginnen al van jongs af aan, zegt Glorieux. Zo zijn meisjes van 12 tot 17 jaar al gemiddeld bijna 6 uur per week bezig met het huishouden, tegen iets meer dan 4 uur voor jongens van dezelfde leeftijdsgroep, zo blijkt uit gegevens uit het onderzoek. Voor het Tijdsbestedingsonderzoek 2013 hielden 5.559 Belgen van 10 jaar en ouder gedurende twee dagen hun tijdsbesteding gedetailleerd bij in een dagboekje


Partnergeweld gebeurt vooral bij jongeren

De Morgen – 11 oktober 2015

Partnergeweld komt het vaakst voor bij jonge koppels tussen 18 en 35 jaar. En dan gaat het niet alleen om fysiek geweld maar ook om psychisch geweld, meldt Het Nieuwsblad. Schelden of overdreven controleren wordt door jongeren vaak niet als een probleem gezien, zegt Sofie De Neve van vrouwenbeweging Viva-SVV.

Uit cijfers van de politie blijkt dat fysiek geweld lang niet de enige vorm van partnergeweld is. In de helft van de gevallen gaat het om psychisch geweld. Met een nieuwe campagne willen vrouwenverenigingen Zij-kant, Viva-SVV en de vzw Zijn pschychisch geweld vroeg detecteren.

“Het gaat vooral om verbaal geweld: roepen, schelden, vernederen”, aldus Vera Claes van Zij-kant. “Of je partner controleren in alles wat hij of zij doet.” Vaak begint psychisch geweld ‘onschuldig’, het is dan ook van belang om het vroeg op te merken.

Met een ‘relatietest’ willen de vrouwenbewegingen nagaan of er iets fout zit in de relatie van jongeren.


Daarom reageren mannen en vrouwen anders op overspel

Nieuwsblad – 9 oktober 2015

Als mannen en vrouwen in bed duiken met een ander, zijn dames over het algemeen minder jaloers dan mannen. Vrouwen vinden emotioneel bedrog veel erger dan seksueel contact. Dat blijkt uit een recente studie waaraan zowel de University of Science and Technology in Noorwegen en de universiteit van Texas aan meewerkte.
Een team evolutionaire psychologen vroeg aan 1074 mannen en vrouwen en wat ze vonden van relationele ontrouw. Daaruit blijkt dat er een groot verschil is tussen beide geslachten. Dames vinden fysiek overspel minder erg dan de emotionele variant. Voor mannen geldt dat niet: zij vinden lichamelijk contact veel erger.

Volgens de vorsers kan dit gedrag verklaard worden door het te bekijken vanuit een evolutionair perspectief. Al sinds het begin van de mensheid willen mannen weten of zijn kinderen echt van hem zijn. Dat vindt hij nodig om zeker te zijn dat het de moeite is om zijn tijd te investeren in moeder en kind. Mannen gebruiken hun jaloezie als het ware als een techniek om te voorkomen dat hun vrouw vreemdgaat en dat ze een kind krijgt met een ander. Vrouwen zijn evolutionair ‘geprogrammeerd’ om bescherming te zoeken. Ze vinden romantiek en verliefdheid de grootste bedreiging voor hun relatie omdat die veilige cocon misschien wel zal wegvallen.

Het is niet de eerste studie die dit verschil tussen man en vrouw duidt. In januari maakten onderzoekers aan de universiteit van Chapman in het Californische Orange dezelfde conclusie. ‘Heteroseksuele mannen onderscheiden zich echt van alle andere groepen. Zij zijn de enige die meer van streek zijn als ze met seksueel bedrog worden geconfronteerd’, zei psycholoog en hoofdauteur van de studie David Frederick toen.


Véronique De Kock: ‘Ik huil als mijn zoon naar zijn papa moet’

Nieuwsblad – 6 oktober 2015

Op professioneel vlak is Véronique De Kock klaar voor een nieuw hoofdstuk: ze opent een eigen boetiek en presenteert bij een digitaal tv-kanaal. Ook voor haar zonen Sébastien en Maximilien gaat ze door het vuur.
Véronique is er zeker van dat ze haar drukke bezigheden zal kunnen combineren met de zorg voor haar gezin. ‘De zaak opent om tien uur en de school begin al om half negen. En ’s avonds komen ze eerst even naar hier, want de school bevindt zich toch vlak om de hoek. En mijn moeder is er ook nog altijd, om te helpen indien nodig.’

Haar jongste zoon Maximilien kreeg Véronique (38) tweeënhalf jaar geleden met haar tweede echtgenoot Fabien. Haar eerste zoon Sébastien (10) is de zoon van gescheiden ouders. ‘Mijn ex-man Frank en ik hebben co-ouderschap over hem en de week dat hij bij mij is, gaat al mijn aandacht daar hem. Ik voed hem best streng op, zoals mijn ouders mij hebben opgevoed.’

Toch verloopt het co-ouderschap voor Véronique niet zonder slag of stoot. ‘De week dat Sébastien niet bij mij is, dat is de hel voor mij. Dan gooi ik mij op mijn werk. Als hij op zondag vertrekt naar zijn papa, dan barst ik telkens in tranen uit. Een kind weghalen bij zijn moeder voelt heel onnatuurlijk aan. Gelukkig is Séba zelf dat heen-en-weergedoe gewoon. Maar in het begin waren het drama’s en leed hij er ook onder. Nu kan hij wel gemakkelijk de knop omdraaien.’

Uit haar turbulente en veelbesproken huwelijksleven trekt Véronique alvast deze les. ‘Als je kinderen hebt, denk je toch best twee keer na voor je uit elkaar gaat. Het verdriet dat erbij komt kijken, wil ik niet nog eens meemaken. Alles staat bij mij in functie van mijn kinderen en de rest is bijzaak.’


Belgische jongeren krijgen smartphone vanaf 13 jaar

Datanews – 5 oktober 2015

In België bezit meer dan 80 procent van de jongeren tussen 13 en 16 jaar een smartphone. Bijna de helft van de Belgische ouders houdt maandelijks toezicht op de kosten van het verbruik.

Dat blijkt uit een onderzoek van Frans smartphonemerk Wiko en studiebureau iVox. Voor het onderzoek werden 2.687 Belgen online ondervraagd.

De voornaamste reden voor de aankoop van de eerste smartphone verschilt in het noorden en het zuiden van het land. In Vlaanderen bezit 51,5 procent van de jongeren een smartphone omdat er simpelweg om gevraagd hebben. In Wallonie is bereikbaarheid bij noodgevallen de hoofdreden (46,6 procent)

Begeleiding door de ouders

Van de Belgische ouders maakt 76 procent zich geen zorgen over het smartphonegebruik van hun kinderen omdat ze hen hierin begeleiden. Bijna de helft van de Belgische ouders houdt maandelijks toezicht op de kosten van het verbruik.

Het gebruik van de telefoon wordt verder ook veelal besproken. Tachtig procent van de ouders spreekt met hun kinderen over sociale netwerken en bijna zeventig procent heeft het over het gebruik van apps. Meer dan de helft van de ouders is ervan overtuigd dat een smartphone helpt bij de ontwikkeling van hun kind.

Ouders zijn niet helemaal mee

Ondanks hun goede wil lijken ouders toch enigszins achter te lopen op de realiteit. Volgens de ouders gebruiken jongeren hun smartphone vooral om te sms’en (81 procent). Sociale netwerken en muziek beluisteren volgen op de tweede en de derde positie. “Het is interessant om te zien dat ouders denken dat hun kinderen hun smartphone in de eerste plaats gebruiken om te sms’en”, zegt Stéphane Cassiman, Country Manager Wiko Benelux. “Toch gebruikt de generatie Z al lang de smartphone vooral voor sociale netwerken, video’s en foto’s, om muziek te beluisteren en spelletjes te spelen.”


Belgische leraren bij de jongste van Europa

Nieuwsblad – 4 oktober 2015

Amper 26,8 procent van het Belgisch lerarenkorps zijn vijftigplussers. Dat blijkt uit cijfers van Eurostat. Daarmee scoort ons land zwaar onder het Europees gemiddelde. Vooral de leraren in kleuter- en lager onderwijs zijn beduidend jonger dan in de rest van Europa.
Voor de ‘Dag van de Leraar’ ging Eurostat, het statistische bureau van de Europese Unie, na hoeveel procent van het lerarenkorps ouder is dan vijftig jaar. België komt daar ietwat verrassend als één van de ‘jongste’ uit. Amper 26,8 procent van ons totale lerarenkorps zijn vijftigplussers, beduidend minder dan het Europees gemiddelde van 35,9 procent. Alleen het Verenigd Koninkrijk, Ierland, Polen en kleinere landen als Luxemburg, Malta en Cyprus tellen nóg minder oudere leraren in hun rangen.

De verklaring ligt in de eerste plaats bij het lage aantal zestigplussers, zo blijkt uit de grafieken. In geen enkel ander Europees land zijn zo weinig zestigplussers in het onderwijs aan de slag. Daarnaast zijn in ons land heel weinig vijftigplussers actief in het kleuter- en lager onderwijs. Amper 14,6 procent in het kleuteronderwijs en 21,6 procent in het lager onderwijs is ouder dan vijftig.
Bewerk bericht


 Liever een traag plan dan een vaag plan

De Standaard – 2 oktober 2015

Minister Geens vindt een ouderschapsplan na een scheiding blijkbaar wel een goed idee, maar het verplichten is voor hem een brug te ver. Zo’n plan opstellen lijkt misschien complex, maar als er middelen zijn om de situatie van kinderen van gescheiden ouders meer leefbaar te maken, moeten we die inzetten, schrijft Anja Pairoux.

Wie? Plusouder-coach en familiaal bemiddelaar.

Wat? Goede afspraken bij het begin van een scheidingsproces vermijden dat er op lange termijn vervelende zaken opduiken. Waarom zoiets niet verplichten?

Als stiefoudercoach en familiaal bemiddelaar merk ik maar al te vaak hoe partners, ouders en gescheiden partners niet kunnen of willen communiceren, waarna de kinderen het moeten bekopen. Dat bleek ook op de studiedag ‘Gezinstransities vanuit het perspectief van de kinderen’. Vanuit hun machteloos gevoel vragen jongeren oplossingen aan de politici, opdat hun ouders er niet een nog grotere ellende van maken. Het zijn de kinderen die uiteindelijk het slachtoffer worden van alle goeie bedoelingen van hun scheidende, nochtans in het belang van de kinderen denkende, ouders. Het zijn de ouders die niet altijd weten hoe ze dan wel goed moeten doen. Hun kijk op de zaak wordt steeds vertroebeld door hun emoties en het gemis van de kinderen.

Een ouderschapsplan opstellen zou de echtscheidingsprocedure vertragen, vindt CD&V-minister van Justitie Koen Geens (DS 30 september) . Is dat zo? Zo’n plan opstellen is inderdaad niet evident. Maar als de scheidende ouders vooraf niet de tijd nemen om stil te staan bij de gevolgen van hun scheiding, zullen ze dat achteraf wel doen? Helaas wordt de prijs achteraf pas betaald, door problemen die zich naderhand voordoen en waar op voorhand niet voldoende aandacht aan geschonken werd. Een bemiddelaar of een coördinator is het best geplaatst om ouders te ondersteunen in hun zoektocht naar oplossingen waar beide ouders achterstaan en die álle belangen behartigen.

Geloofsleer, sporten, scouts

Een scheidingsproces kan nu wel vlotter afgehandeld worden dan voordien, maar als de wonden van de scheiding nog niet geheeld zijn, hoe kan er dan met een klare kijk naar de toekomst van de kinderen gekeken worden? Beide ouders vinden het belangrijk dat zij hun waarden en normen kunnen meegeven aan hun kinderen, dat ze de nodige tijd kunnen spenderen en een band kunnen opbouwen met hun kinderen. Ouders kiezen wel voor co-ouderschap (niet te verwarren met co-verblijfsregeling), maar achteraf wordt er dikwijls niet meer afgesproken. Co-ouderschap is nog te dikwijls een theoretisch gegeven, waarvan in de praktijk weinig te bespeuren valt.

Het is de bedoeling dat je concrete afspraken maakt over zaken die de huiselijke sfeer overstijgen, zoals schoolkeuzes, geloofsleer, sporten, scouts, verdeling van kosten, gezamenlijke aankopen voor schoolmateriaal. Al die zaken kunnen, met een klare kijk, vooraf besproken worden. Het zal best dat dit het proces vertraagt, maar als er geen goede afspraken gemaakt kunnen worden bij de start van het scheidingsproces, dan komen deze zaken op lange termijn weer naar boven. In het slechtste geval volgt opnieuw een gerechtelijke procedure. Met een ouderschapsplan wordt een fundament gelegd voor de nieuwe samenlevingsvorm die beide ouders opnieuw met hun kinderen moeten uitbouwen.

Ook moet er aandacht gaan naar de nieuwe dynamieken die zich in de toekomst zullen voordoen. Kinderen zijn geen statisch gegeven. Ze groeien op en hun behoeften veranderen naargelang van hun leeftijd. Daarnaast tonen studies aan dat 80 procent van de gescheiden ouders binnen de 5 jaar een nieuwe relatie heeft. Een nieuwe partner, een stiefouder, in het leven van de kinderen, ook dat vergt aandacht in het ouderschapsplan.

Rechtbank versterkt het conflict

Het resultaat is veel duurzamer als ouders hard hebben gewerkt aan een gezamenlijke oplossing waar ze allebei achter staan. Een oplossing die uit henzelf is gekomen en waarbij ze de meerwaarde voor hun kinderen waarmaken. Iedereen wint als dit fundament is gelegd om verder op te bouwen. Ouders leren zo ook dat ze toekomstige conflicten zelf kunnen oplossen, samen als ouders.

Als ouders echter naar een rechtbank moeten stappen om een regeling te treffen, is er alleen sprake van winnaars en verliezers, en een conflictversterkend effect. Bij elke nieuwe discussie start opnieuw een lange lijdensweg van procederen en strijden. Iemand kan zich dan wel de winnaar voelen, maar dat gevoel is van korte duur, want de kinderen worden niet gelukkiger van strijdende ouders. En ouders worden niet gelukkig van lijdende kinderen. Iedereen verliest in zo’n situatie.

Minister Geens besloot heel wijs: ‘Kinderen hebben recht op ouders, niet omgekeerd, en het is een plicht voor de ouders om geen ruzie te maken en te zorgen dat ze zelf gelukkig zijn, want kinderen willen alleen maar dat hun ouders allebei gelukkig zijn.’


 

Radio1 Hautekiet – 1 oktober 2015

Over ouderverstoting


‘Ook België moet roken in auto in bijzijn kinderen verbieden’

De Standaard – 30 september 2015

De federale regering moet roken in de auto in het bijzijn van kinderen verbieden. Roken in de auto veroorzaakt immers tot 27 keer hogere concentraties aan kankerverwekkende stoffen dan roken in huis. Dat zegt de Nationale Coalitie tegen Tabak woensdag.

Roken in de auto is erg schadelijk en volgens Hedwig Verhaegen van de Coalitie volstaat een autoraampje openzetten niet om de stoffen te verwijderen. ‘Meeroken is ongezond voor iedereen, maar kinderen zijn extra gevoelig. Ze ademen sneller en hun immuunsysteem, longen en luchtwegen zijn nog volop in ontwikkeling. Meeroken maakt kinderen vatbaarder voor long- en hersenvliesontstekingen, chronische bronchitis, en oorontstekingen. Het verergert astma en verhoogt ook hun risico om later kanker en hart- en vaatziekten te ontwikkelen’, legt Verhaegen uit.

Steeds meer landen voeren daarom een rookverbod in de auto in als kinderen meerijden. Buiten Europa is een dergelijk rookverbod al van kracht in onder meer enkele Amerikaanse staten en Canadese provincies, in Australië en in Zuid-Afrika. In Europa rijden kinderen intussen al rookvrij mee in Frankrijk, Ierland en vanaf 1 oktober ook in Engeland en Wales.

De Nationale Coalitie tegen Tabak roept de federale regering op om het voorbeeld van onze buurlanden te volgen en ook werk te maken van een rookverbod in de auto in het bijzijn van kinderen. ‘Inzake controle zien we geen enkel probleem: zo’n wet is even goed te controleren als het verbod op gsm’en achter het stuur’, besluit Verhaegen.


Nanny naar huis gestuurd om dochters te kunnen vermoorden

Het Laatste Nieuws – 29 september 2015

Tegen buren en kennissen had Mireille Gram (48), dochter van zakenman Tony Gram, onlangs nog haar gal gespuwd over de man die haar had verlaten, de vader van haar kinderen. “Hij is ervandoor met mijn miljoenen en met één van mijn vriendinnen.” De vrouw probeerde zondagnacht haar 14-jarige tweeling te doden in hun slaap.

Ooit vormde Mireille met haar echtgenoot Danny en hun tweelingdochters een gelukkig gezinnetje. Met veel geld. Heel veel geld. Mireilles vader Tony Gram is immers de man die een fortuin verdiende door het tassenmerk Kipling te kopen en te verkopen. Twee kéér, overigens. Zijn vermogen wordt geschat op 168 miljoen euro.

De kinderen kwamen niks te kort. Financieel dan toch niet, want bij het gezin boterde het al geruime tijd niet meer. Mireille was ook al vele jaren ziek. Veel kennissen en intimi die we gisteren spraken, vertelde hoe de vrouw in het verleden – toen de tweeling nog klein was – de kinderen al eens had proberen te verdrinken. De gevolgen van een postnatale depressie. Mireille was overigens in behandeling voor haar psychische problemen.


Eén op drie kinderen bezit een eigen tablet

Het Belang van Limburg – 28 september 2015

Een vierde van de Vlaamse kinderen is meer dan twee uur per dag ter ontspanning bezig met een tablet, smartphone of computer. Een op de drie kinderen tussen 6 en 18 jaar heeft zelf een tablet. Dit blijkt uit een grootschalige opvoedingsenquête van onderzoeksbureau Ivox, in opdracht van Het Belang van Limburg.
In het onderzoek werden 1.000 Vlaamse en 350 Limburgse ouders van kinderen tussen 6 en 18 jaar bevraagd.

Hoe ouder het kind, hoe langer de schermtijd, zo blijkt nog uit de enquête. Van de 6- tot 9-jarigen is 27 procent meer dan een uur per dag met schermpjes bezig. Voor bijna de helft van de zestienplussers is dat meer dan twee uur.

In Limburg ligt de schermtijd zelfs nog hoger dan globaal in Vlaanderen: 61 procent van de Limburgse kinderen is meer dan een uur per dag actief, tegenover 55 procent in Vlaanderen.

Voorts blijkt dat 8 op de 10 gezinnen een tablet in huis heeft. De helft van de kinderen heeft een eigen smartphone en 60 procent is actief op sociale media als Facebook of Instagram.


Slechts 1 op 5 leerlingen kan zijn lunch op school koel bewaren

Knack – 24 september 2015

Minder dan 1 op 5 kinderen heeft de mogelijkheid om zijn lunch koel te bewaren en slechts 10 procent moet op school verplicht zijn handen wassen voor het eten.

Voedselveiligheid op school krijgt nog niet de aandacht die het verdient van ouders, leerkrachten en directie. Minder dan 1 op 5 kinderen heeft de mogelijkheid om zijn lunch koel te bewaren en slechts 10 procent moet op school verplicht zijn handen wassen voor het eten. Dat blijkt uit onderzoek van Tetra Pak.

Tetra Pak, dat actief is in voedselverwerkings- en verpakkingsoplossingen, deed samen met GoodPlanet, een organisatie die jongeren en volwassenen duurzaam leert leven, in juni een nationale bevraging bij 350 kinderen tussen 8 en 12 jaar waarin gepeild werd naar voedselveiligheid en hygiëne op school.

Milieuvriendelijk

Vaak geven ouders milieuvriendelijke verpakkingen mee naar school maar vergeten ze daarbij de hygiëne. Zo verkiest een meerderheid van de ouders (65 procent) om een brooddoos mee te geven, maar maakt 1 op de 10 ouders deze niet dagelijks schoon. Een brooddoos of drinkbeker een hele voormiddag in een warm klaslokaal laten liggen, is volgens Tetra Pak niet erg hygiënisch. ‘Toch heeft 4 op de 5 leerlingen niet de mogelijkheid om zijn of haar lunch koel te bewaren’, zegt Birgit Kamp van Tetra Pak.

Nauwelijks 1 op de 10 leerlingen heeft een plaats in de klas of op school om zijn drinkbeker koel te houden. ‘Vooral in de zomer wanneer het buiten warm is, moeten ouders en leerkrachten extra aandacht besteden aan voedselhygiëne’, zegt Kamp.

Handen wassen

Handen wassen voor het eten blijkt meer een gewoonte thuis te zijn dan op school. Ruim 3 op de 4 kinderen heeft de gewoonte om thuis de handen te wassen, terwijl ze dat op school beduidend minder vaak doen (37 procent).

Tetra Pak roept scholen op om kinderen te informeren en te sensibiliseren over het belang van hygiëne en veilig omgaan met voedsel. ‘Kleine aanpassingen, zoals een koelkast of koelruimte voor de brooddozen, dagelijks brooddozen afwassen en kinderen verplichten om hun handen te wassen, dragen bij tot een voedselveilige schoolomgeving’, aldus Kamp.


Kindergeld als instrument

Knack – 24 september 2015

‘Is elk kind gelijk in die mate dat de kinderbijslag die gelijkheid moet weerspiegelen? Niet zonder meer’, vindt Louis Ide (N-VA). Hij stelt voor om het kindergeld te koppelen aan betrokkenheid in de samenleving, bijvoorbeeld aan de werking van Kind & Gezin.

Elk kind is gelijk. Dat klinkt goed. Maar nog niet zo lang geleden was het kind van een zelfstandige niet gelijk aan een kind van een arbeider. Ondertussen bestaat die arbeider niet meer: iedereen gelijk. En ook in het onderwijs willen sommigen een brede eerste graad om iedereen kansen te bieden, want iedereen is gelijk. Sommigen zullen nu roepen dat net het wegwerken van deze ongelijkheid sociale vooruitgang betekent, maar is dat wel zo?

Eerst en vooral, als gelijkheid betekent ‘nivellering naar onder’, zoals sommigen in het onderwijs doen, dan creëer je achteruitgang. In Frankrijk experimenteerde men in het onderwijs in die zin, met desastreuze gevolgen. We zijn niet gelijk en elk kind moet kunnen excelleren. Het is net deze ongelijkheid die er voor zorgt dat talenten zich kunnen ontplooien. De prima loodgieter zal evengoed zijn brood verdienen vandaag als de huisarts.

Is elk kind dan gelijk in die mate dat de kinderbijslag die gelijkheid moet weerspiegelen? Niet zonder meer. Het debat rond kinderbijslag wordt vandaag toegespitst op de asielcrisis, maar het is veel ruimer dan dat, hoewel het er wel een onderdeel van is. Er zijn twee essentiële zaken: demografie en betrokkenheid. Kindergeld is namelijk ook een instrument dat het individuele kind overstijgt.

Het gaat dus ook over demografie, de bevolkingsexplosie, de stromen van mensen in de wereld. Filosoof Etienne Vermeersch pleit er al lang voor om bevolkingsgroei tegen te gaan, om zo het welvaartsniveau van de wereldbevolking te kunnen verbeteren. Nu weet ik ook dat Vlaanderen maar een klein aandeel in de wereldbevolking heeft. Maar Vlaanderen heeft altijd al de capaciteit gehad om nieuwe ideeën te verspreiden. Als wij al een eerste stap nemen in een nieuwe visie op bevolkingsgroei, kunnen anderen volgen. Wie deze stelling bekritiseert moet immers ook het belang van het aandeel CO2 dat Vlaanderen produceert in de wereld relativeren, en dat doen we niet.

Het lijkt mij dus logisch om binnen dit kader ook eens na te denken over demografie. En dus is het ook gelegitimeerd om de impact van migratie hierin mee te nemen. In Frankrijk wordt kinderbijslag al lang gelinkt aan een demografische politiek. De militaire nederlagen tijdens de wereldoorlogen deden de Fransen nadenken over hun trage bevolkingstoename. Duitsland kon volgens hen Frankrijk domineren, omdat het meer inwoners had en dus meer arbeiders en soldaten kon aanleveren. Frankrijk moest terug de grootste bevolking van Europa hebben. Er werd een genereus subsidiesysteem voor gezinnen met kinderen opgezet, gekoppeld aan een flexibele migratiepolitiek.

Dit ging veel verder dan enkel kinderbijslag. Wie volop wilde genieten van de Franse welvaartsstaat, moest kinderen hebben. Het beoogde doel werd bereikt. De naoorlogse babyboom was veel groter in Frankrijk dan in de meeste landen. En nog steeds krijgen Fransen meer kinderen. Men verwacht dat Frankrijk in 2050 Duitsland zal voorbijsteken op vlak van bevolking. De Britten, die op weg zijn de grootste Europese bevolkingsgroep te worden, proberen nu het tij te doen keren via een twee-kind-politiek. Met andere woorden: er zijn argumenten om kindergeld als instrument te gaan gebruiken voor demografische doelen zowel nationaal als internationaal.

Onmisbaar in dit systeem zijn, ten tweede, vertrouwen en betrokkenheid. Kinderbijslag betrekt mensen bij de samenleving. Zowel de betalers als de ontvangers. Er is een gevoel van wederkerigheid. Rechten en plichten. Men draagt bij aan het systeem met het besef dat, indien nodig, men er ook zal door gesteund worden. Het is een collectief engagement van de samenleving om iedereen die mee bijdraagt aan het systeem de nodige steun te verzekeren op het moment dat hij of zij die nodig heeft. Het systeem mag ook iets terugvragen in naam van de gemeenschap en in het belang van de gemeenschap. Als het van mij afhangt wordt kinderbijslag gekoppeld aan de werking van Kind & Gezin.

Op die manier probeer je ouders nog meer te overhalen om gebruik te maken van de kosteloze diensten (zoals vaccinatie) van Kind & Gezin in het belang van het kind en de hele gemeenschap. Ook schoolgeld kan op die manier als instrument worden gebruikt om ouders aan te zetten tot het respecteren van de leerplicht. Ook hiermee bewijzen we de kinderen een dienst. Met andere woorden: we moeten een gezinsbeleid voeren met ons ‘kindergeld’. Het kindergeld als instrument.

In dit kader zorgt de kinderbijslag voor mensen die niet betrokken zijn bij die gemeenschap (doordat ze totaal nieuw zijn of het grondgebied hebben verlaten) wel degelijk voor een probleem. De generositeit van het sociale zekerheidsmodel is bepalend in de migratiestroom. Via sociale media en informatie die voorzien worden door mensensmokkelaars, zijn de migranten op de hoogte van de verschillen in de sociale zekerheid.

Juist daarom zijn Zweden, Duitsland, Nederland en België uitverkoren bestemmingen van de mensenstroom. Het probleem is dat ze deze mensen ruime uitkeringen kunnen ontvangen zonder dat ze er zelf hebben aan bijgedragen. Dit ondergraaft het vertrouwen in het systeem van mensen die er wel aan bijgedragen hebben. En dat draagvlak is noodzakelijk om het systeem overeind te houden. Bovendien is er nog geen sprake van die noodzakelijke betrokkenheid. Nieuwkomers zijn nog niet ingewerkt in de maatschappij. Ze zijn nog niet ingekapseld in ons sociaal weefsel. Kinderbijslag wordt dan al snel beschouwd als een cadeau dat uit de lucht komt gevallen. Als een extraatje boven op een loon of uitkering.

Vandaar de noodzaak om dit te koppelen aan de mate van integratie in de maatschappij. In het voorstel van Sarah Smeyers is dit de duur van verblijf in ons land (voor elke Belg trouwens), als eerste vereiste voor integratie. Omwille van hun deelname aan onze samenleving kunnen migranten op termijn mee genieten van onze sociale voorzieningen, niet omdat ze hier toekomen, maar omdat ze participeren en integreren. Ze worden dan medeburger van onze gemeenschap. Met andere woorden kindergeld is ook een instrument dat het individuele kind overstijgt.


‘I made my own magic’: als je single bent en een kindje wil

Nieuwsblad – 21 september 2015

Foto’s op sociale media met een lichtjes bollende buik, het is meestal duidelijk wat ze aankondigen. De foto waarmee Joke Hofmans haar grote nieuws aan haar vrienden en kennissen bracht, is niet anders. Behalve dan misschien het eerlijke bijschrift: ‘I made my own magic’. In een blog legt Joke uit waarom ze alleen mama werd en schept ze een realistisch beeld van de niet altijd even rooskleurige weg die ze aflegde.
‘Ik was 31 toen ik meter werd’, vertelt Joke. ‘Ik had altijd een kinderwens, maar dat moment was cruciaal voor mijn besluit. Ik was al een tijdje alleen, dit was mijn plan B en ik ging ervoor. Ik heb maanden nagedacht – hoe zou ik het financieel doen, hoe moet het praktisch, wie moet ik op de hoogte brengen? Ik weet dat ik nog jong ben, maar ik wilde niet wachten tot zwanger worden misschien moeilijker zou gaan’.

De procedure, met medische en psychologische screenings, was niet gemakkelijk. ‘Het moeilijkste vond ik geduld hebben. Je begint pas aan de procedure als je echt heel zeker bent en dan moet je wachten. Op het oordeel van anderen, die moeten bepalen of je klaar bent om mama te worden. En die vragen stellen als: ‘Heb je wel goed gezocht naar een man? Ben je zeker niet lesbisch?’ Toen het in Antwerpen te moeizaam verliep, startte ze opnieuw in Leuven. ‘Daar kreeg ik veel goede raad. Zo is het voor mijn kind belangrijk om toch genoeg mannen in zijn of haar leven te hebben. Als het naar school gaat, kan het beter bij een meester in de klas zitten’.

Eén jaar en ontelbaar veel doktersbezoeken later zag Joke twee streepjes verschijnen op haar zwangerschapstest. Nog eens drie maanden later mocht iedereen weten dat ze zwanger was. ‘Ik wilde open kaart spelen, maar ik was wel bang voor de reacties. Die waren tot nu toe allemaal heel leuk, ik ben verrast door zoveel steun en warmte. Ik ben nu vier maanden zwanger en volop aan het plannen: wie moet erbij zijn bij de bevalling, hoe ga ik alles regelen?’ De hoop om een man te vinden is er nog, maar de druk van de kinderwens is weggevallen.

De blog die ze in het geheim bijhield tijdens de hele voorbereiding, deelt Joke nu wel met iedereen. ‘Ik wil mijn vrienden, familie en kennissen informeren, maar ook andere vrouwen met plannen in die richting. Want je wordt stevig op de proef gesteld en je moet heel zeker zijn van je besluit. En tegelijk is het praktisch een hele uitdaging: ik wist ook niet dat je op zoveel onmogelijke momenten naar de gynaecoloog en het ziekenhuis moest. Ik wilde het zo realistisch mogelijk weergeven’.


Kinderbijslagfondsen: ‘Getalm van Vlaamse regering kan grote gevolgen hebben’

Knack – 17 september 2015

De Vereniging van Private Kinderbijslagfondsen maakt zich zorgen over het uitblijven van een beslissing van de Vlaamse regering over de kinderbijslag en trekt aan de alarmbel. ‘We vrezen dat Vlaamse gezinnen binnenkort hun kindergeld mogelijk niet meer tijdig gestort zullen krijgen’.

De kinderbijslag was tot juli 2014 een federale bevoegdheid maar werd in het kader van de zesde staatshervorming geregionaliseerd. Het is dus momenteel de Vlaamse regering die voor de Vlaming instaat, de Waalse regering voor de Waal. In afwachting tot beide regeringen zelf een systeem op poten hebben gezet, blijft het systeem echter onder de hoede van de federale overheid. Aan Waalse zijde heeft men al beslist over dit dossier, daar blijft men met de kinderbijslagfondsen verder werken. De Vlaamse regering heeft echter nog altijd geen beslissing genomen.

Voorbereiding

Die onzekerheid baart de private kinderbijslagfondsen, die nu 80 procent van de markt voor hun rekening nemen, zorgen. ‘De federale bijstand duurt tot maximaal 31 december 2019, tenzij een of meerdere partijen sneller uit het systeem stappen, met alle financiële gevolgen vandien,’ legt algemeen directeur Koen Mortier van de Vereniging van Private Kinderbijslagfondsen (VKG) uit aan Knack.be. ‘Vier jaar lijkt nog ver weg, maar aan zo’n nieuw systeem gaat heel wat organisatorische voorbereiding vooraf. We begrijpen dan ook niet waarom de Vlaamse regering zo lang blijft talmen. Bovendien kan Wallonië ten vroegste op 1 januari 2017 uit het systeem stappen, en dat is al een pak dichterbij.’

De VKG vreest voor gaten in het systeem, waardoor gezinnen hun bijdragen niet tijdig op de rekening gestort zullen krijgen, en luiden daarom de alarmbel. Uit een recente enquête van de kinderbijslagfondsen blijkt immers dat 78 procent van de Belgische gezinnen aangeeft dat de kinderbijslag een belangrijk deel van het gezinsbudget is. Bij gezinnen met een sociale toeslag stijgt dat cijfer tot 92 procent.

1.400 werknemers

Kiest de Vlaamse regering ervoor om in de toekomst zelf in te staan voor de kinderbijslag, dan dreigt dat zware gevolgen te hebben voor de sector. Mortier: ‘Als de Vlaamse regering aankondigt dat ze het huidige systeem stopzet, dan wordt het moeilijk om 1.400 mensen gemotiveerd te houden.’

De 16.479 ouders bij wie het onderzoek in juli uitgevoerd werd, vinden dat de huidige kinderbijslagfondsen het best geplaatst zijn om in de toekomst de kinderbijslag te beheren en uit te betalen. ‘Gezinnen willen dus meer en meer een beroep doen op de private kinderbijslagfondsen. Bovendien zijn ze tevreden over de huidige situatie en vragen ze om continuïteit’.

Onenigheid

Volgens Mortier sleept de beslissing aan vanwege onenigheid binnen de Vlaamse coalitie. ‘Ik heb begrepen dat vooral N-VA voorstander is om het kinderbijslagsysteem in te kapselen in de overheid. Ik vrees dat dit een symbooldossier wordt waarvan gezinnen het slachtoffer dreigen te worden.’

De tien private kinderbijslagfondsen (Partena Professional, Acerta, Xerius, Attentia, Group S, Securex, ADMB, UCM, Mensura en Horizon-Het Gezin) betalen jaarlijks meer dan 4 miljard euro kinderbijslag uit aan 1,1 miljoen gezinnen.


Uw kinderen helpen met hun wiskundehuiswerk kan nadelig zijn voor hen

De Morgen – 16 september 2015

Het is niet ongewoon dat ouders zich zorgen maken of hun kind wel goed kan hoofdrekenen, en dat ze proberen te helpen. Maar een nieuwe studie, die gepubliceerd wordt in Psychological Science, stelt dat ouders beter goed nadenken over hoe ze juist willen helpen. Hoe meer ouders met faalangst hun kinderen proberen te helpen, hoe slechter die kinderen het doen. Dat schrijft de nieuwswebsite Quartz.

“Wanneer ouders zelf niet al te goed in wiskunde zijn en hun kinderen vaak helpen met hun huiswerk, doen hun kinderen het minder goed”, schrijft het onderzoeksteam, onder leiding van Erin Maloney van de Universiteit van Chicago. “Zelfs als ouders competent zijn in de basis van wiskunde die kinderen in het eerste en tweede leerjaar leren, is het niet uitgesloten dat ouders panikeren wanneer ze geconfronteerd worden met de wiskundekennis van hun kinderen.” De trend dat kinderen het minder doen zet zich ook voort bij ouders die hoger opgeleid zijn en competente leerkrachten hadden.

Combinatie

De onderzoekers testten de wiskundekennis en faalangst van meer dan 800 kinderen in het Amerikaanse Illinois aan het begin en het einde van het schooljaar. Tegelijkertijd peilden ze naar de faalangst van hun ouders, hoe vaak ze hun kinderen holpen bij huiswerk en hun opleidingsniveau.

Bij ouders die enkel faalangst hadden, ging de trend niet op. Wel bij de combinatie van faalangst voor wiskunde en een poging te helpen bij huiswerk. Het effect van ouderlijke faalangst is in de statistieken niet significant wanneer de ouders niet betrokken zijn bij het huiswerk.

Negativiteit

Er zijn enkele mogelijke redenen voor dit effect, stellen de auteurs. Ouders die zelf faalangst hebben voor wiskunde stralen mogelijk negativiteit uit over het onderwerp, die kinderen op hun beurt demotiveert. Mogelijk vertalen ze hun eigen faalangst ook naar strengere kritiek op hun eigen kinderen, wanneer die het moeilijk hebben. En mogelijk hebben de ouders zich ook onconventionele manieren aangeleerd om rekenproblemen op te lossen, in tegenstelling tot wat de kinderen op school leren.

Het probleem lijkt zich enkel tot wiskunde te beperken. Een vergelijkbaar effect werd niet in andere domeinen vastgesteld.

Advies en begeleiding

Logisch verstand doet vermoeden dat kinderen van wie de ouders betrokken zijn bij hun huiswerk en schoolloopbaan, het beter doen. Dat spreken de onderzoekers niet tegen. Ze menen ook niet dat ouders die zelf worstelen met wiskunde moeten stoppen met hun kinderen te helpen en aan te moedigen, maar daar gewoon meer ondersteuning en advies bij moeten krijgen.


Pech of geluk met de leraar kan schoolresultaten beïnvloeden

Knack – 16 september 2015

Gezakt, maar het lag aan de leerkracht. Volgens een masterscriptie zou dat eeuwige excuus nog kunnen kloppen. Voor dezelfde taak geeft de ene leraar een 3 op 10, de andere een 9.

Studenten die de schuld altijd steken op pech, met net die ene onwillige leerkracht, hebben niet noodzakelijk ongelijk. Voor haar masterscriptie vroeg onderwijskundige Sem Erkens 69 leraren Nederlands om schrijfopdrachten te evalueren. Wat blijkt? Naargelang de leraar die je treft, kun je voor dezelfde taak een onvoldoende of de grootste onderscheiding krijgen.

Het verschil tussen een 3 op 10 en een 9 zit louter in wie de rode balpen hanteert. De meeste leerkrachten gaven trouwens een nipte voldoende. ‘Er zijn grote verschillen tussen hoe hoog leerkrachten de lat voor hun leerlingen leggen’, zegt professor Jan Vanhoof (UA), promotor van de scriptie. ‘Nog erger is dat daar momenteel weinig aan wordt gedaan.’

Het ging om een taak argumentatief schrijven. Dat is moeilijk objectief te quoteren.
Jan Vanhoof: Klopt, maar het maakt de conclusie van het onderzoek niet minder verstrekkend. Vlaamse leerkrachten genieten een zeer grote autonomie bij de toekenning van punten. We gaan er bijna zonder nadenken van uit dat leraren wel weten wat hun studenten verdienen, terwijl er in feite zelden gesproken wordt over wat goed genoeg is.

Leerkrachten bepalen zelf waar de lat ligt, op basis van de eindtermen en van hun ervaring van wat vroegere leerlingen aankonden. Of die maatstaf in de lijn ligt van wat de school verwacht, en of die ook maar enigszins overeenkomt met wat andere scholen doen, daar is men zelden mee bezig.

Uit onderzoek blijkt dat wat leerkrachten over hun leerlingen weten, een rol speelt wanneer ze punten geven. Zelfs al proberen ze nog zo hard om alle vooroordelen uit te schakelen. En het probleem zit nog dieper: ook bij anonieme taken bestaan er onrechtvaardig grote afwijkingen in de punten die leerlingen krijgen.

Pech of geluk met de lesgever heeft een ernstige invloed op de schoolresultaten?
Vanhoof: Dat is te scherp gesteld, want er zit nog een buffer tussen: nooit zal één enkele leerkracht beslissen of een student de maat niet haalt. Dat doet de klassenraad, waar het oordeel van het hele lerarenteam samenkomt.

We vermoeden dat de verschillen binnen één school minder groot zijn dan het verschil tussen school A en school B. Vooral leerlingen die net op de grens van een voldoende of een onvoldoende zitten, zijn daar de dupe van. Het zou best kunnen dat ze in de ene school vlot een diploma behalen, terwijl ze op een andere school nooit geslaagd zouden zijn.

Wat valt eraan te doen?
Vanhoof: Momenteel is dat een taak voor de inspectie, maar die komt wellicht niet vaak genoeg langs om daar echt een impact op te hebben. Je zou taken ook kunnen laten beoordelen door een centrale toetsingscommissie of door meerdere leerkrachten, maar daar zijn evengoed nadelen aan verbonden. Praktisch is het ook niet altijd haalbaar.

Scholen moeten hun leraren stimuleren om veel vaker met elkaar te praten over waar de lat ligt. De vakgroepen zijn daar het ideale platform voor. Nu dienen die vergaderingen vooral om de inhoud van de lessen op elkaar af te stemmen, maar waarom zouden leerkrachten er ook niet spreken over hoe je evaluaties eenduidiger en rechtvaardiger kunt laten verlopen?


OESO: ‘leerlingen die meest met computer werken, hebben slechtste resultaten

Knack – 15 september 2015

Om leerlingen vertrouwd te maken met het gebruik van informaticatechnologie (ICT) en om de digitale kloof te dichten, kunnen scholen beter het niveau van begrijpend lezen en rekenen van hun leerlingen opkrikken dan te investeren in computers en internetverbindingen.

at is de verrassende conclusie van een studie die de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) uitvoerde in 31 landen, van China, over Europa, tot de VS. De studie, die digitale kennis analyseert, is “de eerste in haar soort”

Als elke leerling een basisniveau in begrijpend lezen en wiskunde bereikt, zal dat “in onze digitale wereld meer bijdragen tot gelijke kansen dan simpelweg de toegang tot hoogtechnologische apparaten en diensten te vergroten of te subsidiëren”, zegt de studie.

Veel computer, slechtste resultaten

In 2012 had 96 procent van de 15-jarige leerlingen uit de OESO-landen een computer. Slechts 72 procent gaf aan dat ze op school een computer gebruikten. Volgens de studie halen leerlingen met een matig gebruik van computers op school iets betere resultaten dan de leerlingen die slechts zelden op school met de computer werken.

Maar die leerlingen die de pc op school zeer vaak gebruiken halen veel lagere resultaten, zelfs rekening houdend met hun socio-demografische achtergrond. Ze behalven ook veel slechtere resultaten dan de leerlingen die zelden met een computer werken.

Fijne lijn

Het rapport, met als titel ‘Students, Computers and Learning: Making The Connection’ toont dat die landen die aanzienlijk investeerden in ICT in het onderwijs “geen enkele opvallende verbetering” lieten optekenen in de PISA-resultaten (PISA is een examen dat 15-jarigen afleggen in OESO-landen).

Er is, suggereert het rapport, een fijne lijn tussen waar technologie helpt en waar ze schaadt.

In een aantal van de toplanden in wiskunde en digitale kennis, zoals Zuid-Korea en China, wordt relatief weinig van computers gebruik gemaakt bij het onderwijs.

Landen die het meest van technologie en computers gebruik maken, zien de schoolresultaten voor begrijpend lezen achteruitgaan.

Een oplossing biedt het rapport niet aan. Leraars die echt op de hoogte zijn van computers, is een eerste stap. Zij kunnen de goede en de slechte kanten aan gebruik van computers inschatten, zodat het niet alleen een kwestie wordt van tijd aan de computer doorbrengen, maar wat men in die tijd wil bereiken.


Drie procent jongeren is chronisch eenzaam

De Standaard – 15 september 2015

‘Elke jongere voelt zich wel eens eenzaam, maar bij drie procent kan die eenzaamheid de mentale en fysieke gezondheid schaden’, zegt Luc Goossens, ontwikkelings-psycholoog aan de KU Leuven.

‘Chronische eenzaamheid bij jongeren is een relatief onbekend fenomeen’, zegt professor Luc Goossens, gespecialiseerd in de ontwikkelingspsychologie van kinderen en adolescenten. ‘Elke jongere voelt zich wel eens eenzaam, bijvoorbeeld door een overlijden, een relatiebreuk of een verhuizing. Maar die eenzaamheid is van tijdelijke aard en niet problematisch. Maar als die eenzaamheid blijft aanslepen wordt het wel een probleem.’

Volgens onderzoek van de KU Leuven lijdt drie procent van de jongeren tussen 14 en 18 jaar aan chronische eenzaamheid, die dus niet gelinkt is aan een specifieke gebeurtenis. Goossens spreekt van een onderschat probleem. ‘Het komt nochtans ongeveer even vaak voor als autisme (3 procent) of ADHD (5 procent) bij jongeren.’

Chronisch eenzame jongeren hebben een ander beeld over sociale situaties. En dat kan volgens Goossens verstrekkende gevolgen hebben. ‘Chronische eenzaamheid kan effectief de gezondheid schaden.’


Scholen weigeren duizenden kinderen: ‘Sorry, we zijn vol’

Nieuwsblad – 15 september 2015

Zowel in het gemeenschaps- als het katholiek onderwijs hebben scholen dit schooljaar duizenden leerlingen moeten weigeren omdat ze geen plaats hadden. In het GO! gaat het om een stijging van 35 procent. ‘Het was vroeger alleen een probleem van de grote steden, nu verspreidt het zich naar de rest van Vlaanderen’, zegt Raymonda Verdyck van het GO!
‘Sorry, we zitten vol. Gelieve elders een plaatsje te zoeken voor uw kind.’ 3.696 keer moest een school uit het gemeenschapsonderwijs dit schooljaar die mededeling doen aan ouders. Dat is een enorme stijging tegenover vorig jaar, toen slechts 2.736 leerlingen werden geweigerd. Het blijkt een algemeen probleem. ‘Bij ons is de stijging gelijkaardig: we kampen met dezelfde druk’, zegt woordvoerder Willy Bombeek van Katholiek Onderwijs Vlaanderen.


Campagne moet taboe rond psychoses bij jongeren doorbreken

Knack – 14 september 2015

“Doe eens goed gek”. Zo heet de voorlichtingscampagne die maandag werd gelanceerd en die het vertekend beeld en de negatieve vooroordelen moet doorbreken die over mensen met een psychotische aandoening bestaan.

“Vooroordelen zorgen voor een glazen plafond”, zegt psychiater Jeroen Kleinen van het Psychiatrisch Centrum Sint-Hiëronymus. “Wanneer je eenmaal het label psychosegevoeligheid hebt gekregen, worden veel zaken onbereikbaar. Niet omdat ze onmogelijk zijn, maar omdat je de kans niet meer krijgt”.

Mensen met een psychose raken overprikkeld en gaan de realiteit anders percipiëren. Ze krijgen de prikkels niet meer geordend, legt Kirsten Catthoor van hert Psychiatrisch Ziekenhuis Stuivenberg uit. Dat kan leiden tot hallucinaties, waangedachten en paranoia, stemmingswisselingen, zich sociaal terugtrekken en in zeldzame gevallen agitatie of agressie.

Eerste psychose tussen 16 en 35 jaar

Biologisch gesproken ligt een onevenwicht tussen de neurotransmitters (stoffen die informatie van de ene naar de andere zenuwcel doorgeven) in de hersenen aan de basis van een psychose. Er is een genetische component, aldus Catthoor, maar die speelt slechts in beperkte mate een rol.

Psychische stress, migratie, wonen in een stedelijke omgeving en druggebruik gelden als risicofactoren om een psychose in de hand te werken. Volgens Catthoor is een psychose – gaande van een psychose-ervaring tot een chronische aandoening – niet zeldzaam. Naar schatting kampt tot 3 procent van de Belgische jongeren met psychosegevoeligheid.

De eerste psychose manifesteert zich vaak tussen de leeftijd van 16 en 35 jaar. “Het hoeft geen risico te betekenen voor de rest van je leven”, benadrukt Catthoor. Om duidelijk te maken dat psychose niet synoniem staat voor iets gevaarlijks en dat het niet iets is dat niet te genezen valt, heeft farmareus Janssen zijn schouders gezet onder de voorlichtingscampagne “Doe eens goed gek”. Die werd vorig jaar al in Nederland gelanceerd en maandag in Brussel officieel voorgesteld.

Bedoeling is het onderwerp bespreekbaar maken, onwetendheid wegnemen, negatieve vooroordelen de kop indrukken en de beeldvorming positief te veranderen. De campagne bestaat uit twee korte filmpjes – getiteld “Gek op Sofie” – die op de sociale media worden uitgerold. In beide filmpjes nemen bekende Vlamingen Peter Van De Veire en Bill Barberis (‘Thuis’) de bestaande vooroordelen en stigma’s rond psychoses op de korrel. In een documentaire wordt tot slot dieper ingegaan op de aanleiding van de campagne en de nood aan betere bewustwording.


Kinderpsychiater pleit voor kleinere kleuterklassen

Nieuwsblad – 13 september 2015

Kleuterklassen moeten verkleinen. Dat zegt kinderpsychiater Peter Adriaenssens. ‘Stille kinderen krijgen te weinig aandacht in grote groepen, waardoor het niet gemerkt wordt als ze problemen ontwikkelen.’ Maar het katholiek onderwijs is het niet met hem eens. ‘Andere factoren spelen een grotere rol.’
De kleutertijd is de belangrijkste periode in de ontwikkeling van het kind. Dat besluit kinderpsychiater Peter Adriaenssens uit zijn programma Het geheime Leven van Vijfjarigen. Daarom pleit hij voor kleinere kleuterklassen, waarin de juf of meester meer aandacht kan besteden aan de leerlingen. ‘Onderwijs speelt een grote rol in de preventie van problemen. Leiders in de klas eisen veel aandacht van de leerkracht, terwijl stille kinderen in de schaduw blijven staan. In kleine klassen merkt de leerkracht het sneller op als een kind problemen ontwikkelt.’ Kinderen in kleine groepen zouden hun leerkracht ook zien als vertrouwenspersoon, waardoor ze sneller signalen uitsturen als ze zich niet goed voelen.

Hoe klein de klassen dan mogen zijn, is volgens Adriaenssens afhankelijk van het soort klas. ‘Zes, tien, vijftien? Hoe groter de complexiteit van de klas, bijvoorbeeld door een taalbarrière, hoe kleiner de groep moet zijn.’

Pedagoog Pedro De Brucykere steunt dat idee: ‘Over het algemeen toont onderzoek aan dat klasgrootte minder effect heeft dan andere ingrepen in het onderwijs. Maar enkele onderzoeken op lange termijn tonen wél het positieve effect van kleine klassen bij de jongste kinderen. Uit Zweeds onderzoek blijkt bijvoorbeeld dat kleuters die opgroeiden in kleine klassen op latere leeftijd meer geld verdienen.’

Intellectuele uitdaging

Maar het katholieke onderwijs is niet overtuigd dat kleinere klassen beter zijn. ‘Het ene onderzoek bevestigt de stelling, het andere spreekt het tegen. Wetenschappelijke studies zijn niet eenduidig. We kunnen dus niet besluiten dat kleine groepen beter zijn voor de ontwikkeling.’ Andere factoren spelen volgens het katholieke onderwijs wel een rol, zoals wie voor de klas staat en hoe de groep samengesteld is. ‘Hoe homogener de groep, hoe meer kinderen elkaar volgen en hoe meer ze dezelfde ontwikkeling doorlopen. Daardoor treden minder problemen bij hen op.’

Bovendien hebben grote klassen ook hun voordeel, zegt woordvoerder Willy Bombeek: ‘In grote groepen stimuleren kinderen elkaar en dagen ze elkaar intellectueel uit.’

Ook het financiële aspect mag niet vergeten worden. ‘Dit jaar is al veel bespaard in het basisonderwijs. Maar elke school moet voor zichzelf beslissen of ze voldoende budget hebben om kleinere klassen te maken.’

Dat het plan geld kost, beseft ook Peter Adriaenssens. ‘Ik weet dat ik niet eenvoudigweg kan zeggen dat er meer leerkrachten nodig zijn. Maar we investeren nu veel in de opvang van probleemkinderen, terwijl die problemen deels door het onderwijs voorkomen kunnen worden.’


Dirk De Wachter: “we moeten niet enkel de leuke dingen delen”

Stampmedia.be – 12 september 2015

De problemen waar jongeren vandaag mee te maken krijgen, worden volgens psychiater Dirk De Wachter vooral veroorzaakt door de druk vanuit de samenleving. De Wachter pleit dan ook voor meer openheid en dialoog. “We moeten meer met elkaar praten: dat zorgt voor opluchting.”

Alarmerende cijfers over de psychische gezondheid van Belgische jongeren: één op vijf krijgt te maken met psychische problemen. Dat blijkt uit cijfers van de Koning Boudewijnstichting. Psychiater-psychotherapeut Dirk De Wachter roept op om meer aandacht te schenken aan de kwestie. Tegelijk nuanceert hij de problematiek.

Worstelen met vrijheid

De problemen waar jongeren vandaag mee te maken krijgen, worden volgens De Wachter vooral veroorzaakt door de druk vanuit de samenleving. “De druk op jonge mensen is enorm hoog. De verwachtingen die door de consumptiemaatschappij gecreëerd worden zijn reusachtig en onrealistisch. Jongeren lijken meer vrijheid te hebben dan vroeger, maar ze worstelen er meer mee. Het zoeken naar een eigen identiteit en het tegelijk proberen te voldoen aan torenhoge verwachtingen zorgt voor stress bij vele jongeren.”

Toch blijft De Wachter kritisch over de cijfers rond psychische problemen en zelfmoord. “Cijfers zijn er om tijdig aan de alarmbel te trekken, maar moeten altijd genuanceerd worden. Het zelfmoordcijfer mag dan wel hoog zijn, dat wil niet zeggen dat er vroeger veel minder zelfmoord gepleegd werd. Er rustte een taboe op zelfmoord en vanuit het geloof werd de gedachte verspreid dat het een zonde was. Om die reden pleegden minder mensen zelfmoord, maar dat wil niet zeggen dat er daarom minder ongelukkige mensen waren”

Overpsychiatrisering

Volgens De Wachter blijft een tweede probleem de overpsychiatrisering of het te snel stellen van een diagnose. “Wanneer je vandaag naar een psychiater of psycholoog gaat, krijg je meteen een diagnose. Dat is fout: ze zouden mensen eerst moeten begeleiden zonder dat ze meteen een label op iemand kleven.

“Het is goed dat de drempel verlaagd is om naar de psycholoog te gaan, maar we zouden ook bij onze omgeving terecht moeten kunnen met onze problemen”, stelt De Wachter. Hij verdedigt het kunnen spreken over kwetsbaarheid en moeilijkheden tussen vrienden en familieleden. “Wanneer je eerst bij je kennissen terecht kan, wordt de stap naar professionele hulp misschien wel overbodig”, stelt het diensthoofd systeem- en gezinstherapie aan het Universitair Psychiatrisch Centrum van de K.U.Leuven.

Gebrek aan openheid

Een andere probleem waar De Wachter op duidt, is het gebrek aan openheid. “Veel mensen delen alle gelukkige momenten uit hun leven op sociale media, maar durven niets te zeggen over hun problemen. We zijn geëvolueerd naar een likecultuur. Alles lijkt altijd plezant, terwijl dat niet zo is. We moeten niet enkel de leuke dingen delen.”

De Wachter breekt er een lans voor om ook over de minder goede kanten van het leven te spreken. “We moeten meer met elkaar praten: dat zorgt voor opluchting en verstrekt bovendien de vriendschapsband tussen mensen.”

“Zelf verantwoordelijkheid opnemen”

Een groot aantal hulpverleners en psychiaters vindt dat de overheid meer moet bijdragen tot de psychische gezondheid van de bevolking. De Wachter heeft hierover een andere mening. “Ik vind niet dat de regering alle problemen moet oplossen. Het is heel makkelijk om de problemen af te schuiven op de overheid, maar zo werkt het niet. De basis van het probleem ligt in de maatschappij. Iedereen maakt deel uit van die maatschappij en draagt daarom een deel bij tot de situatie.”

We moeten dus zelf verantwoordelijkheid leren op te nemen, aldus De Wachter. “De overheid moet natuurlijk wel het juiste kader creëren.”

Positieve evolutie

De Wachter blijft overigens optimistisch over de toekomst. Hij ziet een positieve evolutie: “Een groot aantal mensen is bezig met de problematiek en ook van jonge mensen krijg ik positieve signalen. Toen ik mijn boek ‘Borderline Times’ uitbracht, dacht ik dat ik de jongeren nooit zou bereiken, maar zij zijn een groot deel van de doelgroep en dat vind ik hoopgevend.”

Daarom vindt De Wachter het ook belangrijk om het debat levend te houden. “Ik geef na mijn uren lezingen, schrijf boeken en verschijn af en toe op tv. Ik blijf me engageren en hoop dat anderen dat ook doen”, besluit De Wachter.


12.000 vaders of moeders dienen klacht in omdat ze hun kind niet mogen zien

Nieuwsblad – 10 september 2015

Vorig jaar dienden 12.045 personen in ons land klacht in bij de politie omdat hun ex-partner verhinderde dat ze hun kind konden ontmoeten. ‘Dat cijfer houdt dan nog niet eens rekening met al die ouders die géén klacht indienen omdat ze ondervonden hebben dat het toch niets uithaalt’, zegt Steunpunt Blijvend Ouderschap.
Het aantal klachten liep vorig jaar weliswaar een heel klein beetje terug (zie tabel) maar het blijft een hoog cijfer. Het probleem is groter in Vlaanderen dan in Wallonië en het allergrootst in de provincie Oost-Vlaanderen, waar iedere week gemiddeld 43 ouders een officiële klacht indienen omdat zij hun kind niet hebben mogen zien of bezoeken van de ex-partner.

‘Deze cijfers zijn slechts het tipje van de ijsberg’, zegt Luc Arron van het Steunpunt Blijvend Ouderschap (SBO). ‘Iedere week ontvangen wij ouders die het niet meer zien zitten om nog maar eens een klacht in te dienen omdat er niets mee gedaan wordt. Ze haken ook af omdat ze het psychologisch en mentaal niet meer aankunnen om met hun partner te vechten of omdat ze het geld niet meer hebben om een advocaat te betalen. Het moet gezegd dat er ook te veel advocaten zijn die hun werk niet goed doen of die aansturen op een procedureslag in plaats van het welbevinden van het kind voor ogen te houden.’

‘Tref tegenwerkende ouders in hun portemonnee’

‘Een klacht indienen kost ook moeite’, zegt Luc Arron. ‘Je bent toch minstens iedere keer twee uren kwijt bij de politie en dan heb je ook politiediensten die je na de zoveelste klacht gewoon wandelen sturen.’

Toch krijgt Luc Arron nog altijd koude rillingen als hij een moegestreden ouder hoort zeggen: ‘Ik geef het op om nog langer mijn bezoekrecht af te dwingen. Ik geef mijn kind rust en hoop dat het later wel zelf naar mij toe zal komen.’

Volgens het SBO ligt het grootste deel van de verantwoordelijkheid voor het probleem bij de rechters. ‘Zij moeten veel sneller ingrijpen’, vindt hij. ‘Na een tweede proces-verbaal zou een rechter beide ouders bij zich moeten roepen en dreigen het kind weg te nemen bij een van de ouders als het omgangsrecht niet meteen wordt gerespecteerd.’

In principe kunnen tegenwerkende ouders een gevangenisstraf krijgen van 8 dagen tot 1 jaar. ‘Maar een gevangenisstraf lost niets op. Integendeel, het is traumatiserend voor het kind. Tref ouders die zich niet houden aan de afgesproken regeling in hun portemonnee en leg hen een dwangsom op.’


Schooldag begint te vroeg: 16-jarigen zouden beter pas om 10u naar school gaan

Knack – 4 september 2015

Een schooldag begint te vroeg, zeggen Britse en Amerikaanse onderzoekers. Zestienjarigen bijvoorbeeld zouden beter pas om 10 uur naar school gaan.

De huidige beginuren in scholen en universiteiten schaden het leerproces en de gezondheid van de leerlingen en studenten. Tot die conclusie komen onderzoekers van de Universiteit van Oxford, de Harvard Medical School en Universiteit van Nevada.

Ze baseren zich daarvoor op slaaponderzoek, vooral op onderzoek naar slaap-waakritme. Door een te vroeg aanvangsuur krijgen kinderen en jongeren te weinig slaap en kunnen ze aan chronisch slaaptekort gaan lijden. Zoiets leidt tot leer- en gezondheidsproblemen.

Biologisch ritme

Wat is dan wel een goed aanvangsuur? Ten vroegste 8.30 uur voor tienjarigen, ten vroegste 10 uur voor zestienjarigen, en ten vroegste 11 uur voor achttienjarigen.

De onderzoekers wijzen vooral op het belang van het circadiane ritme, een biologisch ritme met een cyclus die ongeveer 24 uur duurt. Door dit slaap-waakritme werken lichaamsfuncties op een bepaald tijdstip beter dan op andere momenten, onafhankelijk van omgevingsfactoren.

Bij adolescenten ziet dat biologische ritme er enigszins anders uit. De ideale periode voor werken en concentratie begint bij hen drie uur later dan bij volwassenen, stelden de onderzoekers vast.


Veel ouders zijn ontzettend opgelucht dat hun kinderen weer op school zitten

Knack – 1 september 2015

Negen lange weken zomervakantie opvullen, is voor veel gezinnen een enorme uitdaging. ‘De grote vakantie inkorten is dus nog niet zo’n gek idee’, vindt Knack-redactrice Ann Peuteman. ‘Dan zouden ook ouders eindelijk wat tot rust kunnen komen.’

Vorige week in de supermarkt. Overijverige moeders proberen hun kroost warm te maken voor het nieuwe schooljaar door hen op de rekken vol bontgekleurde schoolspullen te wijzen. De kinderen kijken wel, en her en der zeurt er eentje om fluostiften of een nieuwe vulpen, maar erg veel zin om weer naar school te gaan lijken ze nog niet te hebben. Hun moeders wel. En nog geen klein beetje ook. Een hele zomer lang hebben ze zich in bochten gewrongen om hun zonen en dochters te entertainen, opvang te regelen en hen van vriendjes naar kampjes te voeren. Genoeg is genoeg.

Zeggen dat je niet kunt wachten tot de school weer begint en je kinderen elke dag een uur of zeven in de klas zitten, is not done. Maar toch is de start van het nieuwe schooljaar voor veel ouders een hele verademing. Zeker voor gescheiden vaders en moeders die hun zonen en dochters tijdens de zomermaanden vaak wekenlang moeten missen en snakken naar de rust en orde van de normale ouderschapsregeling. Co-ouderschap, in welke vorm dan ook, went op den duur. Zowel voor de ouders als voor hun kinderen. Maar dat lange afscheid tijdens de zomer blijft voor de meesten loodzwaar. ‘Elk jaar weer zie ik enorm tegen de zomervakantie op’, vertelde een gescheiden vader me onlangs. ‘Ik geniet er natuurlijk van dat mijn dochter twee keer twee weken na elkaar bij mij is, maar dat weegt niet op tegen de twee keer twee weken dat ik haar niet zie.’ Al zit er ook één voordeel aan die situatie: gescheiden ouders hoeven maar voor vier of vijf weken opvang te regelen en niet voor de hele vakantieperiode.

Gezinnen die nog intact zijn, moeten dat wel en dat zorgt vaak voor grote problemen. Negen weken overbruggen, is geen sinecure. Zeker niet als je wil dat je kind zijn tijd nuttig doorbrengt. Niet elke gemeente biedt betrouwbare en betaalbare speelpleinwerking aan en nogal wat kinderen gaan daar ook helemaal niet graag heen. De meeste grootouders hebben tegenwoordig zo hun eigen plannen en hebben weinig zin om al hun kleinkinderen de hele zomer lang op te vangen. Gelukkig zijn er nog kampjes waar kinderen kunnen voetballen, dansen, aan computers prutsen, knutselen, zeilen of koken. Soms met overnachting, soms gewoon overdag. Maar die hebben één ding gemeen: ze zijn peperduur. Zeker voor gezinnen met twee of drie kinderen. Een of twee weken kun je daar dus wel mee opvangen, maar veel meer niet. Vandaar dat steeds meer ouders ervoor kiezen om apart vakantie te nemen en alleen een weekje te overlappen om met het hele gezin op reis te kunnen gaan.

‘Nog drie jaar’, hoorde ik een moeder begin juli zeggen. ‘Dan zijn de kinderen oud genoeg om tijdens de zomermaanden alleen thuis te blijven als wij uit werken gaan en kunnen mijn man en ik eindelijk weer op hetzelfde moment vakantie nemen.’

En de kinderen zelf? Die beginnen zich zo halfweg augustus te vervelen. Zeker als het weer niet meezit. Al hun boeken zijn uitgelezen, ze hebben alle mogelijke records gevestigd op hun Playstation en de buurkinderen beginnen hen tegen te staan. Ze missen hun klasgenoten en – zonder dat zelf te beseffen – de regelmaat van een schooldag. Bovendien sijpelt de leerstof gaandeweg uit hun brein, waardoor de meester of juf straks weer weken tijd nodig heeft om al die wiskunde- en talenkennis van onder het stof te halen. Dat geldt dubbel voor kinderen uit kansarme gezinnen, die alle leerwinst van het vorige schooljaar op 1 september weer kwijt zijn.

Al die pleidooien om de zomervakantie tot pakweg zes weken in te korten zijn dus nog zo gek niet. Zowel voor de scholieren zelf als voor het gezin waarin ze opgroeien. Drie weken minder om opvang te regelen en kinderen bezig te houden, zou al veel oplossen. Dan zouden veel ouders ook zelf tot rust kunnen komen en zou 1 september eerder een doorstart dan een opluchting zijn.
Bewerk bericht


Ik ben mijn werk kwijt omdat ik alleenstaande moeder word

Gazet van Antwerpen – 31 augustus 2015

Terwijl Nele Verelst (24) over twee weken moet bevallen, kreeg ze van de directie te horen dat ze na haar bevallingsverlof niet meer de voor- en nabewaking mag leiden in GO!-basisschool ’t Park in Oostmalle. De school vreest dat haar alleenstaand moederschap de continuïteit in het gedrang brengt. Het ontslag is rechtmatig, maar de vakbond vindt het een fout signaal van de school.
Sinds twee jaar verzorgt Nele uit Oostmalle de voor- en nabewaking in basisschool ’t Park, tot ieders tevredenheid. Over haar goed functioneren bestaat geen discussie, niet vanuit de ouders, en ook niet vanuit de school, laat directrice Emmanuela Vervoort weten. “Nele zal een positief verslag van mij krijgen, dat ze later bij haar sollicitaties kan gebruiken”, zegt de directrice. “Daar ben ik vet mee”, reageert Nele. “Ik ben wel mijn droomjob kwijt.”

Nele werkte net als bijna al het faciliterend personeel in het gemeenschapsonderwijs met een tijdelijk contract van één schooljaar, dat elk jaar stopt op 30 juni en normaal op 1 september voortgezet wordt, zodat het personeel in juli en augustus kan stempelen.

”Geschokt”

Walter Himler, woordvoerder van het GO!-onderwijs, begrijpt dat het moeilijk kan zijn om als alleenstaande vlak voor je bevalling te horen dat je je werk kwijt bent. “Maar dit is nu eenmaal de arbeidswetgeving. Op 30 juni was ze sowieso haar contract kwijt.”

“Ik ga contact opnemen met de directie van de scholengroep, want vanuit menselijk oogpunt ben ik geschokt”, zegt Patrick Marivoet van ACOD Overheidsdiensten. “De overheid stimuleert alleenstaande moeders om te blijven werken. Deze vrouw had alles geregeld om weer aan de slag te kunnen, maar kreeg geen kans om te bewijzen dat ze het kan.”


Leerlingen met B-attest: niet zittenblijven, maar andere richting

De Standaard – 29 augustus 2015

Meer dan 5.000 leerlingen met een B-attest doen hun jaar over. Minister Crevits wil daar komaf mee maken. ‘Dat attest is bedoeld om te heroriënteren.’

Een kleine 20.000 jongeren doen hun jaar over in het Vlaamse middelbare onderwijs (19.332 om exact te zijn, cijfers schooljaar 2013-2014). Dat is 5 procent van de leerlingen. Dat aantal daalt tegenover vijf jaar geleden, maar de minister van Onderwijs, Hilde Crevits (CVD&V), vindt het toch te hoog. Zittenblijven leidt niet altijd tot betere schoolresultaten, vergroot de kans op vroegtijdige schooluitval en kost ook de samenleving een aardige duit: per jaar 185 miljoen euro.

Daarom wil de minister werk maken van een maatregel die al in het Masterplan voor de hervorming van het secundair stond. Het blijkt dat meer dan 5.000 van de zittenblijvers – een kwart dus – dat doen nadat ze een B-attest hebben gekregen.

‘Dat klopt niet’, vindt Crevits. ‘Een B-attest is bedoeld om een leerling te heroriënteren naar een andere richting, waar hij meer op zijn plaats zit. Maar jongeren – en hun ouders – blijken om allerlei redenen toch vast te houden aan een bepaalde richting. Dat moet eruit. Daarom moet een B-attest dwingender worden. Alleen in samenspraak met de klassenraad en na een duidelijk engagement van leerling en ouders, kan een B-attest dan leiden tot zittenblijven.’


Mysterie van de dag: waarom gaan mensen vreemd?

Knack – 28 augustus 2015

Deze zomer viert Knack.be de mysteries van het leven. Elke dag kruipen we in de huid van een verwonderd kind en verbazen we ons over al dan niet alledaagse mysteries. Vandaag: waarom gaan mensen vreemd?

Maakt u zich geen illusies: de mens gaat al eeuwenlang vreemd en dat zal wel nog een tijdje zo blijven. Bijna 60 procent van de mannen en meer dan 45 procent van de vrouwen doet het weleens op een bepaald moment in zijn of haar leven. Bijna 1 op drie koppels wordt er ooit mee geconfronteerd.

Lange vingers

Over de reden waarom mensen hun partner bedriegen lopen de theorieën nogal uiteen. Volgens sommigen komt het door de effecten van de dopamine die vrijkomt wanneer we liegen en bedriegen. Anderen beweren dat het puur gaat om de opportuniteit. Er zijn wellicht zoveel redenen om vreemd te gaan als er mensen zijn.

Toch probeert de wetenschap al jaren een sluitend antwoord te vinden op deze oorzaak van heel wat liefdesverdriet in de hoop het fenomeen beter te begrijpen. Zo is er het verhaal van de ringvinger en de wijsvinger. Uit een studie van de universiteit van Oxford blijkt dat de lengte van de ringvinger de hoeveelheid testosterone aanduidt waaraan de ontwikkelende foetus werd blootgesteld in de baarmoeder. Hoe langer de ringvinger, in vergelijking met de wijsvinger, hoe hoger het niveau van het hormoon en ‘hoe hoger de kans dat die persoon vreemd zal gaan’. Al waarschuwen de onderzoekers dat correlatie niet hetzelfde is als causaliteit en we dus niet meteen de handen van onze partners moeten gaan inspecteren.

Een spray tegen vreemdgaan?

Ook op celniveau kan vreemdgaan verklaard worden: zo zou het hormoon oxytocine een belangrijke rol spelen bij het samenhouden van mensen in een langdurige relatie, onder meer door de aantrekkelijkheid van de partner te stimuleren. Uit onderzoek in Proceedings of the National Academy of Sciences blijkt dat als mannen door middel van een neusspray een extra dosis oxytocine toegediend kregen, het beloningscentrum in hun hersenen geactiveerd werd als ze een foto van hun vrouw te zien kregen. Ze beoordeelden hun vrouw dan ook gemiddeld als wat mooier dan anders. Hetzelfde ging niet op als ze foto’s van vriendinnen of kennissen te zien kregen.

Het biologisch mechanisme achter het samenblijven van koppels zou dus te vergelijken zijn met de effecten van drugs, wat mee zou verklaren waarom een scheiding of een sterfgeval dikwijls zo veel tijd vergt om te verwerken.

Definitie van monogamie

Als antwoord op het hoge aantal scheidingen proberen koppels steeds meer hun eigen vorm van monogamie te definiëren in de vorm van open huwelijken. Niet de seksuele trouw bepaalt de monogamie, maar de emotionele verbondenheid. Dergelijke open relaties zijn echter niet voor iedereen weggelegd en bestaan slechts bij 4 tot 5 procent van de heteroseksuele bevolking. Zij zouden over het algemeen wel gelukkiger zijn in hun relatie dan meer traditionele koppels. Ze zijn minder jaloers en hebben een opwindender seksleven, zo blijkt uit onderzoek.

Welke vorm u ook kiest, menselijke realties zijn gecompliceerd. Het belangrijkste is dat u echt voor een partner kiest en zich vervolgens volledig geeft in een relatie. Met heel uw lijf, van kop tot teen. Ook met lange vingers.


Leegloop in buitengewone scholen

De Standaard – 28 augustus 2015

Basisscholen van het buitengewoon onderwijs zien een grote terugval in hun nieuwe inschrijvingen, met name in het basisaanbod. Zij vrezen voor banen. Een deel van het personeel wordt al opgevist.
Op 1 september wordt het M-decreet van kracht. Dat wil minder leerlingen in het buitengewoon en meer in het gewoon onderwijs krijgen. De eerste gevolgen worden zichtbaar. Uit een rondvraag van De Standaard bij scholen en CLB’s blijkt dat vooral in de scholen voor buitengewoon onderwijs die het basisaanbod aanbieden (de vroegere types 1 en 8) het aantal nieuwe inschrijvingen stevig terugvalt, soms met de helft.

In het buitengewoon kleuteronderwijs type 3 (gedragsstoornissen) zijn er weinig tot geen aanmeldingen omdat een diagnose op kleuterleeftijd uitzonderlijk is. Bij de andere types is er een status- quo. In het buitengewoon secundair is het beeld diffuus.

De minister van Onderwijs, Hilde Crevits (CD&V), en de koepels zeggen te wachten op de officiële cijfers van de inschrijvingen – die zouden er half september zijn – om conclusies te trekken.

De scholen zeggen personeel te moeten doorsturen. 180 van hen heeft Crevits, via een bijzondere regeling, in dienst kunnen houden in het gewone onderwijs. Daar zal hun expertise welkom zijn voor de begeleiding van de leerlingen met bijzondere behoeften. In het gewone onderwijs blijkt de vrees om ‘overspoeld’ te worden door zulke leerlingen voorlopig ongegrond. Dat valt voor een stuk te verklaren door de grote spreiding.


Doktersbriefjes tegen luxeverzuim zijn verleden tijd

De Standaard – 27 augustus 2015

Vanaf dit schooljaar is een doktersbriefje niet langer verplicht voor afwezigheden in de week voor of na de schoolvakantie. Dat bevestigt het kabinet van Vlaams minister van Onderwijs Hilde Crevits (CD&V).

De vorige minister van Onderwijs, Pascal Smet (SP.A), voerde het doktersbriefje in 2013 in om luxeverzuim tegen te gaan. Een doktersbriefje was verplicht, ongeacht de duur van de ziekte en ongeacht het feit of de ziekte aansloot op de schoolvakantie. Crevits twijfelde aan het nut daarvan. Zo steeg het luxeverzuim nog vorige kerstvakantie. Na evaluatie besliste ze de maatregel weer af te voeren.

Voortaan gelden opnieuw dezelfde regels als in de rest van het schooljaar. Crevits zegt het luxeverzuim terug te willen dringen via haar actieplan tegen vroegtijdige schooluitval. Een van de maatregelen uit dat plan is dat iemand geregistreerd staat als problematisch afwezig na vijftien in plaats van dertig halve dagen.

‘Luxeverzuim vaak start van spijbelgedrag’

‘Ouders moeten goed beseffen dat elke dag of halve dag mee in rekening wordt gebracht. Bovendien is er een koppeling tussen luxeverzuim en later spijbelgedrag. Luxeverzuim is vaak de start in een keten van spijbelgedrag’, zei de minister in juni, nadat de Vlaamse regering haar conceptnota ‘Samen tegen schooluitval’ had goedgekeurd.


Alle kleuters horen op school

De Morgen – 26 augustus 2015

Wouter Duyck is professor cognitieve psychologie en opleidingsvoorzitter aan de Universiteit Gent.

De Morgen publiceerde gisteren het verhaal van Ecrin, als eerste aflevering van een reeks over kansarmoede in het onderwijs. Ze is 5 jaar en loopt school in Berchem. Thuis is er enkel Duitstalige televisie. Haar vader spreekt geen Nederlands. Hij haalt Ecrin meestal ‘s middags weg van school. Een schrijnende illustratie van wat ons onderwijs nodig heeft: meer aandacht voor taalachterstand en vroegere interventies voor sociaal kwetsbare kinderen.

Eigen schuld dikke bult, zullen sommige cynische lezers hebben gedacht. De vader klaagt over het gebrek aan kansen op hoger onderwijs, maar neemt niet de verantwoordelijkheid om Ecrin een maximaal (gratis) schoolaanbod te bieden. Hij zegt zelf dat taal belangrijk is, maar spreekt geen Nederlands. Tot wanhoop van de kleuterjuf, die de bui van een moeizaam lager onderwijs al ziet hangen. Uiteraard dragen ouders een enorme verantwoordelijkheid voor de schoolloopbaan van hun kinderen. Maar vingerwijzingen helpen kleuters niet. De overheid moet structurele maatregelen nemen om de onderwijskansen van elke kleuter te maximaliseren.

Al in de jaren 80 toonde onderzoek van professor Keith Stanovich aan dat sociale achterstand in het onderwijs hoofdzakelijk een taaleffect is. Net om dit te voorkomen moesten kleuters die onvoldoende aanwezig waren in de Vlaamse kleuterklas vanaf 2010 een taaltoets afleggen voor ze naar het lager onderwijs mochten. Een maatregel die nooit goed werd uitgevoerd en in 2014 werd afgeschaft. Ondertussen daalt nu drastisch het aantal kleuters dat vroeger dan de leerplicht (zes jaar) naar school gaat, vooral in de steden. In Gent gaat al bijna een op de tien kleuters niet voldoende naar school. En dat met een zwak criterium van 220 halve dagen, wat al veel minder is dan het voltijdse kleuteronderwijs dat veel autochtone kleuters genieten. Uit een parlementaire vraag van Ann Brusseel blijkt bovendien dat deze kleuteruitval vier keer groter is bij kleuters die thuis geen Nederlands spreken.

Dit is dramatisch: in het bijzonder wie het kleuteronderwijs het meest nodig heeft, haakt af. Het resultaat is een grote groep kinderen van wie de schoolcarrière op voorhand ernstig wordt gehypothekeerd. Het zijn de ongediplomeerde schoolverlaters en werklozen van 2027. Schoolachterstand voor deze kleuters situeert zich dan ook aan de startlijn. Dat is in het bijzonder voor anderstalige kleuters dramatisch, omdat vanaf zes jaar de capaciteit van het brein om taal te verwerven afneemt.

Een sociaal schoolbeleid moet dan ook vroeger gebeuren, in plaats van met inefficiënte lapmiddelen achter de feiten aan te lopen. Daarom is vroegere schoolplicht een must. Het huidige kleuteronderwijs, en het taalbad dat het biedt, is het noodzakelijke begin. Maar het mag eigenlijk ook iets meer zijn. Nobelprijswinnaar James Heckman volgde veertig jaar lang een groep kwetsbare kinderen, en berekende dat elke euro gespendeerd aan een vierjarige tot 300 euro opbracht wanneer die 65 wordt. Een jaarlijks rendement van 7 à 10 procent!

Hoe vroeger men investeert, hoe sterker de opbrengst: investeringen in driejarigen zijn veel effectiever dan die in zesjarigen. Een paar uur per dag intensieve onderwijsopvolging leverde verbluffende resultaten op: hogere intelligentiescores, minder bijzondere onderwijsnoden, meer hoger onderwijs, hogere salarissen en huisbezit. Voor de samenleving: minder uitkeringen en criminaliteit, meer belastinginkomsten.

De Vlaamse regering moet daarom ernstig een vervroeging van leer-, school- of onderwijsplicht overwegen. Open Vld en Groen zijn sterke voorstanders, en ook N-VA en sp.a zijn voor, zij het allen met eigen accenten. Laat ons niet langer aarzelen, en zet kleuters als Ecrin aan dezelfde startlijn.


Waarschuwing voor 1 september: scholen mogen kleuters met luier niet weigeren

De Morgen – 26 augustus 2015

Kleuters hoeven nog niet volledig zindelijk te zijn wanneer ze naar de kleuterklas trekken, meldt het onderwijsblad ‘Klasse’. Ouders maken zich daarover vaak zorgen, en steken in de laatste rechte lijn naar het schooljaar vaak een tandje bij, qua zindelijkheidstraining.

Wat ongetwijfeld enorm geapprecieerd wordt door kleuterleidsters, maar wettelijk gezien mag een school een kind niet weigeren omdat het nog luiers nodig heeft, of ongelukjes doet. Een leeftijd van 2,5 jaar is de enige voorwaarde om school te mogen lopen. “Dat de school ‘verwacht’ dat kleuters zindelijk zijn, kan ze eventueel wel vermelden. Ze mag duidelijk maken aan de ouders dat de kleuterjuf haar pedagogisch werk niet kan doen als ze voortdurend luiers moet verversen.”

Ook Kind & Gezin raadt af om extra druk op het kind te zetten tegen 1 september. “Ouders moeten hun pogingen best op de normale manier voortzetten. Vertel wel aan de juf dat je ermee bezig bent en welke aanpak je volgt, dat verhoogt het begrip. Een gezamenlijke aanpak werkt best om een kind uit de luiers te helpen.”


Zonder bagage is het makkelijk om tot over je oren verliefd te worden

Knack – 25 augustus 2015

De meeste vakantieliefdes en reisvriendschappen verwateren zodra onze koffers zijn uitgepakt. Niet zozeer omdat we het veel te druk hebben, maar omdat de nieuwe vrienden totaal niet in ons dagelijks leven passen. ‘Toch zitten er voordelen aan zulke ontmoetingen’, schrijft Knack-redactrice Ann Peuteman. ‘Dan komen we toch een paar weken per jaar in contact met mensen die anders zijn dan wij.’

Hij was de zoon van een slager en ik leende hem een boek van De Vijf uit. Hij zou het me teruggeven als we elkaar weer zagen, maar alle goede voornemens ten spijt hebben zijn en mijn ouders elkaar na die vakantie in het toenmalige Joegoslavië nooit meer opgezocht. Vele jaren later herinner ik me nog vaag dat we urenlang samen in het zwembad zaten en gezelschapsspelletjes speelden onder een parasol. Ik vraag me af of hij dat boek nog altijd heeft en nog weet wie het eigenlijk toebehoort.

Harde matrassen

Vakantieliefdes en -vriendschappen: meestal blijft er niet veel van over zodra de koffers zijn uitgepakt. Op de laatste dag wisselen we ijverig telefoonnummer en e-mailadressen uit en zijn we ook echt van plan om een berichtje te sturen zodra we thuis zijn. Soms gaan er dan nog wel een paar sms’en heen en weer, maar afspreken komt er meestal niet meer van. Eens de souvenirs een vaste plek hebben gekregen en we weer naar school of aan het werk gaan, ebben de herinneringen aan die vakantievrienden al gauw weg. Niet zozeer doordat we het allemaal toch zo ontzettend druk hebben, maar vooral doordat de mensen die we op reis leren kennen totaal niet in ons leven passen. Sterker nog: als we ze in België op café zouden ontmoeten, keurden we hen amper een blik waardig.

Op reis valt dat veel minder op. Dan ben je ontspannen en los van de werkelijkheid, en liggen de gespreksonderwerpen voor het grijpen. Hebben zij ook last van die harde matrassen in het hotel? Weten ze of het een goed plan is om dat oude paleis te gaan bezoeken? Hoeveel hebben ze voor hun tickets betaald? Als ze dan ook nog eens dezelfde taal blijken te spreken, is de vriendschap binnen de tien minuten beklonken. Plots is België idioot klein, en lijken mensen die twee provincies verder wonen haast buren. ‘Serieus? Kom jij uit Brugge? Mijn nicht is daar naar school geweest’, klinkt het dan. Dat volstaat om ligstoelen voor elkaar vrij te houden bij het zwembad of in de vooravond samen aan te schuiven voor een Ricard of gin-tonic. Als de kinderen dan ook nog eens goed opschieten en elkaar in het zwembad entertainen, kan het al helemaal niet meer stuk.

Hunk met gespierd lijf

Hetzelfde met vakantieliefdes – al is een gemeenschappelijke spreektaal in dat geval een pak minder belangrijk. Je bent op reis, ontmoet een absolute hunk (Die ogen! Dat gespierde lijf! Die hagelwitte lach!) en de zon, ontspannen sfeer en cocktails doen de rest. Zonder alle emotionele en praktische bagage die je thuis meetorst, is het ook veel gemakkelijker om tot over je oren verliefd te worden. Geen beschermende ouders of jaloerse ex’en in de buurt, geen dagelijkse beslommeringen of ergernissen ook. Je kunt gewoon je vakantiezelf zijn en vlotjes je demonen en onhebbelijke kantjes onderdrukken. En afstand heeft op zo’n paradijselijke plek ook al geen belang. Woont hij duizend kilometer verderop? Liefde overwint alles, zo lijkt het. Tot je de sleutel in het slot van de voordeur draait, weer in de realiteit stapt en beseft dat je helemaal niets met je adonis gemeen hebt. Al woonde hij om de hoek.

Toch is dit geen pleidooi om vakantievriendschappen uit de weg te gaan. Integendeel. Soms zijn die paar weken vakantie de enige periode in het jaar dat we nog eens echt praten met mensen met een andere achtergrond, overtuiging, opleiding en inkomenscategorie. Het hele werkjaar door spenderen de meesten van ons tussen gelijkgestemden. We werken, wonen, sporten en socializen met mensen die onze overtuigingen en levensstijl delen. Daardoor vergeten we al te vaak dat lang niet iedereen denkt en leeft zoals wij. Het is dus niet zo gek om tijdens de zomermaanden even uit dat veilige cocon te stappen. Ook al blijft de vriendschap dan achteraf tot een sms’je beperkt.


Oma en opa zijn favoriete babysitters van de Vlamingen

Het Laatste Nieuws – 21 augustus 2015

Meer dan 600.000 Vlaamse kinderen worden deze zomer opgevangen door hun grootouders. Oma en opa doen dat overigens gráág, op hun kleinkinderen passen. Ze doen het ook goed, vinden de meeste ouders. Al is toch 6,8% ‘zeer ontevreden’ over de babysit-capaciteiten van de grootouders.
In de zomervakantie wordt 72,3% van de kinderen al eens opgevangen door de grootouders, zo blijkt uit onderzoek in opdracht van Kind & Gezin. “Voor vier ouders op de tien zijn oma en opa de belangrijkste vorm van opvang”, weet onderzoeker Steven Lenaers. “Het gaat hier dus zeker niet om noodopvang”. Gemiddeld zijn oma en opa tussen 55 en 69 jaar als ze babysit zijn voor hun kleinkinderen.

Hoe jonger de kinderen zijn, hoe vaker ze bij hun grootouders terechtkomen in de zomervakantie. Als ze tussen 2,5 en 5 jaar oud zijn, wordt 77,3% al eens opgevangen door oma en opa. Maar bij kinderen tussen 9 en 11 jaar is dat percentage al gezakt tot 65,2%. De meeste ouders (61,8%) zijn bijzonder tevreden over de ‘service’ die oma en opa bieden. Maar 6,8% is er niet over te spreken. Wat hen niet belet om hun kroost tóch aan de grootouders toe te vertrouwen.


Crevits wil scholen stimuleren om frisdrank te bannen

De Standaard – 21 augustus 2015

Vlaams minister van Onderwijs Hilde Crevits (CD&V) gaat een ‘stimulerend beleid’ voeren om middelbare scholen zover te krijgen dat ze suikerrijke dranken bannen.

Crevits zat vrijdag samen met vertegenwoordigers van de BEL10, een groep burgers die in het gelijknamige programma op Radio 1 beleidsvoorstellen mocht uitwerken. Er werd gesproken over gezonde voeding, het frisdrankbeleid op scholen, beweging en EHBO.

Hoewel Crevits vrijdag vooral geluisterd heeft, had ze nieuws voor de BEL10: ze gaat een ‘stimulerend beleid’ voeren om middelbare scholen aan te sporen geen frisdrank meer te verkopen. Een verbod van bovenaf vindt ze (nog altijd) te ver gaan, maar alles op zijn beloop laten, gaat ook niet meer.

Volgens Crevits leeft het onderwerp en willen steeds meer ouders dat er geen suikerrijke dranken meer worden aangeboden in de automaten op school. ‘Vandaar mijn bedoeling om via een stimulerend beleid – dat kan een gezondheidslabel of iets anders zijn – scholen te stimuleren om als ze drankautomaten plaatsen, daar nog uitsluitend gezonde dranken in aan te bieden’, zei de minister na afloop van de gesprekken op VRT-radio.

Op lagere scholen is frisdrank al langer verbannen, maar op de meeste middelbare scholen staat wel nog een frisdrankautomaat. Begin dit jaar had Crevits nog gezegd dat de scholen zelf moeten beslissen of ze frisdrank aanbieden, maar nu gaat ze toch een stap verder door er een beleidspunt van te maken. De concrete uitwerking is voor de komende maanden.

Ook de andere thema’s die vrijdag aan bod kwamen, zal de minister bekijken, zo zei haar woordvoerster. De BEL10 wil dat elke jongere een EHBO-opleiding krijgt. Crevits maakt daar al langer werk van, klinkt het.


Kinderen hebben het na acht weken zomervakantie écht gehad

Het Belang van Limburg 18 augustus 2015

Kinderen die genieten van de vakantie. Het lijkt iets natuurlijks. En toch zijn er steeds meer kinderen die net uitkijken naar school, en het terugzien van hun vriendjes. ‘Acht weken zomervakantie is eigenlijk gewoon echt te veel van het goede.’
Acht weken zomervakantie dateert nog van toen kinderen de ouders moesten helpen op het land om de oogst binnen te halen. Maar die tijden zijn al lang achterhaald, en die acht weken zomervakantie dus eigenlijk ook. Vooral voor de kinderen zelf. Die blijken alsmaar meer ‘vakantieziek’ te worden: ze hebben genoeg van thuis te zitten en missen hun sociale netwerk om zich heen.

‘Kinderen gaan achteruit na twee maanden niks doen. Hun prestaties verzwakken. Daar bestaat onderzoek over. Vanuit het standpunt van de kinderen duurt de vakantie ook te lang’, aldus de onderzoekers in Het Laatste Nieuws. ‘Dat stille verlangen om stiekem naar school terug te mogen is er onmiskenbaar. Kinderen hebben het na acht weken echt gehad’, vertelt een van de psychologen nog.


‘Mogen kinderen nog onbezorgd buitenspelen, ja?’

Knack – 18 augustus 2015

Uit angst dat onze kinderen iets zal overkomen, hebben we de neiging om hen bang te maken en hun vrijheid te beknotten. ‘Mogen ze alsjeblief af en toe iets doen of ergens zijn zonder dat wij hen controleren?’, schrijft Knack-redactrice Ann Peuteman. ‘Bange kinderen worden later bange volwassenen, en daar zijn er al genoeg van.’

We moesten en zouden buitenspelen. Uren voor de televisie hangen, vonden onze ouders ongezond en tegennatuurlijk. De straat moesten we op. Om met de buurkinderen te rolschaatsen, te voetballen of een ruiltocht te houden. Frisse lucht en zon op onze huid zouden ons goed doen. En zo was er ook even rust in huis.

Anno 2015 hebben ouders nog altijd liever niet dat hun kroost een zomerlang televisiekijkt, zit te gamen of over de golven van het internet surft. Maar kinderen de straat op sturen, is bijlange niet meer evident. Wat als ze verdwalen of door de een of andere pervert worden meegelokt? Lopen ze niet het risico om door plaatselijke hangjongeren gesard of beroofd te worden? En vormen ook de zondagsrijders die tijdens de vakantiemaanden door het dorp cruisen geen enorm risico? ‘Blijf jij maar in de tuin’, hoorde ik een vader aan het begin van de zomer tegen zijn beteuterde zoontje zeggen. ‘Daar heb je alles: een trampoline, een schommel en desnoods zet ik het zwembad op.’ In de tuin heeft zo’n kind inderdaad alles. Behalve vreemde kinderen, onbekende steegjes en spannende verstopplekken.

Nu kan ik natuurlijk niet ontkennen dat de straten en pleinen tegenwoordig een pak linker zijn dan vroeger. En dus snap ik wel dat ouders die hun kinderen buiten laten spelen, hen op het hart drukken om zich zo zedig mogelijk te kleden, niet te ver af te dwalen en hard weg te rennen als een onbekende hen aanspreekt.

Die bezorgdheid is begrijpelijk en vaak ook terecht. Je mag er niet aan denken dat je kind iets zou overkomen. Vandaar dat we onze zonen en dochters het liefst allemaal een chip zouden inplanten zodat we te allen tijde weten wat ze doen en waar ze zijn. Dat begint al in de wieg: op menig geboortelijst staat tegenwoordig een babymonitor waarmee je je al dan niet slapende kind dag en nacht op het scherm van je smartphone in het oog kan houden.

Armbandje dat alarm slaat

En eens het wat groter is, krijgt het een armbandje om dat alarm slaat als het op het strand of in een pretpark te ver bij je vandaan dreigt te lopen. Onlangs nog vertelde een moeder me dat ze haar achtjarige zoon een gsm heeft gegeven zodat ze hem op elk moment van de dag op school, bij de scouts of bij een vriendje kan bellen om te checken of alles in orde is.

Natuurlijk willen we dat onze kinderen veilig zijn, nooit de weg verliezen en vooral niet met vieze mannen meegaan. Maar mogen ze alsjeblief ook de vrijheid hebben om af en toe even iets te doen of ergens te zijn zonder dat wij hen controleren? Mogen ze even het gevoel, de illusie hebben dat we niet weten waar ze zijn? Dat we hen voor allerlei onheil moeten waarschuwen staat buiten kijf. Een kind moet weten wat de grenzen van zijn territorium zijn, dat het nooit met vreemden mee mag gaan en wat het moet doen in geval van nood.

Mensen die niet door Brussel durven te wandelen

Maar het kan niet de bedoeling zijn dat we onze angsten op hen overbrengen. Want wat kan er worden van een kind dat in elke man een potentiële verkrachter ziet en in elke vrouw een gifmengster? Bange kinderen worden later bange volwassenen.

Van die mensen die niet door Brussel durven te wandelen, hun nieuwe buren maar raar en eng vinden en een zo hoog mogelijk hek rond hun tuin laten zetten. En van zulke bange mensen, daar zijn er al meer dan genoeg van.


Schoolslag voortaan pas vanaf vierde leerjaar

Het Belang van Limburg – 17 augustus 2015

De scholen van het Gemeenschapsonderwijs gaan hun leerlingen op een andere manier leren zwemmen. Ze moeten de schoolslag niet meer leren, zolang ze maar veilig aan de kant geraken. Hoe ze dat doen, doet er niet toe, het belangrijkste is dat ze aan het water wennen. Pas vanaf tien jaar leren ze dan echt een zwemslag.
De methode wordt vanaf dit schooljaar toegepast in het tweede en derde leerjaar van het Gemeenschapsonderwijs. Pas in het vierde leerjaar leren de kinderen dan de schoolslag, crawl of rugslag. Ook het katholiek onderwijs zet meer in op watergewenning.

Bij de Vlaamse zwemfederatie vinden ze de nieuwe methode niet verkeerd, maar ze vinden het wel onvoldoende dat enkel wordt ingezet op overleven in het water. ‘Ze zouden al voor ze tien jaar oud zijn de techniek van een zwemslag moeten leren’, klinkt het.


Nieuwe spray maakt meteen komaf met ‘tutje’

Het Belang van Limburg – 17 augustus 2015

Kinderen die maar moeilijk van hun tutje willen scheiden, het is een probleem waar heel wat ouders mee te kampen krijgen. De Antwerpenaar René Goldstein (79) heeft daar een oplossing voor bedacht. Met de ‘Tuttistop’ zou het kind al binnen de twee dagen dat verfoeide tutje weggooien.
Het concept is simpel: de tuttistop is een spray die je op de tutter van je kindje sprayt. In de spray zitten alleen maar natuurlijke ingrediënten die niet schadelijk voor de gezondheid van het kind zijn, maar die de tutter wel een afgrijselijke smaak geven. Daardoor gaat het kind na een tijdje zijn geliefkoosde tutje verfoeien en zelf afstand nemen van de tutter.

In de spray zitten natuurlijke hopextracten, die verantwoordelijk zijn voor de slechte, zeer bittere smaak. Voor een flesje tel je ongeveer tien euro neer. Al hebben sommige pediaters wel bedenkingen bij het ‘wondermiddeltje’. ‘Dit is een vorm van pesten van je kind. Het simpelste is toch gewoon geen tutter meer in huis te halen. En belangrijker: je kind te motiveren en hem te laten begrijpen waarom je vraagt om niet meer te tutteren. Zeg dat hij of zij ondertussen groot genoeg is geworden en in dat grote bed geen fopspeen meer nodig heeft. Dat is beter dan er stiekem een vies middeltje aan te smeren. Sommige kinderen hebben nog behoefte aan babygedrag en dat mag je niet zomaar afnemen. Het heeft geen zin om er zo op te focussen. Doorgaans is tutteren iets dat, als het kind er rijp voor is, snel weer verdwijnt’, aldus pediater Johan Marchand van het UZ Brussel in Het Laatste Nieuws.


Mysterie van de dag: waarom worden we verlief op die ene?

Knack – 16 augustus 2015

Deze zomer viert Knack.be de mysteries van het leven. Elke dag kruipen we in de huid van een verwonderd kind en verbazen we ons over al dan niet alledaagse mysteries. Vandaag: waarom worden we verliefd op die ene?

Over wat er nu precies gebeurt wanneer u verliefd wordt, zijn wetenschappers het nog altijd niet helemaal eens. De voorbije 20 jaar hebben ze al veel van Cupido’s geheimen achterhaald, maar gelukkig nog niet genoeg om alle mysterie uit de liefde te halen.

Zo zijn er verschillende theorieën over waarom ons hart bijvoorbeeld sneller gaat slaan bij die ene persoon en niet bij die andere. Op wie men verliefd wordt, verschilt immers van persoon tot persoon. Pseudo-wetenschappers denken dat het liefdesspel gestuurd wordt door feromonen. Dat zijn geurloze hormonen die worden uitgescheiden door de zweetklieren en bepaalde informatie uitsturen over bijvoorbeeld het afweersysteem. Dat feromonen een rol spelen bij dieren is bewezen, maar voorlopig nog niet bij de mens.

Verliefd op een vreemde

De Amerikaanse psychologe Barbara Fredrickson van de universiteit van North Carolina heeft een andere theorie voor het fenomeen. In haar boek ‘Liefde 2.0’ schrijft ze dat men op eender wie verliefd kan worden zolang er maar een micromoment van verbondenheid is tussen beiden. Deze micromomenten van positiviteitsresonantie kunnen plaatshebben met een lukrake persoon die je eender waar kan ontmoeten. Zo kan u tijdelijk verliefd worden op een vreemde in de straat, een collega op het werk of de kassierster in de supermarkt enkel en alleen omdat men zich verbonden voelt door een gedeelde positieve emotie.

Voorwaarde is volgens Fredrickson wel dat een persoon fysiek bij de andere persoon moet zijn om het micromoment te kunnen ervaren. Een verliefd koppel is dus eigenlijk niet verliefd wanneer de beide partners niet bij elkaar zijn. Hoewel u zich terwijl u dit leest misschien verbonden voelt met uw partner en naar hem of haar verlangt, is uw lichaam momenteel volledig ‘liefdeloos’.

Niet voor altijd

Hoe moeilijk de liefde dus soms kan zijn, deze theorie maakt liefde veel bereikbaarder in ons dagdagelijks leven dan gedacht, of u nu een relatie hebt of niet. Het kan een troost zijn voor de vele singles onder ond.

Maar als u dan toch eindelijk de ware hebt gevonden, dan staat de wetenschap alweer klaar om het ‘ze leefden nog lang en gelukkig’-sprookje aan diggelen te slaan is. Slechts zo’n drie procent van de zoogdieren is monogaam en de mens behoort daar – helaas voor de gebroeders Grimm – niet toe. Volgens een populaire theorie is ons brein van nature geprogrammeerd om zo veel mogelijk partners te hebben, net als de chimpansees die in de heerlijkheid van de promiscuïteit leven.

Maar, er is hoop. Volgens verschillende studies zijn er een hele reeks niet-biologische factoren die ervoor kunnen zorgen dat mensen toch monogaam door het leven kunnen gaan, namelijk communicatie, respect voor elkaar, gemeenschappelijk interesses en een intense vriendschap tussen beide partners.


Steeds meer mensen boeken ‘adult only’ vakantie

Nieuwsblad – 14 augustus 2015

Meer en meer mensen boeken een zogenaamde ‘adult only’ vakantie. Concreet betekent dat dat ze hun vakantie doorbrengen in een hotel waar geen kinderen zijn toegelaten. Touroperator Jetair ziet dit jaar een stijging met 16 procent. Vooral oudere koppels, van wie de kinderen het huis uit zijn, tonen veel interesse in een rustige vakantie.
Geen zin in joelende kinderen aan het zwembad of optredens van clowns in de lobby? Dan ben je niet alleen. Touroperator Jetair merkt op dat 16 procent meer mensen dan vorig jaar een vakantie willen doorbrengen zonder kinderen. Volgens woordvoerder Hans Vanhaelemeesch staat ‘adult only’ vooral voor het feit dat kleine kinderen niet toegelaten zijn en extra luxe op de verblijfplaats. Afhankelijk van hotel tot hotel met het label mogen tieners wel binnen als ze de leeftijd van 16 of 16 jaar hebben bereikt.

Tenerife, Turkije en Griekenland zijn de koploper met deze formule en het gaat ook vaak over de hotels in het duurdere segment met vier of meer sterren. Touroperators verwachten dat in de toekomst nog meer mensen voor deze vakantieformule zullen kiezen.


Onderzoek: ‘Een derde van de mannen vindt verkrachting geen verkrachting’

Knack – 13 augustus 2015

Een nieuwe studie concludeert dat maar liefst een derde van de mannen dwang zou willen gebruiken om gemeenschap te bekomen als er geen consequenties zouden volgen, maar dat willen ze geen verkrachting noemen. De reden hierachter opent deuren voor toekomstige preventie.

Dat heel wat mensen verkrachting en iemand dwingen tot seks beschouwen als twee aparte zaken, bleek al uit een studie uit de jaren ’80. Daarvoor werd een enquête afgenomen die ten eerste gedrag bevroeg (“Heb je ooit iemand gedwongen om seks te hebben door die persoon neer te duwen?”) en ten tweede het gedrag bestempelde met het woord verkrachting (“Heb je ooit al iemand verkracht?”). In die enquête waren mannen het opmerkelijk meer eens met de stelling dat ze in het verleden al eens “seksueel dwingend gedrag hadden vertoond” dan dat ze “iemand hadden verkracht”. Ook vrouwen antwoordden vaker dat ze slachtoffer waren van “dwingend seksueel gedrag” dan dat ze de term “verkracht” gebruikten. Mensen reageren dus anders, afhankelijk van de verwoording.

Enquêtes

Dertig jaar na die studie ging onderzoekster Sarah Edwards van de Universiteit van North Dakota op zoek naar het waarom van die verschillende reacties. Daartoe liet ze een groep mannelijke universiteitsstudenten enkele enquêtes invullen. Een daarvan vroeg in welke activiteiten de mannen zouden participeren “als niemand het ooit te weten zou komen en als er geen consequenties aan vasthingen.” Sommige van die voorgelegde activiteiten bevatten het woord verkrachting, anderen gingen over het dwingen van iemand om seks te hebben zonder het woord verkrachting te gebruiken.

De drie overige enquêtes in de recente studie peilden naar het niveau van vijandigheid tegenover vrouwen, het gehalte aan machismo (bijvoorbeeld wanneer iemand gevaar als spannend beschouwt en geweld als mannelijk) en aantrekking tot seksueel geweld.

Schokkende cijfers

Bijna een derde van de mannen (31,7 %) zei dat hij – als er dus geen consequenties zouden zijn en niemand het ooit te weten zou komen – een vrouw “zou dwingen om seks te hebben”. 13,6 % gaf aan in die situatie een vrouw “te willen verkrachten”. Schokkende cijfers, maar op zich dus niets nieuws. Edwards wilde vooral onderzoeken vanwaar dat verschil tussen de twee groepen komt: waarom willen sommige mannen “verkrachten”, terwijl anderen het ‘slechts’ willen houden bij “gedwongen geslachtsgemeenschap”?

Met behulp van de andere afgenomen enquêtes kon het onderzoeksteam daar nu een antwoord op formuleren. Mannen die het woord verkrachting gebruikten, bleken namelijk vijandiger te staan tegenover vrouwen en ongevoeliger tegenover seks. Bij de grootste groep lag dit anders: mannen die erkennen “seks te willen afdwingen” maar tegelijk verkrachting ontkennen, scoren niet dezelfde hoge graad aan vrouwenhaat. Ze bleken meer thuis te horen in de categorie ‘goedbedoelende seksisten’: hun opvattingen tegenover de andere sekse lijken misschien positief, maar zijn wel schadelijk voor de gelijkheid. (Denk maar aan het idee dat vrouwen beschermd moeten worden door mannen.)

Preventie

Met andere woorden: niet elke potentiële verkrachter is een vrouwenhater en er bestaat geen algemene aanpak om aan preventie te doen. De onderzoekers vermoeden zelfs dat mannen die zo kwaad zijn op vrouwen dat ze niet echt graten zien in verkrachting, weinig vatbaar zijn voor preventiecampagnes.

In de tweede categorie, die van mannen die verkrachting ontkennen, zien ze meer perspectieven. Het probleem bij deze groep is volgens de vorsers echter dat deze mannen niet geloven dat ze in staat zijn tot een verkrachting, waardoor ze de campagnes ertegen links laten liggen. Dankzij dit onderzoek kunnen deze mannen nu echter gemakkelijker geïdentificeerd en in preventiecampagnes dus gerichter aangesproken worden, waardoor de wetenschappers hopen het aantal voorvallen in de toekomst te kunnen verminderen.


Moeder stapt naar politie nadat zoontje van leiding bier mag drinken

Het Belang van Limburg – 13 augustus 2015

De moeder van een Chirojongen is naar de politie gestapt nadat haar 12-jarige zoontje op kamp ‘uit traditie’ op pintjes werd getrakteerd. ‘Beter onder toezicht drinken dan stiekem’, verdedigt de betrokken Chirogroep zich. Chirojeugd Vlaanderen distantieert zich daarvan, en zal de groep om uitleg vragen. Het is de tweede keer deze zomer dat een Chirogroep in opspraak komt wegens een incident met alcohol, zo meldt Het Nieuwsblad.
Straffe verhalen vanop Chirokamp. Heel wat ouders krijgen ze te horen. Maar Camille ­Devos (33) uit het West-Vlaamse Zedelgem schrok toch wel even toen haar ­12-jarige zoontje zijn verhaal deed. ‘Ik heb twee glazen Kriek gedronken, mama’, ­bekende hij in de auto op weg naar huis. ‘Het mocht van de leiding. Ik kan het maar beter zeggen, want het zal toch uitkomen.’

Camille wist niet wat ze hoorde en stapte al naar de politie. Ze is er nog niet helemaal uit of ze een klacht zal indienen of niet. ‘In het programmaboekje stond heel duidelijk dat alcohol verboden was en dat de bagage gecontroleerd zou worden’, zegt Camille. ‘In die optiek geef je je kind met een gerust hart mee op kamp. Maar dan hoor ik plots dat mijn 12-jarige zoontje alcohol dronk.’

Bij de Torhoutse Chirogroep Wijnendale zit de leiding verveeld met de zaak. Maar dat de amper 12-jarige leden alcohol dronken, wordt ruiterlijk toegegeven, in het volle besef dat het wettelijk gezien niet mag. ‘Maar de tweedaagse trektocht met de kinderen vanaf 12 jaar betekent volgens de traditie ook hun eerste pintje’, aldus groepsleidster Jasmien Jaques


Ouderschap is erger dan dood partner

De Standaard – 12 augustus 2015

Wie nog geloofde dat kinderen krijgen alleen vreugde en blijdschap met zich meebrengt, is er nu definitief aan voor de moeite. Uit een onderzoek dat gepubliceerd werd in het vakblad Demography blijkt dat driekwart van de jonge ouders duidelijk minder gelukkig zijn met hun leven.

Rachel Margolis (University of Western Ontario) en Mikko Myrskylä (London School of Economics & Political Science) volgden voor hun studie meer dan 2.000 Duitse ouders in spe tot twee jaar na de geboorte van hun eerste kind.

De respondenten moesten hun algemeen geluksgevoel beschrijven op een schaal van 0 (helemaal ontevreden) tot 10 (helemaal tevreden) in antwoord op de vraag ‘hoe tevreden bent u met uw leven, alles in overweging genomen’. ‘Dit meet het algemene gevoel over het ouderschap niet, maar het is beter dan directe vragen daarover, aangezien nieuwe ouders het als een taboe beschouwen om negatieve dingen te zeggen over hun kind’, leggen de onderzoekers uit.

Zo’n 30 procent van de ondervraagden verklaarden dat ze zich even gelukkig of gelukkiger voelden na de geboorte van hun eerste kind. 37 procent noteerde een daling van het geluksgevoel met één eenheid, 19 procent met twee eenheden en 17 procent zelfs met drie eenheden.

Gemiddeld leidde het kersverse ouderschap tot een daling van 1.4 eenheden. Dat is veel vergeleken met andere belangrijke gebeurtenissen. Voorgaande studies wezen uit dat een scheiding gemiddeld voor een daling met 0.6 eenheid zorgt, bij werkloosheid en bij de dood van een partner daalt het geluksgevoel met 1 eenheid.


Tieners praten liever via facebook over problemen

VTM nieuws – 10 augustus 2015

Veel jonge tieners tussen 10 en 14 praten liever via Facebookchat met hun ouders over problemen dan in levende lijve. Dat blijkt uit een onderzoek van KU Leuven waarover Het Belang van Limburg bericht. Ouders hoeven zich echter niet meteen zorgen te maken. Experts raden ouders wel aan het medium ten volle te gebruiken.

Studente Viktorien Van Loon onderzocht voor haar masterproef hoe de kinderen communiceren via Facebook. De sociale netwerksite blijkt een goed middel te zijn om de eerste stap te zetten om moeilijke kwesties zoals liefdesverdriet en pesten aan te kaarten. “Voor sommige kinderen is het makkelijker om via een chatvenster over hun problemen te praten dan face-to-face.”

Volgens professor communicatiewetenschappen Heidi Vandebosch (Universiteit Antwerpen) hoeven ouders zich niet meteen zorgen te maken over die tendens. “Het is soms makkelijker om je gevoelens neer te schrijven dan te verwoorden. Kinderen voelen zich sowieso ook ‘veilig’: wat via zo’n chatvenster besproken wordt, is alleen voor mama bedoeld.”


SP.A pleit voor uitbreiding van rouwverlof

Knack – 10 augustus 2015

‘Drie dagen vrij na het overlijden van een familielid is te kort voor het verwerkingsproces.’ Daarom pleit SP.A voor een uitbreiding van het rouwverlof.

SP.A-Kamerleden David Geerts en Meryame Kitir willen dat het bestaande rouwverlof voor werknemers uitgebreid wordt. In plaats dat iemand recht heeft op twee of drie dagen (afhankelijk van de relatie tot de overledene) pleiten ze voor 5 tot 10 dagen. Dat idee werkten ze uit in een nieuw wetsvoorstel, schrijft De Standaard.

Volgens Kitir is de huidige periode die rouwende nu vrij krijgen te kort voor het verwerkingsproces. ‘Daardoor gaan mensen beroep doen op gewone verlofdagen of op de ziekteverzekering’, zegt ze in de krant. ‘Voor veel mensen komt de schok pas na de begrafenis.’ Daarom wil Kitir dat de 5 tot 10 dagen kunnen worden opgenomen binnen het jaar na het sterfgeval. Want in de huidige regeling dient het rouwverlof opgenomen te worden tussen de dag van het overlijden en de dag van de begrafenis.

Niet nieuw

Het voorstel is niet nieuw, in het verleden waren CD&V, Groen en CDH al voorstander van dezelfde maatregel. ‘En dat zijn we nog steeds’, aldus Stefaan Vercamer (CD&V).

Op dit moment is het kabinet van minister Maggie De Block (Open VLD) de verschillende voorstellen in verband met verlof aan het inventariseren. In het najaar zal – afhankelijk van het budget – beslist worden welke maatregel doorgevoerd kan worden.


Waarom miskraam taboe blijft

De Standaard – 6 augustus 2015

Facebook-baas Mark Zuckerberg liet zijn dertig miljoen volgers vrijdag weten dat hij en zijn vrouw drie miskramen achter de rug hebben. Ze voelen dat er nog steeds een taboe rust op zwangerschappen die fout aflopen, schreef hij. Er wordt te weinig openlijk over gepraat.

Het gebeurde via Facebook, allicht. Zo hoort dat voor de baas van Facebook. Vrijdag postte Mark Zuckerberg een foto van zichzelf met zijn vrouw Priscilla Chan, duidelijk zwanger. Hij schreef er een tekst bij waarin hij niet alleen blij aankondigde dat er een baby op komst is, maar waarin hij ook vertelde dat ze al drie zwangerschappen gehad hebben die geëindigd zijn in een miskraam. Hij pleitte daarmee voor meer openheid over miskramen: ‘De meeste mensen praten er niet over. De angst om anderen weg te jagen of uit schaamte, alsof je iets hebt gedaan om dit over je af te roepen.’ Terwijl, zo schrijft hij, ‘die openheid ons samenbrengt, via wederzijds begrip en tolerantie. Het geeft ons hoop.’

Een post die veel bijval kreeg. Vrouwen van overal ter wereld zetten hun eigen ervaringen met miskramen online. Ze erkenden dat het iets is waarover je, als je het meemaakt, maar moeilijk kunt praten. Dat Zuckerberg als man het issue op tafel gooide, gaf een extra dimensie aan de discussie. Als vrouwen al het gevoel krijgen dat ze niet te lang moeten treuren over een miskraam en zo snel mogelijk weer moeten doorgaan met het gewone leven, geldt dat nog meer voor mannen.

Ongedeeld verdriet

Naar schatting eindigt bij ons gemiddeld tien tot twaalf procent van de zwangerschappen in een miskraam of een doodgeboorte. Dat valt af te leiden uit een onderzoek van Sexpert uit 2013. Genoeg, zo zou je denken, om het thema ruim bespreekbaar te ­maken. Maar dat lijkt niet altijd te lukken. ‘Er is zeker een taboe’, zegt Marleen Vertommen van Met ­Lege Handen, een organisatie die koppels en vrouwen begeleidt na een miskraam of een doodgeboorte. Vertommen werkt als muzikante, maar nadat ze zelf een miskraam en twee doodgeboortes had meegemaakt, schoolde ze zich ook om tot rouwconsulente. Ze weet uit eigen ervaring dat rouwen bij een miskraam of een doodgeboorte een eenzaam en geïsoleerd iets is. Het is helemaal anders dan wanneer bijvoorbeeld een tante of een vriend overlijdt, aan wie je samen met anderen gemeenschappelijke herinneringen hebt. Een zwangerschap beleef je alleen, of in koppel, en de lichamelijke band met de baby zit vooral bij de moeder. Zij is de enige die weet hoe het embryo of de baby voelt, en zij is de eerste die er afscheid van moet ­nemen. Marleen Vertommen: ‘Daar zit een van de oorzaken van die onbespreekbaarheid. De omgeving heeft zich niet kunnen hechten aan het kind, en dat werkt het onbegrip voor het rouwproces in de hand. Familie en vrienden zien enkel een zwangere vrouw, geen baby. De band met een ongeboren kind is veel intenser bij de ouders dan bij de omgeving. Die discrepantie maakt dat rouwen om een ongeboren kind een eenzaam, stil verdriet is dat je niet makkelijk kan delen.’

Het is het soort van onbegrepen verdriet dat in de weg lijkt te zitten van het sociale verkeer, als een berg waar de spontane communicatie niet over kan. Dat veel mensen pas na de derde maand zwangerschap bekendmaken dat ze zwanger zijn, is daar ook een puzzelstukje van. Als het misloopt, hoef je het niet te vertellen, en dan moet de wereld zich er niet in een bocht omheen werken. Babygeluk moet roze zijn, babyverdriet dat zwart is, is moeilijk te aanvaarden.

Komaan, vooruit

Ook het groeiende idee van maakbaarheid speelt mee. In de gedachte dat je een embryo kan laten weghalen als er iets mis is bijvoorbeeld, of in het idee dat je je lichaam kan voorbereiden op de perfecte zwangerschap. Vertommen: ‘De medische vooruitgang – die we vanuit de vereniging overigens sterk ondersteunen – geeft zo’n gevoel van beheersbaarheid en manipuleerbaarheid, dat het steeds moeilijker wordt om te aanvaarden dat er iets mis is.’ Want dan zal het wel je eigen fout zijn, zoals ook Zuckerberg suggereert. Schuldgevoel om je eigen lichaam, om je levensstijl. Nog zoiets dat het taboe voedt.

Maar het taboe komt ook van buitenaf. De kijk op rouwen wordt in deze neoliberaal getinte maatschappij bijvoorbeeld steeds harder. Vertommen: ‘Het idee dat je vooruit moet, ondanks alles, dat je niet te lang moet treuren, dat je het rationeel moet bekijken. Dus wat hoor je dan vanuit de omgeving? Dingen als: “Je bent jong, je kan nog een baby krijgen, alles is nog mogelijk.” Maar zo werkt dat niet, je hebt tijd nodig om dat verdriet te verwerken. Je wil niet vergeten, en dat hoeft ook niet, want dat niet-vergeten maakt deel uit van het rouwen. Alleen lijkt de omgeving wel te verwachten dat je vergeet. Vrienden proberen je weer in het leven te trekken, nodigen je uit voor etentjes en willen vooral afleiding bieden, terwijl dat niet is wat je nodig hebt.’

Laten zijn

Negerend zwijgen of krampachtig naar oplossingen zoeken, dat blijken de meest voorkomende reacties op een miskraam of doodgeboorte. Allebei wijzen ze op ontwijkend gedrag, eigen aan een taboe. Vertommen: ‘Terwijl de beste reactie gewoon is: laat zijn wat is, schiet niet in een oplossingskramp. Het is iets wat ik ook merkte na het verlies van mijn baby’s. Zoveel mensen willen je troosten met uitspraken als “Het is omdat de natuur het gewild heeft. Het zou toch een sukkeltje geweest zijn.” Mensen willen allemaal zo snel mogelijk het verdriet wegnemen en wat er gebeurd is goedpraten, maar dat betekent dat je zou moeten vergeten. En dat wil je niet. Troosten kan alleen door te erkennen wat is. Door te blijven luisteren, door het niet- of doodgeboren kind deel van iemands leven te laten zijn. Ik vergelijk het vaak met schoolpoortmama’s: die blijven ook vaak nog een hele tijd over hun kinderen doorpraten nadat de school begonnen is.’

Op kousenvoeten

Vragen stellen. Ook dat helpt om de taboesfeer te verlaten. Het is al te menselijk om te denken dat je iemands privésfeer schendt door een gespreksonderwerp aan te snijden waarvan je vermoedt dat het in de delicate sfeer zit. Dus wordt er op kousenvoeten rond de spreekwoordelijke elephant in the room getrippeld. Dat zie je zeker bij een miskraam. Vertommen: ‘Vrienden en omgeving wachten vaak tot een koppel er zelf over begint, maar dat hoeft niet. Wie zoiets meemaakt, wil het gewoon kwijt.’ Vandaar ook het belang van lotgenoten. In praatgroepen met mensen die hetzelfde hebben meegemaakt, is het taboe taboe en weet iedereen hoe het voelt om pijn te voelen die de buitenwereld niet makkelijk erkent.

Zuckerberg pleit ervoor om ook het internet een belangrijke rol te ­laten spelen in het delen van die ervaringen en het bevechten van het taboe. Dat kan de buitenwereld alleen maar meer vertrouwd met en minder bang maken van dat babyverdriet.


Bijna 9 op de 10 Belgische ouders vinden de schoolpremie te laag

Moneytalk – 6 augustus 2015

Ouders die kinderbijslag ontvangen, krijgen vandaag de schoolpremie op hun rekening gestort. Maar uit een onderzoek van Vereniging van Private Kinderbijslagfondsen blijkt dat 87 procent van de ouders niet tevreden is over de premie.

Naar aanleiding van de schoolpremie die de ouders morgen ontvangen heeft de Vereniging van Private Kinderbijslagfondsen 16.479 ouders bevraagd over de schoolpremie. Uit die enquête blijkt dat 87 procent van de ouders de schoolpremie veel te laag vinden om de schoolkosten bij het begin van de schooljaar te dekken. Desalniettemin is de premie een welgekomen duwtje in de rug, zegt Koen Mortier, algemeen directeur van de vereniging. “En ook zonder de maandelijkse kinderbijslag kan de Belg niet meer.”

Schoolkosten dekken

Het merendeel van de ouders (83%) gebruikt de premie om effectief de schoolkosten te betalen. Bij de gezinnen die de eindjes moeilijk aan elkaar kunnen knopen, loopt dat op tot 90 procent. 2 procent van de respondenten gebruikt het extraatje om op vakantie te gaan of besteedt het aan een daguitstap.

83 procent vindt dat het bedrag van de schoolpremie mag afhangen van de gezinssituatie en het inkomen van de ouders. Opvallend: drie op de vijf ouders die een verhoogde schoolpremie krijgen, vinden dat dat de schoolpremie afgeschaft moet worden voor ouders met een hoger inkomen. Bij diegene die van een gewone kinderbijslag genieten is dat 42 procent.

Negen op de tien ouders vinden dat de schoolpremie mee mag evolueren met de leeftijd van het kind, zoals dat nu het geval is. Leeftijdsbeperkingen zijn uit den boze: de schoolpremie beperken tot 18 jaar vindt weinig steun bij de ouders.

Streng voor sjoemelende ouders

Bijna alle ouders van schoolgaande kinderen (99%) willen de maandelijkse kinderbijslag niet inruilen voor een fiscaal alternatief. Net zoals de schoolpremie wordt ook de kinderbijslag doelgericht gebruikt. Ongeveer tweederde gebruikt de kinderbijslag voor basiskosten als voeding en kleding. Daarnaast gebruikt 45 procent van hen de kinderbijslag voor onderwijszaken zoals studiebegeleiding en een kot.

Tot slot blijken de Belgen streng voor sjoemelende ouders. 94 procent van de Belgen vindt dat ouders in die gevallen een sanctie moeten krijgen of een tijd geen kinderbijslag meer mogen ontvangen.


Op vakantie gaan met verschillende gezinnen is een workshop in diplomatie

De Morgen – 5 augustus 2015

Zeg, heb je dat gezien? Die van uw broer heeft weeral twee keer zoveel wijn gedronken als ik, maar de rekening wordt wel gewoon in twee gedeeld. En haar kinderen pakken duurdere desserts. Dat gaat hier geen twee weken zo duren, daar zal ik eens voor zorgen!”

“Moeten wij nu weeral een marktje afdweilen en een kerk gaan bezoeken, omdat Jos zo bezeten is van de katharen?”

“Ik ga niet terug aan dat zwembad liggen omdat zij zo graag met haar nieuwe tieten loopt te paraderen!”

Het is maar een greep uit het mijnenveld aan opmerkingen die ervoor kunnen zorgen dat een vakantie omslaat in een regelrechte stressweek.

Op vakantie gaan met verschillende gezinnen en een hoop kinderen is een levende workshop in diplomatie. Je hebt natuurlijk de simpele situatie. Totaal gelijkgestemden, broers en zussen samen met neefjes en nichtjes, waar de verstandhouding als vanzelf verloopt. De broers nemen het voortouw, kennen elkaar door en door en communiceren direct en duidelijk. De achterhoedegevechten tussen de schoonzussen, die elkaar niet noodzakelijk hoeven te mogen, worden binnenskamers afgewerkt, per koppel, voor het slapengaan. Met sussende beloftes en wat pendeldiplomatie tussen de rechtstreekse familieleden worden heftige conflicten vermeden en kan er heel veel opgelost worden.

In het slechtste geval is het een eenmalig experiment, en leggen de aanwezigen voor eeuwig en altijd vast dat de maximale cohabitatieperiode tussen de gezinnen nooit langer kan zijn dan een verlengd weekend in de Ardennen.

Onder vrienden is het een heel ander verhaal. Je hebt de aparte dynamiek binnen elk gezin, waar eenieder ook nog eens zijn specifieke doelstellingen en verwachtingen heeft, en dan is er de groep. Het veelkoppige monster waarvan iedereen deel uitmaakt, en waarin zoveel dromen en verzuchtingen besloten liggen.

“We gaan samen op reis en dat gaat tof zijn. Want kinderen, honden, mannen en vrouwen, iedereen kan met iedereen overweg”, klinkt het – bij aanvang en in theorie. Maar dan komen we bij de praktische realisatie van dat ‘tof’ zijn. Het gaat over uitstapjes, over samen eten, over ‘me-time’, ‘us-time’, noem-maar-op-time. Het gaat over kinderen die dingen willen doen die geld kosten, volwassenen die dingen willen doen die tijd vragen. Een veelheid van ingeslepen gewoontes per gezin wordt plotseling in vraag gesteld. Wij eten zus en ontbijten dan… Zij willen liever zo, maar houden niet echt van de drukte. En een derde vindt alles goed.

Elke dag opnieuw zie je het dan weer gebeuren. Voorzichtig aftasten, gedurfd delegeren, vrijuit proefballonnetjes oplaten, of meegaand knikken op alles. Ondanks al die tegenstellingen en al die eigenheden loopt zo’n vakantie haast altijd goed af, en blijkt het voor iedereen leuk te zijn. Waarom? Omdat er omgekeken wordt naar elkaar, en rekening gehouden wordt met alle verzuchtingen. Zoals het hoort.

En na een week is het weer voorbij.


Koppels die hun relatie op facebook zetten, blijven langer samen

Het Laatste Nieuws – 5 augustus 2015

Heb jij er een hartgrondige hekel aan wanneer koppels elkaars Facebookpagina bombarderen met hartjes en liefdesbetuigingen? Of kondig jij gewoon lekker zelf aan dat jouw vriend de beste van de hele wereld is? Als je tot de laatste categorie behoort, is de kans groot dat jouw relatie blijft duren. Want koppels die hun relaties tot in detail op Facebook uit de doeken doen, zouden volgens verschillende studies samen blijven.
Volgens een actuele studie van de universiteit van Wisconsin-Madison zouden koppels die hun relatie tot in de puntjes delen op Facebook (bijvoorbeeld door status updates, foto’s, en reageren op elkaars tijdlijn) meer toegewijd zijn aan elkaar en een grotere kans hebben om na zes maanden nog samen te zijn.

Hechtere band

De onderzoekers gingen de interacties tussen koppels na aan de hand van een enquête en door de activiteit op Facebook te meten. Na zes maanden voerden ze datzelfde onderzoek opnieuw uit. De resultaten waren erg interessant. “Als je jezelf duidelijk als een deel van een koppel presenteert op Facebook, dan ben je meer toegewijd aan je partner en zal je relatie langer blijven duren,” legt doctor Carolina Toma, assistent professor aan de universiteit van Wisconsin-Madison en co-auteur van de studie, uit.

“Ik maak graag een analogie met trouwfeesten, het is immers hetzelfde concept. Net als bij een bruiloft breng je ook op Facebook al je vrienden samen en kondig je publiekelijk je liefde voor elkaar aan. Dat is psychologisch gezien erg betekenisvol, omdat je jezelf ziet door de ogen van anderen. Je relatie officieel maken op Facebook is een belangrijke mijlpaal waar koppels vaak eerst over praten. Zo ontstaan er nieuwe mogelijkheden voor koppels,” verklaart Toma.

Deze bevindingen worden ook door een ander onderzoek onderschreven. Een onderzoek van de universiteit van Western Illinois uit 2013 kwam tot dezelfde conclusie. Professor Cristopher Carpenter verklaart het als volgt: “Ik ontdekte dat koppels die vaker samen op foto’s staan of elkaar meer taggen in status updates een hechtere band en een meer romantische relatie hebben.”

Facebook als studiemateriaal

Carpenter vindt Facebook hét middel bij uitstek om mensen en relaties te bestuderen. “We kunnen moeilijk mensen achtervolgen met een taperecorder om te achterhalen wat ze de hele dag zeggen. Via Facebook kunnen we echter een gedeelte van die dagopname bekijken. We zien hoe vaak mensen in interactie treden met hun partner, wat ze zeggen en hoe ze zichzelf voorstellen op hun profiel.”

Ook doctor Carolina Toma vindt Facebook rijk studiemateriaal: “We vonden het interessant om na te gaan of koppels die hun toewijding publiekelijk laten blijken, ook in praktijk meer toegewijd zijn aan elkaar.”


Studieresultaten wegen minder bij sollicitatie

De Tijd – 5 augustus 2015

Britse afgestudeerden moeten niet langer een ‘onderscheiding’ halen op hun diploma als ze willen solliciteren bij consultant EY. Ook Vlaamse bedrijven vinden studieresultaten en universitaire graden steeds minder doorslaggevend. ‘De juiste mentaliteit kan je niet meten in cijfers’.

Een Britse afgestudeerde die wilde solliciteren bij consultant EY, had daarvoor tot nu toe altijd een ‘academisch toegangsticket’ nodig. Zonder een ‘2:1-degree’, een universitaire graad die te vergelijken is met de Vlaamse ‘onderscheiding’, kwam je niet in aanmerking voor een vacature bij de Britse tak van de consultant. Maar EY keilt die voorwaarde nu overboord. De academische prestatie is voortaan slechts een van de criteria en niet de doorslaggevende. ‘Het academische luik blijft belangrijk, maar het zal sollicitanten voortaan niet meer verhinderen om een voet tussen de deur te krijgen’, aldus Maggie Stilwell, partner bij EY. De consultant hoopt zo ook diversere profielen aan te trekken.
EY treedt daarmee in de voetsporen van andere bedrijven die de afgelopen jaren de fetisj van goede studieresultaten als voorwaarde voor een sollicitatie verlaten hebben. Zo gaf concurrent PwC in mei al aan niet langer te kijken naar de studieresultaten bij het overwegen van kandidaten. Clifford Chance, een van de belangrijkste advocatenkantoren over het Kanaal, volgt zelfs een ‘cv-blind’ hr-beleid. Rekruteerders weten bij gesprekken met kandidaten niet van welke universiteit ze komen en hoe goed ze het daar dan deden.
Universitaire graad

Ook in Vlaanderen hechten werkgevers steeds minder belang aan goede studieresultaten of universitaire graden. Een student die aan een van de Vlaamse universiteiten een ‘onderscheiding’ behaalde – wat neerkomt op gemiddeld 67,5 procent van de studiepunten – koopt zich daar niet meteen de garantie op een job mee.
Volgens de gegevens van de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling (VDAB) zijn werkgevers immers steeds minder op zoek naar dergelijke primussen die met een onderscheiding op de arbeidsmarkt terecht komen. ‘Buiten de puur academische wereld komen onze consultants de vraag om een universitaire graad echt niet vaak meer tegen’, bevestigt Shaïreen Aftab, woordvoerster van de VDAB.
Een rondvraag bij de Vlaamse bedrijven versterkt die stelling. De drie grote consultancykantoren – EY, Deloitte en KPMG – vinden een universitaire graad en dus goede academische prestaties geen ‘expliciet’ of ‘doorslaggevend’ argument om bij hen te mogen beginnen werken.
‘De Britten doen nu alsof hun initiatief wereldnieuws is, maar in Vlaanderen groeien we daar de facto al enkele jaren naar toe’, zo stelt Wouter Van Linden, hr-directeur van KPMG het cru. ‘We hebben geen formeel proces waarbij we kijken naar graden of cijfers. Het is geen doorslaggevende factor en je mag de rol ervan al een hele tijd niet meer overschatten. Het gaat ons eerder om een reeks aan elementen zoals de persoonlijkheid van de potentiële werknemer. Ook de vraag of hij of zij past binnen het bedrijf is voor ons cruciaal.’
Eenzelfde geluid is te horen bij de Belgische tak van EY. ‘De enige basisvoorwaarde die we vragen is een masterdiploma’, zo bevestigt Christophe Ballegeer, woordvoerder van EY. ‘Daarna kijken we onder meer naar de studieresultaten, maar we maken de selectie zeker ook op basis van de persoonlijkheid. Bovendien moeten we door de verschuiving naar it-domeinen open staan voor een steeds breder pallet aan profielen’.
Ondernemersgeest

De focus van recruiters is dan ook haast geruisloos verschoven van de studieresultaten van een kandidaat naar zijn extra-curriculaire activiteiten. ‘Sommige partners bij ons zijn nog wel gevoelig voor een universitaire graad, maar we vragen hen toch wel om naar veel meer te kijken’, bevestigt Tinne Aerts, senior recruiter consultant bij Deloitte. ‘Heeft iemand mee gewerkt aan een start-up of een ander bedrijfsproject? Die ondernemersgeest kan je niet vatten in cijfers. Die moet je buiten het curriculum gaan zoeken. Dan moet je gaan onderzoeken wie die persoon is.’
Ook in de juridische wereld is de norm van een universitaire graad niet meer absoluut. Al is de beweging daar schoorvoetend en veelal beperkt tot nichekantoren zoals De Juristen, die gespecialiseerd zijn in ICT- en intellectueel eigendomsrecht.
Zelfs in de IT-omgeving doen ‘soft skills’ steeds meer hun intrede ten nadele van universitaire prestaties, bevestigt Kris Poté, communicatiedirecteur bij het IT-dienstenbedrijf Capgemini. ‘We willen niet enkel nerds of wizards aanwerven. De IT-wereld is een snel veranderende omgeving. Je moet daar een echte teamplayer zijn om die snelle omwentelingen aan te kunnen.’
Bovendien is nog een extra graad zoals onderscheiding eisen van it-profielen tout court niet realistisch, stelt Poté. ‘Op de arbeidsmarkt is er al een fors tekort aan it-profielen. Hoe scherper de markt, hoe minder je kan focussen op uitzonderlijke universitaire prestaties of universitaire graden. We zitten in een toestand waarin wij niet meer te kiezen hebben. De kandidaat kiest voor ons. Die evolutie zie ik de eerstkomende jaren ook niet meteen veranderen.’


Ook niet zwangere vrouwen kunnen borstvoeding geven

Knack – 4 augustus 2015

Meemoeders in een lesbische relatie of vrouwen die een kindje adopteren, kunnen zelf borstvoeding geven. Ze moeten er wel wat voor over hebben.

De procedure voor ‘opgewekte’ borstvoeding werd in 1999 ontwikkeld door de Canadese kinderarts Jack Newman en wordt ook bij ons toegepast. Borstvoedingsdeskundige Laurence De Backer begeleidt vrouwen in Vlaanderen en legt uit wat er gebeurt.

‘Liefst zes maanden voor de komst van het kindje ga je de combinatiepil innemen, omdat het oestrogeen erin de borstklieren ontwikkelt. Later komt er domperidon (Motilium®) bij: een bekend geneesmiddel tegen misselijkheid, maar het zet ook de hypofyse in de hersenen aan om het borstvoedingshormoon prolactine aan te maken. Twee maanden voor de verwachte geboorte van de baby stop je met de pil en ga je heel intensief je borsten afkolven. In het begin heb je maar een druppel melk, maar vanaf dan neemt de hoeveelheid per beurt toe. Zo snel mogelijk na de geboorte moet de baby aan jouw borst, want een zuigende baby heeft een grotere invloed op de toeschietreflex dan een afkolfmachine. Zelfs een adoptiekindje dat al enkele maanden met een flesje gevoed is, kun je met een hulpsetje toch weer aan de borst wennen.’

Opstaan ‘s nachs

Vooral de afkolfperiode is psychologisch en organisatorisch zwaar. Je moet er ‘s nachts voor opstaan en ook op het werk moet je afkolven. In het begin heb je zo weinig melk dat de twijfel kan toeslaan. Laurence De Backer: ‘Wie dit doet, is sterk gemotiveerd. Het is altijd voor een heel gewenst kind. Vaak gaat er veel verdriet aan vooraf, als de moeder zelf geen kind kon krijgen. Lesbische meemoeders doen het ook uit liefde voor hun partner.’

Iedere aanstaande moeder wordt medisch onderzocht door haar gynaecoloog, maar een vrouw die borstvoeding wil opwekken, valt tussen de mazen van het net. Daarom is een voorafgaande screening belangrijk, om te voorkomen dat je gevaarlijke virussen zoals hiv of hepatitis b via de borstvoeding zou overdragen op de baby. Je moet ook groen licht krijgen voor de pil en voor domperidon. Dat middel is immers niet onomstreden, sinds bekend werd dat het in heel specifieke gevallen fatale hartritmestoornissen kan veroorzaken. Voor de baby is de minieme hoeveelheid domperidon in de melk niet gevaarlijk.

Band

Het ultieme doel is moedermelk aanmaken om je baby zelf te voeden. Sommige vrouwen hebben uit zichzelf genoeg, andere moeten bijvoeden. Al is de hoeveelheid niet het belangrijkste. Dat vindt ook Shana Geraerts.

‘Mijn zus droeg mijn zoon maar ik wou hem zelf voeden om me helemaal zijn mama te voelen. Het was lastig, maar ik had de steun van een enthousiaste lactactiekundige. Ook je partner moet 100 procent achter je staan. Het is heel goed gelukt: een week voor de bevalling had ik al een halve liter melk. Ondertussen is Nio bijna twee jaar en krijgt hij nog altijd borstvoeding. We blijven genieten van die momenten. Het is immers zo veel meer dan alleen voeding geven, het gaat ook om de band tussen ons. Veel te weinig mensen weten dat dit kan en hoe waardevol het is. Zelfs mijn eigen gynaecoloog zag er het nut niet van in en geloofde niet dat het kon lukken.


‘Verliefd worden op iemand anders is goed voor uw relatie’

Knack – 31 juli 2015

Volgens de wetenschap is verliefd worden op iemand buiten de relatie ‘onvermijdelijk’, maar dat zou dan weer zo slecht nog niet zijn voor de relatie.

Het merendeel van de mensen laat al eens zijn oog vallen op iemand anders dan hun partner. Dat zou niet per se een slechte zaak zijn, want die gevoelens voor iemand anders zouden juist het verlangen naar de eigen partner vergroten. Dat blijkt uit een studie van de Columbia University, Indiana University en de University of Kentucky-Lexington.

70 procent van de deelnemende vrouwen, die getrouwd waren of een vaste relatie hadden, bleek al eens verliefd te worden op een ander. Dat hoge percentage is geen verrassing aangezien eerder onderzoek van de hersenen in het vakblad Neuroreport heeft aangetoond dat een boontje hebben voor iemand anders dan de partner ‘fundamenteel onvermijdelijk’ is.

‘Vrouwen hebben verschillende ervaringen met en diverse strategieën om met verliefdheid om te gaan’, zo schrijven de auteurs in de studie die verscheen in het The Journal of Sex & Marital Therapy. ‘De meeste vrouwen rapporteerden dat de verliefdheid geen impact had op hun relatie en dat het zelfs het verlangen naar hun partner deed toenemen.’ Dat fenomeen wordt door de onderzoekers omschreven als ’emotionele overdracht’, wat betekent dat de vrouwen hun toenemende seksuele verlangen uit een verliefdheid toepassen op hun oorspronkelijke relatie.

De collega

Uit de studie blijkt verder dat de meerderheid van de vrouwen hun verliefdheid voor zich houdt en dat het object van de affectie meestal een collega is. Dat laatste komt overeen met een andere studie die zegt dat aantrekking sterk gelinkt is met de hoeveelheid tijd die iemand met de andere doorbrengt.

Is verliefd worden op een collega dan compleet onschuldig als u er niet verder op ingaat? Niet helemaal. De emotionele energie die u aan iemand anders dan uw partner spendeert, kan immers leiden tot een emotionele band. En dat kan door uw partner beschouwd worden als ontrouw. Zo vindt 50 procent – vooral vrouwen – ‘het vormen van een emotionele band’ met iemand vergelijkbaar met ‘ontrouw’, aldus een studie uit 2013 in het vakblad Evolutionary Psychology.

Bovendien is verliefd worden op een ander mogelijk een signaal dat u iets mist in uw huidige relatie. Mensen die tevreden zijn met hun partner hebben minder aandacht voor alternatieven. Zij minimaliseren onbewust deze alternatieven zodat ze begaan blijven met hun huidige relatie.


Open VLD en CD&V willen van huiselijk geweld weer een prioriteit maken

De Morgen – 31 juli 2015

Man slaat vrouw. En nog eens. En dan nog eens. De situatie is uitgegroeid tot familiaal geweld. Mevrouw wil aangifte doen en informeert op de site van de lokale politie. Waarbij de kans groot is dat ze op deze pagina met tips verzeilt. Tip 1: Een eerste stap is om over het geweld te praten! Praat voor het ploft! Maar als praten niet helpt, is het misschien tijd om te vluchten. Tip 2: onthoud belangrijke telefoonnummers zoals 101 (politie) en 106 (Teleonthaal). Je kunt ze programmeren in je gsm.

Ben je eindelijk het huis uit? Tip 3: zoek veilig onderdak en ga naar de politie om aangifte te doen. Met als afsluiter: Tip 4: neem fotokopies mee van alle bewijsstukken waarover je beschikt. Zo, anno 2015 zijn dit wel de tips waar je als mishandelde vrouw op zit te wachten.

De naam van de politiezone die deze tips verspreidt is niet van tel, wel dat de lokale politie intrafamiliaal geweld sinds dit jaar niet meer tot haar prioriteiten rekent. Niet dat de politie het probleem niet erkent. Maar, luidt de uitleg, ze hebben het fenomeen al jarenlang als prioriteit beschouwd zodat iedereen binnen de politie precies weet hoe hij moet werken.

Niet dat hun aanpak veel vruchten afwerpt, zo blijkt uit nieuwe cijfers die De Morgen vandaag publiceert. Jaarlijks worden er bijna 50.000 klachten voor intrafamiliaal geweld ingediend, meestal door vrouwen. Dat zijn er meer dan 130 per dag en dat ligt op Europees vlak hoog. Heel wat vrouwen zijn mondiger geworden, maar veel geweld blijft ook nog binnenskamers.

Volgens de politie staan ze ook vaak machteloos tegen het fenomeen. “Het is een kwestie van opvoeding en van wederzijds respect. De politie kan enkel vaststellen dat er inbreuken zijn.” Maar zelfs na de vaststelling staat de politie en het gerecht blijkbaar vaak machteloos. Want de afgelopen twee jaren zijn slechts 65 daders bestraft met een tijdelijk huisverbod. 65! Dat zijn er niet eens zoveel als er dagelijks klachten worden ingediend.

Bovendien hangt de hele opvangprocedure met haken en ogen aan elkaar, zo weet ook CD&V-politica Nahima Lanjri. Gevluchte vrouwen blijken niet steeds veilig te zijn voor hun gewelddadige man en vrouwen die noodgedwongen op de vlucht gaan zonder hun kinderen kunnen aangeklaagd worden voor het ‘verlaten van hun kinderen’.

Open Vld en CD&V willen van intrafamiliaal geweld weer een prioriteit maken. Hierover valt niet meer te zeggen dan: eindelijk. Niets dat minister Koen Geens (CD&V) tegenhoudt. Hou uw belofte. En een tip voor de politie: maak betere tips.


Mysterie van de dag: waarom worden er meer jongens dan meisjes geboren?

Knack – 30 juli 2015

Deze zomer viert Knack.be de mysteries van het leven. Elke dag kruipen we in de huid van een verwonderd kind en verbazen we ons over al dan niet alledaagse mysteries. Vandaag: waarom worden er meer jongens dan meisjes geboren?

Waarom worden er wereldwijd meer jongens dan meisjes geboren? Wetenschappers geloven dat de oorzaak niet bij het aantal embryo’s gezocht moet worden, maar bij het afstoten ervan.

Uit een nieuw Amerikaans onderzoek blijkt dat de reden waarom er wereldwijd meer jongens dan meisjes geboren worden, wel eens anders zou kunnen zijn dan tot nu toe werd aangenomen. De bevindingen werden gepubliceerd in het toonaangevende Amerikaanse tijdschrift Proceedings of the National Academy of Sciences.

Risico op miskraam

Voor elke 100 meisjes worden er wereldwijd 107 jongens geboren. Tot nu toe dachten wetenschappers dat er ook al vlak na de bevruchting meer mannelijke dan vrouwelijke embryo’s waren, maar dat blijkt niet te kloppen. Meisjes en jongens starten in gelijke aantallen, maar bij zwangerschap van een meisje is het risico op een miskraam groter, zo blijkt uit een studie van het Fresh Pond Research Institute in Cambridge, Verenigde Staten.

Steven Hecht Orzack en zijn collega’s onderzochten een groot aantal Amerikaanse gegevens over foetussen op verschillende tijdstippen in de zwangerschap. Uit hun onderzoek blijkt dat er evenveel jongens als meisjes ‘gemaakt’ worden. Tijdens de eerste week na de conceptie worden meer mannelijke dan vrouwelijke embryo’s afgestoten. Gedurende de tien tot vijftien weken daarna echter eindigen meer zwangerschappen van meisjes dan van jongens in een miskraam. Tegen het einde van de zwangerschap, tussen week 28 en week 35, worden dan weer meer jongetjes dood geboren.

Verschillen na geboorte

Over de volledige zwangerschap genomen sterven meer vrouwelijke dan mannelijke embryo’s, concluderen de onderzoekers, en worden er dus meer jongens geboren dan meisjes. Die verhouding verandert als mensen ouder worden. Mannen sterven sneller en tegen de tijd dat ze bejaard zijn, zijn er significant meer vrouwen dan mannen. “Het is belangrijk om verschillen tussen mannen en vrouwen te bestuderen in de baarmoeder omdat die deels verantwoordelijk zijn voor de grote verschillen tussen beide sekses bij de geboorte en daarna”, aldus nog Orzack.


Miserietaks is discriminerend

Moneytalk – 30 juli 2015

Een scheiding betekent vaak dat de gezinswoning moet worden verdeeld. Voor gehuwden en wettelijke samenwonenden geldt er een ander verdeelrecht dan voor feitelijk samenwonenden. Dit zou in strijd zijn met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel.

Mensen die samenwonen of gehuwd zijn, kopen of bouwen samen vaak een woning. Als er een scheiding komt, dan moet deze woning meestal worden verdeeld omdat elke partner gelijke rechten heeft op dit onroerend goed. Bent u gehuwd, dan bestaat er een hele wettelijke regeling die zegt hoe de verdeling van eigen en gemeenschappelijke goederen bij een echtscheiding moet gebeuren. Dit is niet het geval bij een feitelijke en een wettelijke samenwoning. Een eenvoudige verklaring voor de burgerlijke stand volstaat trouwens om de wettelijke samenwoning ongedaan te maken.

De miserietaks

De scheiding tussen echtgenoten of samenwonende partners brengt vaak ook de verdeling van de gezamenlijke woning met zich mee. Over deze verdeling van een onroerend goed is een registratierecht, het zogenaamde verdeelrecht, opeisbaar bij die partner die het deel van de andere partner overkoopt. Sinds 1 augustus 2012 is het tarief van deze rechten in het Vlaams gewest opgetrokken van 1% naar 2,5 %. De partners die een einde stellen aan hun relatie, hebben bij de aankoop van de woning of bij de bouw ervan reeds een registratierecht van 10% (in Vlaanderen) of 12,5% (in Brussel en in Wallonië) of btw betaald. Bij de verdeling van de woning komt daar nog eens een belasting van 1 of 2,5%. Dit maakt een groot financieel verschil want het verdeelrecht wordt geheven op de volledige waarde van de woning. Het is dan ook niet vreemd dat dit verdeelrecht dan ook een ‘miserietaks’ genoemd door ex-partners die met deze financiële kater te maken krijgen.

Aanvankelijk werd voor ex-echtgenoten en ex-wettelijk samenwonende partners een vrijstelling van de belastbare grondslag ingevoerd – het zogenaamd abattement – van 50.000 euro. Dit komt neer op een vermindering van 1250 euro. De regeling van het abattement is thans nog steeds van toepassing voor koppels waarvan de overeenkomst over verdeling is afgesloten vóór 1 januari 2015, maar waarvan de echtscheiding na 1 januari 2015 wordt uitgesproken.

Deze milderingsregeling van het abattement bleek in de praktijk echter nog niet voldoende te zijn om de financiële verzuchtingen in geval van scheiding op te vangen. Voor echtscheidingen uitgesproken en verdelingsovereenkomsten afgesloten na 1 januari 2015 wordt het verdeelrecht van 2,5% teruggebracht naar 1%.

Niet voor feitelijk samenwonenden

Deze gunstmaatregelen, zowel het abattement als de tariefverlaging, zijn enkel van toepassing op gehuwden of wettelijk samenwonenden. Feitelijk samenwonenden kunnen niet van dit voordeel genieten. Verantwoording hiertoe is het feit dat gehuwden en wettelijk samenwonenden hun samenleving geformaliseerd hebben en daardoor wederzijdse rechten en verplichtingen hebben opgenomen.

Noteer dat de verdelingstaks in Brussel en Wallonië altijd ongewijzigd is gebleven op 1% – in plaats van 2,5% – voor zowel wettelijk samenwonende partners, gehuwden als feitelijk samenwonenden partners.

Grondwettelijk Hof

Intussen werd deze mogelijke discriminatie voorgelegd aan het Grondwettelijk Hof. De procedure voor het Grondwettelijk Hof is tweeledig. Naast het verzoek tot vernietiging van deze discriminatie, wordt ook het verzoek tot schorsing van uitvoering van deze maatregel aangevoerd.

Het Grondwettelijk Hof heeft geoordeeld in haar arrest van 28 mei 2015 dat het verzoek tot vernietiging ontvankelijk is. Over de grond van de zaak, met name de beweerde discriminatie, zal zij later nog een oordeel vellen.

De voorlopige schorsing van de maatregel wordt echter niet toegestaan. Immers belanghebbenden – lees feitelijk samenwonenden die thans niet onder de gunstmaatregel vallen – kunnen bij een toekomstige vernietiging van de discriminatie het teveel aan geheven registratierechten terugvorderen van de Vlaanderen. De betrokkenen zullen in dat geval wel een formeel verzoek tot teruggave van de teveel betaalde rechten moeten indienen.

Vlaamse regering

Het is nu aan de Vlaamse regering en in het bijzonder aan mevrouw Annemie Turtelboom, Viceminister-president en tevens Vlaams minister van Begroting, Financiën en Energie, om als bevoegd minister de ongelijkheid op te heffen en een wijziging aan te brengen in de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13/12/2013. Tot op vandaag, is dat nog niet gebeurd.


1 vrouw op 5 bevalt met keizersnede

VTM nieuws – 30 juli 2015

Het aantal vrouwen dat met keizersnede bevalt stijgt jaar na jaar. Van 2008 tot 2014 steeg het aandeel keizersneden van 19,8 naar 21 procent. Daarmee zitten we ver boven het streefdoel van de Wereldgezondheidsorganisatie. “Het aantal moet dringend omlaag”, klinkt het bij gynaecologen. Dat meldt Het Laatste Nieuws.

Een keizersnede is zowel voor moeder als kind een risicovolle onderneming. Tegenwoordig bevalt één vrouw op de vijf met een keizersnede. Het streefdoel van de Wereldgezondheidsorganisatie ligt tussen de 10 en de 15 procent. De meeste keizersnedes in ons land, 59 procent in Vlaanderen, worden ook op voorhand gepland. Dat blijkt uit cijfers die Federaal Parlementslid Yoleen Van Camp (N-VA) opvroeg bij minister Maggie De Block (Open Vld).

Ook Johan van Wiemeersch, voorzitter van de Vlaamse vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (VVOG), vindt dat het aantal keizersnedes omlaag moet. “Ik ben voorstander van een natuurlijke bevalling. 15 % van de gynaecologen gaat akkoord een keizersnede uit te voeren terwijl daar geen medische reden voor is. Ik pleit ervoor bevallingen meer op hun beloop te laten.” Volgens Gynaecologe en Groen-senator Petra De Sutter zijn gynaecologen veel voorzichtiger geworden. “Ze nemen geen risico’s meer, want de patiënt stapt sneller naar de rechtbank als er iets misloopt.”

Van Camp wil dat er een betere registratie komt van het aantal ingrepen dat onnodig uitgevoerd wordt. Het kabinet De Block ziet daar niet echt te noodzaak van in op dit moment.


Zes op de tien woningen te koop door echtscheiding of overlijden

Knack – 28 juli 2015

De Belg staat niet te springen om zijn woning te verkopen. 59 procent van de Belgen die de vastgoedmarkt betreden doet dat omdat de gezinssituatie hen er toe dwingt. Dat blijkt uit een enquête van Century 21 Benelux bij 1.400 eigenaars.

De doorsnee Belg doet zijn woning niet snel van de hand. De gezinssituatie moet ingrijpend veranderen voor hij zijn huis te koop stelt. Zes op de tien Belgen doet dat bij een sterfgeval of een scheiding.

14,6 procent van de eigenaars verkoopt om louter financiële redenen. “Maar ook daar is het dus omdat hem de arm wordt omgewrongen en hij bijvoorbeeld de hypotheek niet meer kan afbetalen”, zegt Isabelle Vermeir, woordvoerster van Century 21 Benelux.

Gehecht aan zijn baksteen

Als de Belg niet gedwongen wordt om te verhuizen verblijft hij ongeveer 30 jaar in dezelfde woning. Slechts 7,5 procent verhuist omwille van omgevingsfactoren zoals bijvoorbeeld dichter bij het werk gaan wonen. 6,1 procent verkoopt zijn woning om kleiner – of juist groter – te gaan wonen.”Op dat vlak is er voor de gewestelijke overheden nog werk aan de winkel. Als het voor zijn droomhuis is, rijdt de Belg voorlopig nog zonder veel gemor – en vaak met zijn bedrijfswagen – tien kilometer verder naar zijn werk”, aldus Vermeir.

Zes op de tien woningen te koop door scheiding of overlijden
© Century 21

Beslist de Belg toch om zijn woning te verkopen, dan neemt hij het heft in eigen handen. Zes op de tien Belgen proberen eerst zelf hun woning aan de man te brengen voor ze naar de vastgoedmakelaar stappen. 31 procent van zij die het zelf probeerden contacteert pas een makelaar als het niet lukt om de woning na drie maanden te verkopen. Nog eens 34 procent doet hetzelfde als er na zes maanden nog altijd geen verkoop tot stand is gekomen.

“In Nederland kennen ze dit fenomeen niet en wordt er meteen naar de vastgoedmakelaar gestapt, in België is het een bekend iets. Maar tegelijkertijd zien we dat een woning verkopen zo complex is geworden dat meer en meer beroep wordt gedaan op een makelaar. Vier op de tien Belgen doet het anno 2015 van meet af aan, terwijl dat vijftien jaar geleden slechts twee op de tien was”, verduidelijkt de woordvoerster.

De gemiddelde Belgische woning staat veertien weken te koop. Meestal gaan er zo’n zeven tot acht bezoeken aan vooraf.


Ouderen en studenten moeten gezinnen uit nood helpen

Nieuwsblad – 27 juli 2015

Studenten en gepensioneerden inschakelen om gestresseerde gezinnen of alleenstaande ouders te ondersteunen. Dat is een voorstel dat CD&V lanceert en waarmee de partij de combinatie tussen werk en gezin makkelijker wil maken.
Ondervoorzitster en Kamerlid Griet Smaers werkte het uit en de CD&V-ministers Kris Peeters en Jo Vandeurzen zetten er mee hun schouders onder.

Bedoeling is dat gepensioneerden en studenten voortaan beperkte taken kunnen uitvoeren voor gezinnen: de kinderen van school afhalen en thuisbrengen, boodschappen doen, al eten beginnen te maken. Dingen die nu via dienstencheques allemaal niet kunnen.

Het is er CD&V vooral om te doen alles betaalbaar te houden, zodat mensen die zich geen huishoudpersoneel kunnen permitteren toch ook een beroep kunnen doen op steun. Daarom moet een fiscaal voordelig systeem de prijs drukken tot 11 euro per uur. De hulp zou ook beperkt blijven tot maximaal twee uur per dag en 400 uur per jaar. De Vlaamse christendemocraten gaan nu hun coalitiepartners proberen te overtuigen, maar alvast de Gezinsbond is enthousiast.


Uit elkaar gaan vergt meer afspraken dan gaan samenwonen

De Tijd – 27 juli 2015

Steeds meer wettelijke samenwoners gaan uit elkaar. Dat vergt nauwelijks formaliteiten. Maar dan begint het ‘scheiden’ pas. En dat is, bij gebrek aan een wettelijk kader, zeker niet minder complex dan als gehuwden uit elkaar gaan.

Met 24.434 zijn ze, het aantal wettelijk samenwonenden dat vorig jaar uit elkaar ging. Dat zijn er 3.000 meer dan het jaar voordien. Kamerlid Koenraad Degroote (N-VA), die de cijfers opvroeg bij minister van Binnenlandse Zaken Jan Jambon (N-VA), verklaart die forse stijging ‘door de zeer eenvoudige manier om de wettelijke samenwoning te beëindigen’.
Inderdaad, een bezoekje aan het stadhuis waar u schriftelijk verklaart de samenwoning te beëindigen, volstaat. Dat is gratis als de ex-partners die formaliteit samen doorlopen. Beslist een van beide partners dat eenzijdig, dan moet die de deurwaarder betalen die de andere partner op de hoogte brengt van zijn beslissing.
Maar daarmee is de kous verre van af natuurlijk. Door samen te wonen, raken levens en vermogens willens nillens verstrengeld. Hoe ze terug uit elkaar halen bij een breuk is wettelijk nauwelijks tot niet geregeld.
Het is dus aan de exen om afspraken te maken rond het huis, de inboedel, de (gezamenlijke) rekeningen, spaargelden en beleggingen en de kinderen. ‘Wettelijk samenwonenden verkiezen dat statuut vaak boven het huwelijk net omdat ze elkaar willen beschermen bij overlijden, maar zich niet willen vastzetten in het scenario van een relatiebreuk’, merkt notaris Anthony Wittesaele op in zijn kantoor.
Wie dat wil, kan afspraken rond wat er moet gebeuren bij een breuk in een samenlevingscontract opnemen. Officieel luidt het dat partners in zo’n contract de organisatie van hun gezin en de gevolgen van hun samenleving regelen. Wettelijke samenwoners die zo’n contract opstellen, moeten dat in een notariële akte gieten.
‘Een uitgebreid samenlevingscontract met principes over alle mogelijke facetten, zien wij nauwelijks’, weet notaris Carol Bohyn. ‘Maar we zien wel een groeiende bewustwording om op papier te zetten hoe een specifieke beslissing verrekend moet worden bij een breuk, zoals samen een huis kopen, of samen het huis van een van beide partners renoveren.’

Woning

Bent u samen eigenaar van de gezinswoning die wordt verkocht vanwege de breuk, dan is het logisch de opbrengst te verdelen in verhouding tot de eigendomsrechten. Koopt een van beide partners de andere uit, dan zal die bovenop de uitkoopsom ook het verdeelrecht moeten opleggen. Woonde u al een jaar of meer wettelijk samen, dan bedraagt het verdeelrecht sinds begin dit jaar opnieuw 1 procent op de huidige waarde van de woning.
‘Investeerde een van beide partners en cours du route meer in de woning, dan houdt u daar best bewijzen, zoals facturen, van bij’, adviseert notaris Bohyn. ‘Een alternatief is dat u werkt met een schuldvordering, die verrekend wordt op het moment van de breuk’, aldus Bohyn.
Goed nieuws ook voor wie introk in de woning die zijn partner al gekocht had of al huurde. De intrekkende partner kan niet d’office gedwongen worden om van de ene op de andere dag zijn koffers te pakken. Bij een conflict, bijvoorbeeld als samenwonen onmenselijk is, kan elke partner naar de familierechtbank stappen om dringende en voorlopige maatregelen te vragen. ‘De rechter zou zelfs kunnen beslissen om het voorlopige woonrecht toe te kennen aan de partner die geen eigenaar is van de woning als de rechter oordeelt dat die er meer mee gebaat is dan de partner die wel eigenaar is’, weet notaris Wittesaele.

Inboedel

Een ander aandachtspunt is de inboedel. Er geldt een wettelijk vermoeden dat alle goederen in de gezinswoning toebehoren aan beiden’, geeft notaris Wittesaele aan. ‘Maar dat vermoeden geldt enkel als u geen tegenbewijs kunt leveren. En dat kan gemakkelijk. Bijvoorbeeld door facturen bij te houden die aangeven wie de eigenaar is van wat. Of door een lijst op te stellen die aangeeft wat van mijnheer is, wat van mevrouw en wat gemeenschappelijk is en die lijst vervolgens beiden te ondertekenen’, legt Bohyn uit.

Beroepsinkomsten

‘Heel belangrijk, maar toch krijg ik er nauwelijks vragen over: hoe kunt u de partner die zijn carrière terugschroeft om gezinstaken op zich te nemen, compenseren voor dat gederfd inkomen’, merkt Wittesaele op. De beroepsinkomsten die een partner verdient, blijven van hem en moeten op basis van het vermogensrecht bij een relatiebreuk niet verdeeld worden. Zelfs niet als die op een rekening gestort worden die op naam van beide partners staat. Natuurlijk kunt u als scheidend koppel op het moment van de breuk alsnog een compensatie uitwerken, maar dat hangt af van de bereidwilligheid van beide partners. Is die er niet, dat staat de minst verdienende in de kou. ‘Ik zie in mijn kantoor vaak dat koppels net daarom beslissen alsnog te trouwen’, zegt Bohyn. In het wettelijk huwelijksstelsel behoren alle beroepsinkomsten vanaf de dag van het huwelijk tot het gemeenschappelijke vermogen. En bij een echtscheiding krijgt elke partner de helft van dat tijdens het huwelijk opgebouwde gemeenschappelijke vermogen.

Kinderen

Of ze nu gehuwd waren of samenwonend, ouders die uit elkaar gaan, moeten een goede modus vivendi vinden voor de kinderen. Die is zelfs nog belangrijker dan welke afspraak ook over materiële zaken. Sinds 1995 is gezags-co-ouderschap de regel: beide ouders blijven samen het ouderlijke gezag uitoefenen, ook na de relatiebreuk. In tegenstelling tot in Nederland is in ons land een ouderschapsplan niet verplicht noch gangbaar. Daarin maken ouders onder andere afspraken over de verblijfsregeling en het onderhoudsgeld. Daarvoor geldt als basisprincipe dat, als beide ouders een bepaalde regeling overeenkomen, die geldig is. Komen de ouders niet overeen, dan zal de familierechtbank de knoop doorhakken. In regel wordt sinds 2006 voor de verblijfsregeling de voorkeur gegeven aan een gelijkmatig verdeelde huisvesting, de zogenaamde bilocatieregeling. Voor het onderhoudsgeld is het principe dat iedere ouder bijdraagt in verhouding tot zijn inkomen.


Ouders, laat die kinderen met rust en neem tijd voor uzelf

Elsevier – 25 juli 2015

Westerse ouders brengen steeds meer tijd door met hun kin­deren. Maar uit nieuw onderzoek blijkt dat een onsje minder goed uitpakt.

Wat worden ze verwend, die kinderen van tegenwoordig. Besteedden moeders in 1970 nog negen uur per week aan hun kinderen, tegenwoordig is dat gemiddeld veertien uur.

En ook vaders zijn zorgzamer geworden. Hun aandeel steeg van een schamele drie uur per week in 1970 naar zes nu. In totaal mogen kinderen zich nu verheugen op bijna twee keer zoveel aandacht als vroeger.

Dat mag verrassend heten, want moeders zijn in diezelfde periode een stuk meer gaan werken. Ouders hebben dus niet opeens veel meer tijd ter beschikking gekregen. Uit het onderzoek van de Canadese socioloog Melissa Milkie van de Universiteit van To­ronto bleek zelfs dat werkende moeders nu net zoveel tijd aan hun kinderen besteden als thuisblijvende moeder in de jaren zeventig. Waarom doen ze dat?

Een van de redenen van deze toenemende aandacht voor kinderen is de veranderde kijk op wat goed ouderschap, vooral goed moederschap, behelst. Tegenwoordig zijn kinderen heilig en geldt de tijd die ouders doorbrengen met hun kinderen als ‘on­vervangbaar’.

Er is een enorme culturele tendens naar ‘intensief ouderschap’, stelt Milkie in een interview met The Wall Street Journal. Daardoor hebben ouders het idee dat ze een groot deel van hun vrije tijd moeten doorbrengen met hun kinderen.
Daar komt nog eens bij dat de maatschappij een stuk risicomijdender is geworden.

De Amerikaanse geograaf Roger Hart observeerde kinderen in de jaren zeventig en nu, en het viel hem op dat ouders hen tegenwoordig veel minder vaak alleen laten tijdens hun spel, om maar te voorkomen dat hun iets overkomt.

Tijd

Ouders verwachten dat hun kinderen door al deze aandacht opgroeien tot gelukkige, zelfverzekerde en maximaal ontplooide volwassenen. Maar is dat wel zo? Een onderzoek van Milkie en haar collega’s lijkt dit idee te logenstraffen.

Ze onderzochten in 1997 de opvoedstijl van verschillende moeders met kinderen tussen de 3 en 11 jaar, en turfden de tijd die ze doorbrachten met hun kinderen. In 2002 kwamen ze terug om te kijken wat er van de kinderen was terechtgekomen.

Wat bleek: de hoeveelheid tijd die de moeders aan hun kroost hadden besteed, had nauwelijks tot geen invloed op het levenspad van de kinderen.

De enige periode waarin de kwantiteit iets uitmaakte, was tijdens de adolescentie. Hoe meer tijd tieners tijd doorbrachten met hun ouders, hoe minder vaak ze problemen kregen met drank en drugs en hoe minder vaak ze crimineel gedrag vertoonden.

Gedurende de rest van het leven had het aantal uren gezamenlijk doorgebrachte tijd geen invloed op het sociale en cognitieve functioneren van het kind op latere leeftijd.

Betekent dit dat kinderen dan maar aan hun lot moeten worden overgelaten? Nee, dat niet, want wat wel bleek uit te maken, was de kwaliteit van de gespendeerde tijd. Betrokken ouders leveren wel betere kinderen af. Activiteiten als voorlezen en samen eten bijvoorbeeld bevorderen het welzijn van de jongeren. Deze quality time hoeft alleen niet non-stop beschikbaar te zijn. Een uurtje of zes per week met het gezin is afdoende om goede resultaten te bereiken.

Milkie ontdekte zelfs dat de trend van langdurig aandacht geven nadelen kan hebben. Het viel haar op dat – om aan het beeld van goed ouderschap te voldoen – veel moeders slaap tekort komen of gestresst raken doordat ze geen balans kunnen vinden tussen werk en thuis. De kinderen krijgen daardoor eerder emotionele moeilijkheden of gedragsproblemen.

Helikopterouders

Dergelijke problemen spelen vooral bij lageropgeleide moeders. Ook zij voelen de sociale druk om veel tijd met hun kinderen door te brengen, maar hebben tegelijkertijd veel meer dagelijkse (financiële) sores, die het nog lastiger combineren maakt.

Uit een ander onderzoek, van de Universiteit van Tennessee uit 2011 bleek bovendien al dat kinderen van zogenoemde helikopterouders, die bijna elke stap van het kind begeleiden, eerder in een depressie raken als ze uit huis zijn. Ook zijn pedagogen het erover eens dat alleen spelen en eigen grenzen ontdekken, bijdragen aan de cognitieve en sociale ontwikkeling van een kind. Kinderen moeten meer met rust worden gelaten.

Als dit nog niet genoeg is om ouders ervan te overtuigen dat ze zich niet schuldig hoeven voelen over het feit dat ze beiden werken, dan is daar nog een Harvard-studie van dit jaar. Uit dat onderzoek blijkt dat dochters van werkende moeders het beter deden in de maatschappij dan hun tegenhangers die een moeder hadden die altijd thuis was.

Ze bleken 4,5 procent vaker een baan te hebben, en in die baan ook nog eens meer te verdienen. Opvallend was bovendien dat de dochters van werkende moeders ook vaker een leidinggevende positie hadden.

Een werkende moeder had ook een opmerkelijk effect op haar zonen. Die bleken meer zorgtaken op zich te nemen voor familie­leden en deden bovendien meer huishoudelijke taken. De onderzoekers denken dat door de gelijkwaardigere relatie van ouders, traditionele man-vrouwpatronen worden doorbroken. Daardoor worden jongens geëmancipeerder en meisjes zelfstandiger.

Er is al met al voor ouders weinig reden om zich schuldig te voelen als ze eens geen tijd voor hun kinderen hebben. Integendeel: het zou juist goed zijn als ze hun kinderen eens wat vaker alleen laten spelen en fouten laten maken. Dan hebben vader en moeder ook weer eens wat tijd voor zichzelf.


KVO-spits: “wie heeft mijn kleine jongen gezien?”

Het Laatste Nieuws – 20 juli 2015

Zo grillig de sportieve carrière van Mathieu Cornet – na jaren terug in eerste klasse – zo grillig ook zijn persoonlijk levensverhaal. Maar kent het eerste voorlopig een happy ending, dan is dat met het tweede wel anders. Al máánden bijt Cornet op zijn tanden. En denkt hij: zwijgen is beter. Maar afgelopen weekend werd het hem te machtig en riep hij op zijn Facebook-pagina de hulp in van iedereen die hem maar kan helpen.
In een erg persoonlijk bericht vertelt de KV Oostende-spits hoe hij nu al vijftien maanden zijn zoontje niet meer gezien heeft, en hoe dat hem tot wanhoop drijft. Vijftien maanden lang deelde Cornet dat pijnlijke stuk énkel met zijn naasten. Maar een recente evolutie – de veroordeling van zijn ex en de vrees dat ze naar het buitenland gevlucht is – doet hem nu naar zwaardere middelen grijpen.

Cathérine L. werd vorige week door de rechtbank van Hoei veroordeeld tot tien maanden effectieve gevangenisstraf. Ze kreeg die straf omdat ze Eliot al vijftien maanden niet heeft meegegeven aan Mathieu Cornet, ook al was dat eerder zo vastgelegd door de rechter. Maar zelf was ze op die uitspraak niet aanwezig. Meer zelfs: al een maand heeft niemand de vrouw nog gezien. En omdat haar nieuwe vriend een Afrikaan is, wordt gevreesd dat ze er met hem vandoor is gegaan.

“Zij en ik: we waren vier jaar een koppel. Toen we drie jaar geleden uit elkaar gingen, is het eigenlijk met de gemeenschappelijke opvoeding van Eliot meteen mis beginnen te gaan. Waarom? Ik weet het niet. Echt niet. Ik heb er maar het raden naar. Ik ben blijven proberen. Ben hem blijven ophalen. Maar niks werkte nog. Ze wilde hem niet meer meegeven.” Toen de broer van Cornet vorige week nog een poging deed om het jongetje op te halen, leek het huis van Cathérine L. helemaal leeg. En dus is de wanhoop bij de KV Oostende-spits nu helemaal compleet. De man vreest dat zijn kind is ontvoerd naar het buitenland.


Samenwonenden slaan aan het scheiden

De Morgen – 19 juli 2015

In Vlaanderen waren er vorig jaar 46.894 personen die een verklaring van wettelijk samenwonen aflegden. In vergelijking met 2013 is dat een lichte stijging. Maar er wordt tegelijk ook een sterke toename van het aantal “beëindigingen van samenleven” vastgesteld: liefst 24.434 in 2014 of ruim 3.000 meer dan het jaar voordien. De cijfers staan in De Zondag. Dezelfde trend zou zich ook in Brussel en in Wallonië voordoen.

De cijfers werden opgevraagd Kamerlid Koenraad Degroote (N-VA) bij minister van Binnenlandse Zaken Jan Jambon.

“De laatste jaren daalt het aantal echtscheidingen, maar stellen we tegelijkertijd een forse toename van het beëindigen van samenleving vast”, stelt Degroote in de krant. Volgens hem ligt de reden voor de hand. “Dit komt door de zeer eenvoudige manier om hiertoe over te gaan. In geval van akkoord kan je zelfs kosteloos gewoon een beëindiging laten vastleggen op de burgerlijke stand.”


As van vrouw meegekregen in potje Nescafé

Nieuwsblad – 17 juli 2015

Weduwnaar Klaas heeft een klacht ingediend tegen een Limburgse begrafenisondernemer. ‘Ik kreeg de as van mijn overleden vrouw in een gebruikt potje Nescafé.’
In april verloor Klaas (56) zijn vrouw Miet, na een val van de trap. ‘Ze was amper 47 jaar.’

Klaas had aan de begrafenisondernemer gevraagd om na de crematie een deel van de as­resten onder de familie te verdelen, zodat iedereen er iets bijzonders mee kon doen. ‘Ikzelf heb een tatoeage laten zetten, met inkt ­waarin haar as zat.’

‘In plaats van de as mee te geven, probeerden ze mijn dochter en mij juwelen te verkopen waarin ze de as konden verwerken’, zegt Klaas. ‘We zijn daar niet op ingegaan, waarop een medewerker voorstelde om de as dan maar in een gewoon potje te steken.’

‘Allemaal gehuild’

In de auto ontdekte hij dat de resten in een leeg potje oploskoffie waren gestoken. ‘Toen ik naar het deksel keek, zag ik het logo van Nescafé. Ik was zó van slag dat ik de kracht niet meer had om te reageren. We hebben thuis allemaal gehuild. Dit is complete minachting. Zoiets doe je niet met een mens.’

De begrafenisondernemer ont­kent de feiten niet: ‘Maar de situatie is opgeblazen’, klinkt het.

De weduwnaar diende een klacht in. De onder­nemer wordt mogelijk uit de beroepsvereniging gezet.


Vlaamse regering voorziet 7 miljoen voor uitbreiding kinderopvang

Knack – 16 juli 2015

De Vlaamse overheid voorziet 7,3 miljoen euro voor de uitbreiding van de kinderopvang. Dat heeft minister van Welzijn Jo Vandeurzen (CD&V) bekendgemaakt.

De Vlaamse regering voorziet 7,3 miljoen euro voor de aangekondigde uitbreidingsronde in de kinderopvangsector. Kinderopvanginitiatieven kunnen tot woensdag 30 september een aanvraag indienen bij Kind & Gezin. Dat heeft minister van Welzijn Jo Vandeurzen (CD&V) bekendgemaakt.

Nieuwe subsidies

De Vlaamse regering beloofde vorig jaar om vanaf 2015 20 miljoen euro extra te voorzien voor de kinderopvangsector. Een belangrijke hap van dat budget gaat naar de omzetting van de eerder gemaakte afspraken tussen de sociale partners in de sector (nieuwe CAO). Daarvoor is op kruissnelheid 9,5 miljoen euro voorzien. Voor nieuwe subsidies wordt nu 7,3 miljoen euro voorzien.

CD&V-minister Vandeurzen en Kind & Gezin lieten eerder al verstaan dat de middelen zouden verdeeld worden over de verschillende trappen in de sector heen. Zo gaat er 1,5 miljoen euro naar 1.994 extra plaatsen in trap 1, de zogenaamde basissubsidie. Het gaan dan vooral om reeds bestaande plaatsen die nog geen subsidie kregen. Daarnaast is het de bedoeling het voor de basissubsidie vanaf begin 2016 te verhogen van 578,37 euro naar 752,28 euro per plaats per jaar.

Extra plaatsen

In trap 2, opvanginiatieven waar men ouders volgens inkomen laat betalen en die bepaalde voorrangsregels hanteren, zullen er 835 extra plaatsen komen met een subsidie voor inkomenstarief. Daarvoor is 5 miljoen euro voorzien. “Dit budget is evenredig verdeeld over de omschakeling van bestaande plaatsen en het creëren van nieuwe plaatsen. Deze oproep richt zich vooral op groepsopvang, maar aanvragen voor gezinsopvang zijn mogelijk”, aldus het kabinet-Vandeurzen.

In trap 3 (plussubsidies), dat zijn initiatieven met extra aandacht en voorrang voor kwetsbare gezinnen, komen er volgens Vandeurzen 1.235 nieuwe plaatsen bij. Daarvoor is 800.000 euro voorzien. Het gaat dan om plaatsen in trap 2 die omgezet worden in plaatsen met plussubsidie.


Nieuwe cijfers voor arbeids- en inkomenssituatie in gezinnen met jonge kinderen

Kind en Gezin – 15 juli 2015

Vandaag stelt Kind en Gezin nieuwe cijfers voor die een beeld schetsen van de socio-economische omgeving waarin kinderen in Vlaanderen opgroeien. De arbeidssituatie en het inkomen in het gezin bepalen mee de kansen en de leefsituatie van kinderen en beïnvloeden ook het gebruik van kinderopvang. De cijfers maken deel uit van ‘Het kind in Vlaanderen’. In deze jaarlijkse publicatie bundelt Kind en Gezin tal van cijfers over kinderen van 0 tot 12 jaar op basis van externe en interne bronnen. Het gaat om demografische gegevens, cijfers over armoede, gezondheid, sterfte, opvang, arbeid, … Omdat de Vlaamse overheid door de zesde staatshervorming meer bevoegdheden voor het gezinsbeleid heeft verworven, werd in deze editie expliciet bijzondere aandacht besteed aan cijfers over gezinnen (aantal, vormen en omvang), over relaties (huwelijken, echtscheidingen en samenlevingscontracten), over het gezinsinkomen en over de arbeidssituatie van vaders en moeders

Arbeidssituatie

Op basis van de gegevens van de Kruispuntbank van de Sociale zekerheid (KSZ) schetst Kind en Gezin een beeld over jonge kinderen en de werksituatie van hun ouders. We publiceren zowel cijfers op kindniveau, als cijfers over vaders en moeders.

Arbeidsparticipatie

‘Minimum 63,8% van de kinderen woont in een gezin waar beide ouders werken’

Eind 2012 leefde 91,3 % van de kinderen jonger dan 12 jaar in een gezin met minstens 1 werkende ouder. Het aandeel kinderen in een gezin zonder werkende ouder bedroeg maximaal 8,7% van de kinderen (voor ongeveer 5% van de kinderen was niet duidelijk of iemand werkte in het gezin).
Meer dan een kwart (26%) van de kinderen uit een eenoudergezin heeft geen werkende ouder.

Ten minste 63,8% van de kinderen woonde in een gezin waar beide ouders werkten. 15,6% leefde in een gezin waarin (minstens) 1 ouder werkzoekend of niet beroepsactief was.
‘Kinderen met vreemde herkomst hebben minder vaak 2 werkende ouders’

De arbeidsparticipatie in het gezin verschilt ook naargelang de herkomst van het kind. We zien enerzijds dat het aandeel kinderen waar zeker geen werkende ouder in het gezin aanwezig is, meer dan dubbel zo hoog ligt bij kinderen van vreemde herkomst (6,4% versus 2,8%). Anderzijds zien we ook dat het aandeel kinderen met 2 werkende ouders meer dan de helft lager ligt bij kinderen met een vreemde herkomst (38,5% versus 75,5%).

Provinciale verschillen

Er bestaan ook aanzienlijke provinciale verschillen. In West-Vlaanderen woonde (minstens) 80% van de kinderen in een gezin van tweeverdieners, in Antwerpen ging het om (minstens) 65%. Ook het aandeel jonge kinderen (0-3 jaar) met een werkende moeder verschilt duidelijk tussen provincies. Deze verschillen zijn van belang, want we weten dat de behoefte aan kinderopvang onder meer sterk samenhangt met de werksituatie van de moeder.

Arbeidsregime

‘Heel wat kinderen leven bij ouder(s) die deeltijds werken’

Zo’n 30% van de kinderen uit een eenoudergezin heeft een deeltijds werkende ouder, van de kinderen uit een tweeoudergezin leeft 38,9% bij een gezin waar 1 ouder voltijds werkt en de andere deeltijds en 3,7% in een gezin waar beide ouders deeltijds werken.

Werkintensiteit

Als we de werkintensiteit (mate waarin over een periode van een heel jaar door ouders gewerkt werd, zowel qua aantal maanden, als qua arbeidsregime) in het gezin van jonge kinderen bekijken over heel 2012, dan stellen we vast dat 54,5% van de kinderen onder de 12 jaar leefde in een gezin met een werkintensiteit van minstens 75%. 11,1% leefde in een gezin met een werkintensiteit van hoogstens 25%.

De cijfers over de werkintensiteit in eenoudergezinnen tonen aan dat bijna 1 op de 3 kinderen in een eenoudergezin leefde met een werkintensiteit van minder dan 25%. Bij kinderen uit een tweeoudergezin gaat het om slechts 8,2%.

Verschil in werksituatie tussen vaders en moeders

‘90% van de vaders met jonge kinderen werkt, 8,3% doet dat deeltijds. 75,5% van de moeders is aan het werk, maar duidelijk veel meer deeltijds (52,9%) dan vaders.’

De gegevens in ‘Het kind in Vlaanderen’ zijn gepresenteerd op kindniveau. Nieuw in deze editie is de informatie met als teleenheid het gezin of de ouder(s) van jonge kinderen. Die cijfers zijn namelijk relevant in het kader van een breder gezinsbeleid. Zo ging Kind en Gezin na in welke mate de werksituatie van vaders en moeders verschilt en of deze beïnvloed wordt door de leeftijd en het aantal jonge kinderen in het gezin.
Kind en Gezin stelt verschillen vast in de werksituatie bij vaders en moeders met jonge kinderen (0-12 jaar). Zo blijkt dat vaders met jonge kinderen (jonger dan 12 jaar) vaker aan het werk zijn dan moeders met jonge kinderen. Ongeveer 90% van de vaders met kinderen van 0 tot 12 jaar werkt. Voor de moeders gaat het om 75,5%. Dat betekent niet dat vrouwen met jonge kinderen vaker werkzoekend zijn, maar wel dat vrouwen vaker een ‘andere’ arbeidssituatie hebben (bv. huisvrouw of student) en dat vrouwen met kinderen vaker niet-beroepsactief zijn.

Vooral de werksituatie van moeders varieert naargelang de leeftijd van het jongste kind of naar het aantal kinderen in het gezin. Als we de cijfers voor alle gezinnen bekijken, dan zien we dat het aandeel werkende vaders ook bij grote gezinnen hoog blijft en pas aanzienlijk lager ligt in gezinnen met 5 of meer kinderen. Bij moeders zien we dat de arbeidsparticipatie vanaf 3 kinderen sterk afneemt.
Hoewel het verschil in arbeidsparticipatie van vaders en moeders met een groot gezin ook bepaald wordt door factoren zoals leeftijd, opleiding, origine, … en dus niet enkel beschouwd mag worden als een effect van die gezinsomvang, is het toch opvallend.

Op het vlak van het arbeidsregime stellen we meer uitgesproken verschillen vast tussen vaders en moeders. 8,3% van de werkende vaders met een kind jonger dan 12 jaar werkt deeltijds, bij werkende moeders gaat het om 52,9%.

Het inkomen van gezinnen met jonge kinderen

De KSZ heeft een wetenschappelijk verantwoord ‘inkomensbegrip’ geconstrueerd door een koppeling van de bestanden van diverse overheidsinstellingen. Hierdoor kunnen we voor bijna alle kinderen weergeven wat het bruto belastbare inkomen (exclusief kinderbijslag) is van het gezin waarin het woont. Het gaat enkel om inkomens uit arbeid en uitkeringen en de analyse is gebeurd op basis van gegevens uit 2010.

‘25% van de kinderen leeft in gezin met bruto belastbaar inkomen lager dan 30 000 euro’

In 2010 groeide een kwart van de kinderen op in een gezin waar het bruto belastbaar inkomen maximaal 30 000 euro bedroeg. 24,1% van de kinderen jonger dan 12 jaar had een gezinsinkomen dat groter is dan 65 000 euro, bij 10% van de kinderen is dat meer dan 85 000 euro.

Ongeveer een derde (34,2%) van de kinderen van 0 tot 12 jaar leeft in een gezin met een inkomen dat enkel uit arbeid bestaat. Bij nog eens een derde (32,3%) van de kinderen bestaat het gezinsinkomen voor minder dan 10% uit uitkeringen. Bij 9,5% van de kinderen bestaat het gezinsinkomen voor meer dan de helft uit uitkeringen. 3,2% van de kinderen had een gezinsinkomen dat deels bestaat uit een leefloon.

Het feit dat een gezinsinkomen helemaal of voor een groot deel bestaat uit uitkeringen is een belangrijke indicatie voor een minder gunstige materiële leefsituatie. De meeste uitkeringen zijn immers geplafonneerd en/of aan bepaalde inkomensgrenzen gekoppeld.
‘74% van de kinderen bij een alleenstaande ouder heeft een inkomen lager dan 30 000 euro’

Liefst 74% van de kinderen bij een alleenstaande ouder heeft een bruto belastbaar gezinsinkomen van minder dan 30 000 euro. Bij de kinderen uit een tweeoudergezin bedraagt dat aandeel 18,1%. Omgekeerd ligt het aandeel kinderen met een hoog gezinsinkomen duidelijk hoger bij kinderen uit een tweeoudergezin. Dat is uiteraard logisch: 2 ouders genereren vermoedelijk 2 inkomens (al dan niet uit arbeid). Maar de cijfers wijzen duidelijk op een minder gunstige financiële leefsituatie voor kinderen met alleenstaande ouders.

Provinciale verschillen

Ook hier zien we duidelijke provinciale verschillen. In Antwerpen heeft bijna 30% van de kinderen van 0 tot 12 jaar een bruto belastbaar gezinsinkomen van minder dan
30 000 euro. In Limburg gaat het om 26,9%. Vooral in Vlaams-Brabant ligt dat aandeel lager (19,4%). Vlaams-Brabant heeft tegelijk een duidelijk groter aandeel kinderen (24,2%) met een bruto belastbaar inkomen van minstens 75 000 euro in vergelijking met de andere provincies.

Meer cijfers uit ‘Het kind in Vlaanderen’

85% van de kinderen jonger dan 12 jaar groeit op in een tweeoudergezin, 11,6% woont in een eenoudergezin.

Het aandeel kinderen dat woont bij een ongehuwd paar neemt verder toe. In 2014 gaat het al om 25,2% van de kinderen jonger dan 12 jaar. Bij kinderen onder 3 jaar woont zelfs al 35,5% bij ongehuwd paar.

Ongeveer 33% van de kinderen jonger dan 12 jaar heeft een vreemde herkomst (cijfer 2012). 8,3% heeft zelf niet de Belgische nationaliteit. Het aandeel kinderen van vreemde herkomst varieert sterk tussen provincies.

In 2014 werden 9.472 kinderen gemeld bij de vertrouwenscentra kindermishandeling. Ongeveer 15% van de gemelde kinderen is jonger dan 3 jaar.

In het Vlaamse Gewest heeft 11,2% van de kinderen jonger dan 5 jaar recht op een verhoogde tegemoetkoming in de ziekteverzekering. Bij 15- tot 20-jarigen loopt het aandeel op tot 13,8%.

Conclusie
“De cijfers over de arbeids- en inkomenssituatie illustreren de grote heterogeniteit van leefsituaties waarin kinderen opgroeien, zegt Jo Vandeurzen, Vlaams minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin. Deze cijfers vormen een belangrijke basis voor het beleid dat we voeren en bevestigen dat onze samenleving en gezinnen evolueren. Het is van belang dat we, ook als overheid, gezinnen een houvast bieden. Daarom verankeren we de Huizen van het Kind als centraal aanspreekpunt voor de ondersteuning van alle gezinnen in Vlaanderen. We hebben hierbij ook aandacht voor de kinderen die opgroeien in kwetsbare gezinnen. Die lijn trekken we ook door naar de kinderopvang waar we voor deze gezinnen een specifiek aanbod voorzien”


Moet ik minder streng zijn voor mijn kinderen in de vakantie?

Nieuwsblad – 14 juli 2015

Vakantie. Een zalige tijd van nietsdoen, zeker voor de kinderen. Het is dan ook normaal dat kinderen in die periode wat meer mogen. Maar hoeveel meer. Waar trek je de grens?
‘Het is normaal dat we iets soepeler worden in de vakantie’, zegt pedagoog Pedro De Bruyckere. ‘Vakantie is immers een tijd van ontspanning.’ Het is dus niet erg als je kinderen wat later opblijven, langer in de hun bed blijven liggen of op een regendag uren voor de televisie hangen.
Maar dat wil niet zeggen dat alles regels zomaar overboord gegooid moeten worden, zegt De Bruyckere. ‘Houvast en zekerheid blijven belangrijk. Maak dus duidelijke afspraken met je kind en leg uit waarom je die afspraken hanteert.’

Bovendien, zegt De Bruyckere, moet niet alles versoepeld worden in de vakantie. ‘Het kan best dat er afspraken zijn die niet veranderen, dat er zaken zijn waarvan je niet wilt afwijken omdat het vakantie is. Niet omdat dat niet kan, maar omdat jij als ouder dat belangrijk vindt. Bijvoorbeeld: dat je kinderen in de vakantie niet meer mogen gamen dan anders.’

Vervelen

De Bruyckere geeft nog een belangrijke tip: ‘overlaad de vakantie niet!’ Hij houdt een pleidooi voor verveling. ‘Het is belangrijk dat je kinderen af en toe niets doen. Dat is belangrijk voor de ontwikkeling van de kinderen. Af en toe hebben ze rustpauzes nodig om alles te verwerken. En bovendien is het goed voor de creativiteit.’


Geef uw kind zakgeld vanaf zes jaar

Nieuwsblad – 13 juli 2015

Jong geleerd is oud gedaan. De Gezinsbond raadt daarom ouders aan om hun kind al vanaf hun zesde, zevende levensjaar zakgeld te geven. Eén of twee euro per week volstaat. En liefst in muntjes, want kinderen kennen minder dan vroeger de waarde van het geld.
‘Het is belangrijk dat kinderen zo vroeg mogelijk leren omgaan met geld’, zegt Yves Coemans van de studiedienst van de Gezinsbond. Uit een bevraging bij bijna duizend Vlaamse ouders en tieners blijkt dat de meeste kinderen van 12-13 jaar ongeveer 25 euro zakgeld per maand krijgen en dat die som spiraalsgewijs toeneemt met de leeftijd.

‘Uiteraard heeft een kind van zeven jaar niet zoveel nodig’, zegt Yves Coemans. ‘Maar als het iedere week bijvoorbeeld één à twee euro krijgt, zal het makkelijker de rol en de waarde van het geld onder de knie krijgen.’

Kleuters geef je beter nog geen geld. ‘Als je kind nog niet kan rekenen of niet beseft dat je voor een drankje op een terras moet betalen, heeft het geen zin om het geld te geven’, aldus Coemans.


Vlaamse meerderheid wil screening op postnatale depressie

De Standaard – 9 juli 2015

Volgens een meerderheid in het Vlaams Parlement wordt postnatale depressie vandaag onvoldoende gedetecteerd. De Vlaamse meerderheidspartijen dienen daarom een resolutie in om het taboe er rond te doorbreken.
Doel is om alle betrokkenen te sensibiliseren en via een screeningsinstrument tijdens en na de zwangerschap de perinatale depressie tijdig te detecteren. Vlaams Parlementslid Freya Saeys (Open VLD ) nam hiertoe een initiatief, samen met haar collega’s Danielle Godderis-T’Jonck (N-VA) en Katrien Schryvers (CD&V).

Freya Saeys: ‘Moeders met postpartum depressie hebben vaak last van sterke gevoelens van schaamte en schuld. Momenteel ontbreekt een systematische screening en is er te weinig oplettendheid voor de problematiek.’ Ook Danielle Godderis-T’Jonck (N-VA) vindt het belangrijk om het taboe van de postnatale depressie te doorbreken. ’10 tot 20 procent van de jonge moeders wordt geconfronteerd met zwangerschaps- of postnatale depressie. We moeten vooral een boodschap van bespreekbaarheid brengen. Daarom willen we zwangere vrouwen, hun partners en omgeving attenderen op de symptomen van deze aandoening.’

Wetenschappelijk gefundeerde aanpak

Katrien Schryvers (CD&V) pleit voor een wetenschappelijk gefundeerde aanpak en verdere deling van expertise. ‘In Vlaanderen kennen we twee Moeder-Baby-Eenheden (Zoersel en Sint-Denijs-Westrem), waar de baby tijdens de behandeling van zijn mama mee kan verblijven. De grote expertise die deze eenheden intussen hebben opgebouwd moet mee ten dienste kunnen staan van andere residentiële en ambulante werkingen binnen de Geestelijke Gezondheidszorg.’


Alarmerend hoog aantal jongeren aan de sigaret

Het Laatste Nieuws – 9 juli 2015

Een vijfde van de jongeren van 18 tot 25 jaar rookt dagelijks. Dat blijkt uit een nieuwe online bevraging begin dit jaar door GFK in opdracht van de Stichting tegen Kanker. De stichting spreekt donderdag van een “alarmerend hoog aantal” en is “uitermate bezorgd” over deze evolutie. Op termijn zal één op de twee gebruikers sterven als gevolg van het roken, aldus de Stichting.
Het cijfer sluit aan bij de trend die de Vereniging voor Alcohol en andere Drugproblemen (VAD) vaststelde bij jongeren in het secundair onderwijs. VAD zag een stijging van het aantal jongeren dat het laatste jaar gerookt heeft van 19,4 procent in 2012-2013 naar 25,1 procent in 2013-2014, dit voor alle leeftijdsgroepen, in alle onderwijsvormen en zowel bij jongens als meisjes.

Het GFK-onderzoek toont verder aan dat in een periode van drie maanden, 2 jongvolwassenen op de 3 tabaksreclame te zien kreeg, voornamelijk in de dagbladwinkel. Nagenoeg alle bevraagden beschouwen het tonen van tabaksverpakkingen op de verkoopplaats ook als reclame, en meer dan 7 jongvolwassenen op de 10 gaan akkoord met een totaalverbod, aldus de Stichting tegen Kanker die wil dat de instroom van nieuwe rokers stopt.

Naast de verhoging van de specifieke accijnzen op sigaretten en roltabak, vraagt de organisatie aan de federale regering een verbod van elke vorm van tabaksreclame en de presentatie van tabaksproducten op de verkoopplaats, en de invoering van neutrale pakjes (zonder logo’s en reclame) zoals in Australië, Ierland, het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk.


Waarom het geen goed idee is om autoverzekering van je zoon op je naam te zetten

Knack – 7 juli 2015

Jongeren betalen meestal een hogere premie voor een autoverzekering dan hun ouders. De polis afsluiten op naam van pa of ma is echter geen goed idee.

Wanneer je zoon of dochter met een eigen autootje rijdt, dan moet dat voertuig uiteraard verzekerd zijn. De verplichte burgerlijke aansprakelijkheidsverzekering vergoedt de schade aan derden wanneer je kind een verkeersongeval zou veroorzaken.

Omdat jongeren nu eenmaal een beperkte rijervaring hebben en dus een groter risico zijn voor de verzekeraar, betalen ze meestal een hogere premie. Sommige ouders trachten die extra kost te omzeilen door zichzelf als voornaamste bestuurder in het verzekeringscontract aan te duiden.

Ai! Een ongeval…

Stel, je zoon veroorzaakt een ongeval met zijn wagen. De schade valt nogal mee voor hem, maar de tegenpartij is er ietwat erger aan toe. De politie komt ter plaatse en doet de nodige vaststellingen. Je zoon verklaart daarbij dat de auto de zijne is.

De verzekeraar ontvangt dan een kopie van het opgemaakte pv. Die merkt dat je zoon verklaard heeft de hoofdbestuurder van de wagen te zijn, terwijl zijn naam nergens in het contract vermeld staat. In dat geval riskeer je beticht te worden van verzekeringsfraude en zelf de veroorzaakte schade te moeten vergoeden.

Wees dus eerlijk…

… en duid bij het afsluiten van de autoverzekering je kind als voornaamste bestuurder aan. De premie ligt dan wel wat hoger, maar je zoon of dochter is sowieso wettelijk gedekt bij een ongeval. Bovendien kan de verzekeraar in dat geval de betaalde schadevergoeding nooit op jou of je kind verhalen.

Overigens, door te kiezen voor een kleine wagen met een beperkt vermogen, kan je de premie van de autoverzekering gevoelig drukken. Bovendien is het niet onverstandig om je kind eerst te laten wennen aan het verkeer met een niet al te krachtige motor.

Auto van de ouders

Heel wat jongeren rijden overigens eerst nog een tijdje rond met de auto van pa of ma. Dat mag, maar breng dan wel de verzekeraar op de hoogte. Doe dat zeker wanneer je kind je wagen op regelmatige basis gebruikt. Zo vermijd je eveneens dat de verzekeraar eventuele betaalde schadevergoeding op jou of je kind verhaalt.


Nog nooit zoveel kinderen op niet-natuurlijke wijze verwekt

De Standaard – 4 juli 2015

Eén op de vijftien zwangerschappen in Vlaanderen en het UZ Brussel waren in 2014 het gevolg van een vruchtbaarheidsbehandeling. Dat is de helft meer dan in 1991, en meer dan in andere landen.
Binnen de medisch-geassisteerde bevruchtingen nam het aandeel van ivf-behandelingen de jongste twintig jaar fors toe, van 30 naar 65 procent. De cijfers komen uit het jaarverslag van het Studiecentrum voor Perinatale Epidemiologie (SPE), dat alle ziekenhuisbevallingen registreert en ook een deel van de thuisbevallingen.

‘Dat betekent niet dat de vruchtbaarheid van onze bevolking afneemt’, zegt Roland Devlieger, gynaecoloog aan het UZ Leuven en voorzitter van de wetenschappelijke raad van het SPE. ‘Er zijn andere verklaringen. Om te beginnen vinden koppels bij ons vlot de weg naar fertiliteitscentra. Er is terugbetaling voorzien. En misschien neemt het geduld van mensen om te wachten op een natuurlijk ontstane zwangerschap af.’

Uitstelgedrag

Een andere oorzaak is het uitstelgedrag: vrouwen in Vlaanderen krijgen op almaar latere leeftijd kinderen. Zestien procent was vorig jaar 35 jaar of ouder. Devlieger: ‘Ik begrijp dat vrouwen maatschappelijk gezien redenen kunnen hebben om hun zwangerschappen uit te stellen, maar medisch gesproken is dat te laat: vanaf 35 jaar gaat het risico op miskramen, afwijkingen en complicaties stijgen. Ook het risico op verminderde vruchtbaarheid neemt dan toe.’


Spelende kinderen worden stilaan een bedreigde soort

Knack – 30 juni 2015

Aan het begin van de zomervakantie pleit Tine Soens (SP.A) ervoor om kinderen niet als overlast te zien, en spelen evenmin.

De zomervakantie staat voor de deur. Voor heel wat kinderen betekent dat uren buiten spelen. Maar stilaan worden spelende kinderen een bedreigde soort. Spelen mag, maar niet te luid. Lopen mag, maar niet te ver. De trend dat ze in juli en augustus vooral voor overlast zorgen, wint meer en meer terrein. Een aantal rechtszaken tegen speelpleinen of kinderopvang, verontwaardigt ons allemaal. “Dat kan toch niet!” Maar als puntje bij paaltje komt, is de conclusie vaak: alles voor onze kinderen, maar als het even kan liefst niet in mijn backyard. Dan stel ik me eenvoudigweg de vraag: als we maatregelen nemen om bedreigde diersoorten te beschermen, waarom doen we dat dan niet voor spelende kinderen?

minder tijd zonder ouderlijk toezicht doorbrengen en volgens Kind & Samenleving blijkt nog maar half zo veel kinderen buiten spelen in vergelijking met 30 jaar terug. Andere statistieken tonen dan weer aan dat kinderen – hoewel ze veel tijd voor een scherm doorbrengen – het liefst buiten willen ravotten en rondrijden op hun fiets. Maar terwijl bijna de helft van de ondervraagde ouders toegeeft dat hun kinderen wél alleen mogen spelen, is hun bewegingsvrijheid echter te vaak beperkt tot de eigen tuin. Nochtans herinnert ieder van ons zich wel de avonturen van weleer. Niet alleen de kampen in het bos met de buurjongens en -meisjes, de voetbalwedstrijdjes, de fietsraces en de schattentochten, maar ook onze geschaafde knieën en onze builen. Ja, het deed soms pijn. Vaak was het luid, soms gevaarlijk en altijd vuil, maar het was ook écht spelen. Kinderen waren toen géén overlast.

In het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind staat niet zonder reden expliciet vermeld dat kinderen het recht hebben om te spelen. Goe Gespeeld!, een initiatief van jeugdwerkverenigingen, wil naar die tijd terug. Voor thuis, op school én in de gemeente ontwikkelde Goe Gespeeld! telkens een charter met acht punten. Zo willen die verenigingen – van scouts tot chiro en de Vlaamse speelpleinwerking – niet alleen het recht op spelen garanderen, maar leggen ze ook concrete plannen op tafel om een positief speelklimaat voor onze kinderen te creëren. Er valt echt nog héél wat te doen en daarom roep ik scholen, lokale beleidsmakers en ouders op om dat charter te ondertekenen. Zo geven ze ook daadwerkelijk aan werk te maken van dat universele recht op spel.

De openbare ruimte behoort ook onze kinderen toe. In een razendsnel veranderende samenleving is ons dat blijkbaar ontglipt en cours de route. Dat betekent meer dan alleen speelstraten en speelpleinen afbakenen. Het betekent de straten zelf, de pleinen en de parken in onze buurt. Het betekent dat kinderen zich veilig met de fiets of te voet moeten kunnen verplaatsen.

Het is geen verrassing dat de stijgende verkeersonveiligheid de grootste reden is waarom ouders hun kinderen liever niet de straat op sturen. Speel daar op in en geef onze kinderen de ruimte, niet alleen fysiek, om onbekommerd hun ding te doen. Waarborg dat recht op spelen, te allen tijde. Want kinderen zijn geen overlast en spelen is dat evenmin.

En een beetje verdraagzaamheid tijdens de (hopelijk) warme zomerdagen kan geen kwaad om van een bedreigde soort weer de koning van het rijk te maken.


Zomerkampen gebukt onder administratieve overlast

Deredactie.be – 30 juni 2015

Het is zomervakantie en dat luidt traditioneel ook de tijd van de zomerkampen in. Maar die blijken voor jeugdbewegingen hoe langer hoe moeilijker te organiseren. In sommige gevallen kruipt er tot 40 uur administratieve rompslomp in. De jeugdbewegingen trekken aan de alarmbel.
“Onrealistische kampreglementen en administratieve overlast vragen te veel tijd”, luidt de noodkreet van de jeugdbewegingen. “Zo kunnen de leiders veel minder tijd spenderen aan de voorbereiding van de activiteiten en de inkleding van het kamp.”

Vooral de gemeentelijke reglementen stellen kennelijk zware eisen. “Ze vragen bijvoorbeeld een lijst met alle gegevens en allergieën van de deelnemers, voor het geval zich een noodweer voordoet en ze het kamp moeten evacueren. Als zulke uitzonderlijke situaties als de regel worden beschouwd, worden zowel de jeugdorganisaties als het gemeentebestuur opgezadeld met overbodige administratieve overlast,” zegt Pieter Monsart, woordvoerder van de jeugdbewegingen.

Bovendien is de gemeente waar het kamp plaatsvindt soms zelf niet eens goed op de hoogte en dan loopt het fout. “We hadden eens een speelplaats aangevraagd om in het bos te spelen. Maar blijkbaar moest dat niet naar de persoon gestuurd worden die wel op het internet vermeld stond. Op die manier hadden we geen plaats in het bos om er te spelen”, getuigt Fabris Toussein van de scoutsgroep de Vrijbuiters uit Brugge.

“Meer coachen, minder controleren”

De jeugdbewegingen pleiten er voor dat gemeenten eerder inzetten op een goed onthaalbeleid in plaats van te zwaaien met dwingende kampreglementen.

“Dat kan een onthaalbeleid zijn waarbij iemand naar het kampterrein komt bij de start van het kamp om daar praktisch alle regels goed door te spreken. Dat is wat meer coachen en minder controleren”, besluit woordvoerder Monsart.

Beterschap tegen volgende zomer

“Er moeit altijd wel een beetje moeite worden gedaan om een kamp administratief in orde te krijgen, maar het mag niet overdreven zijn en daar hebben we een grens overschreden”, zegt ook minister van Jeugd Sven Gatz (Open VLD). Hij belooft beterschap en maakt zich sterk dat de administratieve rompslomp tegen volgende zomer al een stuk moet verholpen zijn.

“Minister van Toerisme Ben Weyts en ikzelf zijn momenteel bezig met de voorbereiding van een masterplan bivakplaatsen en de administratieve rompslomp maakt daar deel van uit”, zegt Gatz.

“We hebben nog even tijd nodig, maar we willen in het najaar een aantal maatregelen voorstellen en nu al voeren we gesprekken met de gemeenten. Bovendien moeten we als Vlaamse en federale overheid ook in eigen boezem durven kijken, al kunnen we sommige veiligheidsregels niet zo maar op zetten.”

“Ik wil het probleem dus ter harte nemen: meer ruimte laten voor spel en minder voor papierwerk”, besluit Gatz.


Zet een goed rapport niet zomaar op facebook

Nieuwsblad – 26 juni 2015

Het schooljaar zit er zo goed als op. Enkel nog het rapport en dat kan wel eens tegenvallen. Hoe reageer je al ouders wanneer je kind ver beneden de verwachtingen heeft gepresteerd. Wanneer zoon- of dochterlief met een karrenvracht aan buizen naar huis komt?
Wat is een slecht rapport?

‘Komt je kind thuis met vijf buizen, kan je van een slecht rapport spreken. Maar als hij bijvoorbeeld een buis voor wiskunde heeft en voor de rest allemaal goede resultaten, is dat dan een slecht rapport? Leg de lat niet te hoog en durf ook de goede dingen te zien. Want dat vergeten ouders wel eens’, zegt Ilse De Block van de Opvoedingslijn.

Boos, emotioneel, ontgoocheld: wat is de juiste reactie?

‘Uiteraard ben je als ouder ontgoocheld wanneer je kind met minder goede punten thuiskomt. We hebben allemaal de beste toekomst voor onze kinderen voor ogen. En we hopen allemaal dat ons kind het mooiste en slimste van de klas is. Boos zijn, beginnen roepen en tieren en onmiddellijk een reeks straffen verzinnen, heeft echter weinig zin. Probeer vooral kalm te blijven.’

Het is normaal dat je overladen wordt door emoties, zegt De Block. ‘Praat er rustig over met je partner en probeer die emoties even te parkeren. Je kind zal zelf ook boos of verdrietig zijn. Maak het niet erger dan het al is. Pubers kunnen het gevoel geven dat het hen allemaal weinig kan schelen. Maar diep in hun binnenste, zijn ze natuurlijk wel ontgoocheld.’

Moet je straffen of niet?

‘Straffen is geen oplossing. Door je kind te verbieden om naar een festival te gaan of hem niet mee op kamp te laten gaan met de jeugdbeweging, help je hem of haar niet verder. Praat met je kind, probeer er samen uit te geraken wat er fout is gelopen en hoe het in de toekomst anders en beter kan. Praat desnoods met de leerkrachten of het CLB. Maar straffen heeft weinig zin.’

Is bijscholing in de vakantie een optie?

‘Ja en neen. Je kind in de vakantie oefeningen laten maken is eigenlijk ook een vorm van straffen. Zeker als je hem of haar daarmee eens goed wil laten voelen dat het anders, beter moet. Diverse onderzoeken hebben uitgewezen dat het weinig helpt. Wat wel kan is wanneer je bijvoorbeeld een buis heeft voor frans, dat je een paar uur per dag frans praat thuis. Of dat je hem of haar op vakantie in Frankrijk elke dag alleen naar de winkel stuurt. Zo oefent hij de taal. Een taalkamp kan ook, maar niet als straf.’

Of moeten we gewoon de lat lager leggen?

Een slecht rapport en/of naar een andere richting moeten, zien we nog te vaak als mislukken. ‘Vaak hebben ouders vroeger zelf gefaald en hebben ze niet het diploma gehaald wat ze voor ogen hadden. En dus willen ze dat hun kind daar wel in lukt. Als dan blijkt dat het toch niet zo evident is, zijn ouders ontgoocheld en zien ze het ook een beetje als gezichtsverlies naar familie, vrienden en collega’s toe. Ik zou zeggen, beter een gelukkig kind dan een ongelukkig kind omdat het niet mee kan in de klas’, zegt Ilse De Block. ‘Durf eens te kijken naar wat je kind wel beter kan dan anderen. Waar hij of zij wel in uitblinkt. Misschien is je zoon handiger met zijn handen. Wat is daar fout mee?’

Niet op Facebook

Het is natuurlijk leuk om te pronken met goede resultaten, maar wees er voorzichtig mee. ‘Aan je hele vriendenbestand meedelen dat je kind 89% haalde in het derde leerjaar, is eigenlijk hetzelfde als die boodschap op het dorpsplein omroepen met een megafoon – dat slaat nergens op’, vertelt pedagoog Pedro De Bruyckere in Het Laatste Nieuws. Daarom raadt hij aan het rapport te delen met een beperkte vriendenkring en eerst toestemming te vragen aan je kind. ‘De belangrijkste reden waarom ouders die punten delen, is omdat ze er blij mee zijn. Daar is niets mis mee. Al zijn het wellicht dezelfde vaders en moeders die enkele jaren later met goede raad staan te zwaaien bij hun kinderen, opdat ze toch eerst goed zouden nadenken voor ze iets op internet zetten. Daarom vind ik het netjes dat de ouders éérst toestemming vragen aan hun kroost’.

Gedragstherapeute Marijke Bisschop merkt op dat het alleen de goede punten zijn die op Facebook gedeeld worden. ‘Zij merken het wel wanneer papa in z’n nopjes is en zo’n berichtje plaatst. Als hij dat de volgende keer niét doet, beseft het kind: hier is iets aan de hand. Of misschien worden de punten van kleine broer wél online vermeld en zijn die van grote broer niet goed genoeg. Zo wordt de druk om te presteren alleen maar groter. Daarom: geef je kind tien dikke knuffels bij een goed rapport, maar ga het niet voor iedereen bewieroken’.


Immo says no

www.all1.be – 25 juni 2015

Er was nogal wat commotie over, vorige week, toen bleek dat een immosite de sociale kaart van de buurt linkte aan de waarde van een woning. Wonen er procentueel veel lager opgeleiden en allochtonen in deze buurt? Jammer, dan is een huis er niet veel waard. Onderliggende boodschap: ga er dus niet wonen.

“Erover!” en “Degoutant!” schreeuwden critici op tal van sociale media. Gelijk hadden ze. Maar gek genoeg worden we dagelijks geconfronteerd met een maatschappelijk model dat systematisch discrimineert, en waar in de helft van de gevallen geen kat van wakker ligt. Niet alleen niet-Belgen of sociaal zwakkeren zijn Kop van Jut. Ook singles verteren hun deel.

“Wij verhuren niet aan ongehuwde moeders met kinderen”

Je beseft het pas goed als je pakweg als alleenstaande ouder met kinderen plots op de huurmarkt belandt. Het overkwam mij een paar jaar geleden. Ik had een baby van 6 maand en een kleuter van 3 aan mijn zij, het gezin was uiteen gevallen, ik moest een woning vinden voor ons drieën. Bij tal van immokantoren waren er fijne advertenties en interessante plekjes in de aanbieding, maar telkens stootten we op een njet. “Sorry, mevrouw, wij verhuren niet aan ongehuwde moeders met kinderen.” Zo zeiden ze dat, zonder verpinken.

Het is schrijnend dat dit kan, in een wereld waar het motto ‘vrouwen en kinderen eerst’ ingeburgerd is. De attitude van verhuurbedrijven staat er haaks op. Eigenlijk zeggen zij: twee volwassenen samen, dàt is een gezin. U bent dat niet. En dus verhuren we niet aan u.

Aanvankelijk ging ik met de immokantoren stevig in discussie, na zo’n weigering. Ik eiste uitleg en zei dat ze het recht niet hadden om mij zo wandelen te sturen. Maar de makelaars wimpelden me beleefd af. Zwoeren dat het de eigenaars van het pand waren die de gezinssituatie niet aanvaardden. Verantwoordelijkheid doorschuiven, heet dat. Eén luttele keer luidde het zelfs “dat ongehuwde moeders krap bij kas zitten en toch niks kunnen betalen. Aan u verhuren we niet, madam.” Dat ik werk had, een vast inkomen en heus wel een solvabele huurder was, interesseerde hen niet.

Eén luttele keer deed ik ook meer dan discussiëren. Ik had een huisje aan de rand van de stad gezien, meer dan geschikt voor ons drieën, en mocht het bezoeken op afspraak. De nog aanwezige huurster vertelde dat zij het huis indertijd had kunnen bemachtigen, omdat ze de man van wie ze ging scheiden liet verklaren dat ze een koppel waren. Het immokantoor was gepaaid en aanvaardde ‘hen’ als huurder, de man vertrok een maand later. De dame adviseerde om ook iemand te zoeken die wou verklaren dat hij mijn partner was. Dan konden we pro forma 2 loonfiches voorleggen, en misschien toch huren. Anders zou het niet lukken, want: alleen koppels toegelaten. “Dat was de eis van de eigenaar”.

Na deze mededeling trok ik op eigen houtje naar het kadaster om de gegevens van die eigenaar op te vragen. Zo belandde ik uiteindelijk bij een bvba in het Brugse Ommeland: de bewuste eigenaar van het huisje dat te huur stond. Ik vertelde de vrouw in kwestie wat het immokantoor verklaarde: deze eigenaar wil geen alleenstaande ouders. Ze hoorde het in Keulen donderen, zei dat dat geen steek hield. Ze zouden het kantoor erover aanspreken.

Ik heb het huis uiteindelijk niet kunnen huren, om de redenen die hierboven al werden aangehaald. ‘Immo says no’. Iedere keer opnieuw. Toen ik de bediende van het kantoor zei dat ik de eigenaar persoonlijk had gesproken en ze op deze flagrante leugen zou terugkomen, verbleekte de man. Net zoals mijn zin om ooit nog iets via dat kantoor te huren.

Toch vond ik korte tijd later wél mijn stek in de stad. Een gezellig en ruim appartement, in een vrij rustige en groene buurt. Die ene makelaar – ik ben hem dankbaar – heeft mijn huuraanvraag wel eerlijk voorgelegd aan de eigenaar. Haar dochter besliste over de toekenning. De vrouw was zelf gescheiden, met kinderen en seinde kort na mijn aanmelding dat ik mocht huren. Toen ze me de sleutels later bezorgde, voegde ze eraan toe: “Ik weet dat niemand moeders met kinderen aanneemt als huurder. Het leek mijn plicht om dat wel te doen.”

Het is intussen meer dan vier jaar na die woelige zoektocht. Er zijn op radio en TV al talloze debatten gevoerd over wanpraktijken op de verhuurmarkt. Koepelorganisaties van de immobiliënsector werden al op de rooster gelegd en gewezen op het feit dat ze ‘alleenlevenden’ systematisch discrimineren, zeker als er kinderen bij komen kijken. Zonder veel gevolg. De organisaties schuiven de hete aardappel door, zeggen dat ze er wel weet van hebben, maar er weinig tegen kunnen doen.

Dat kunnen ze nochtans wel. Er zijn vandaag nog altijd makelaars die op advertenties vermelden: ‘geen moeders met kinderen’. Dat is flagrant en strafbaar, zoals discriminatie op grond van ras, geloof of seksuele geaardheid het ook is. Er moet beleidshalve tegen opgetreden, net als tegen alle drogredenen en halfslachtige wetten die alleenstaanden treffen, of ze nu kinderen hebben of niet. Ook die alleenstaanden hebben recht op een woning en een fiscaal en wettelijk kader dat hen behandelt als alle anderen. Daar staat of valt een democratische samenleving mee.


sCool is Vlaamse facebook voor kinderen

Datanews – 22 juni 2015

Een ‘sociaal leerplatform’, zo omschrijft bedenkster Katja Schipperheijn haar onlineomgeving waar kindjes van vijf tot twaalf op een veilige manier kunnen chatten en dingen delen. Het idee voor sCool komt van haar dochters van acht en tien. Toen die vroegen of ze op Facebook mochten en ‘neen’ op het rekest kregen, daagden ze hun moeder uit om met iets beters op de proppen te komen.

“Ik ben al een tijdje bezig met het ontwikkelen van digitale leerplatformen voor volwassenen, dus groot was de stap niet”, vertelt de ambitieuze Antwerpse, die met haar kinderversie van Facebook hoge ogen gooide op de voorbije editie van TheNextWeb in Amsterdam en sindsdien probeert om haar boreling in zoveel mogelijk scholen uitgerold te krijgen.

Het sCool-platform bouwt verder op de populaire intranet-omgeving van het Canadese bedrijf Igloo Software (die eigenlijk een alternatief is voor Sharepoint). “De template heb ik wel degelijk zelf in elkaar gestoken, en het is die template die we verkopen, samen met enkele extra widgets en integraties”, klink het.

Wat de kids allemaal kunnen doen met sCool? Er worden momenteel een vijftal toepassingen aangeboden. “Ze leren hoe ze ‘sociaal vaardig’ kunnen worden, hoe ze boodschappen moeten posten en hoe ze filmpjes kunnen embedden”, legt de bedenkster uit.

“Daarnaast krijgt het jonge volkje toegang tot een digitale kalender, wiki’s en een digitale boekentas. Via die boekentas kunnen ze hun huiswerk rechtstreeks uploaden naar het platform, om dan later terug te openen in de klas en door de leraars te laten nakijken.” Ook aan het veiligheidsaspect wordt aandacht besteed. Zo leren de kinderen waarom ze een duidelijke profielfoto moeten plaatsen, en hoe ze een degelijk paswoord kunnen instellen.

Volumes

De prijs voor het sCool platform (dat volledig in de cloud draait) klokt af op 1,75 euro per kind per maand. Daar zouden geen extra kosten meer bijkomen. “Nieuwe spelletjes, updates: alles wat er nadien nog wordt toegevoegd blijft gratis”, klinkt het. “En dat data blijft ook van de school. De verantwoordelijken kunnen alle content er meteen afhalen als ze dat wensen.”

“Momenteel ben ik aan het bekijken met het gemeenschapsonderwijs (GO) of we niet één speciale template kunnen maken voor de 93 scholen die gegroepeerd zitten onder die koepel”, vervolgt Katja. “Wanneer we over grote volumes spreken, kan er nog wel iets worden afgedaan van de prijs.”

Hamvraag blijft natuurlijk of kinderen uit het lager onderwijs nog wel wegwijs gemaakt moeten worden op sociale media. Zitten ze sowieso niet allemaal op Facebook? “Als ze twaalf zijn wel”, geeft Schipperheijn toe, “maar op Facebook rondhangen is lang niet zo veilig als met sCool werken. En op dat platform hebben ze ook geen digitale boekentas, of een digitale agenda.”

“Weten de Facebook-kinderen wat de gevaren zijn? Bij velen staat het profiel helemaal open. En wanneer ze met Instagram werken staan hun locaties er bij. Het blijven kinderen hoor. Ze gebruiken die tools wel, maar beseffen niet wat de gevolgen zijn van hun acties. Enige sensibilisering kan zeker geen kwaad.”

The Learnscape heeft intussen een testfase achter de rug in Sint-Lutgardis in Antwerpen, en onderhandelt met de stad om het systeem vanaf september stapsgewijs te introduceren in andere scholen. “Ik zou toch graag naar 40.000 kinderen willen gaan. Als er één grote scholengroep intekent, kan het snel gaan (lacht).”


Steun voor kansarme leerlingen helpt niet

De Tijd – 18 juni 2015

De steun voor kansarme leerlingen in het onderwijs leidt niet tot een betere sociale mix in de scholen. Het geld wordt vooral gebruikt voor armoedebestrijding, wat helemaal niet de bedoeling was. Dat blijkt uit een rapport van het Rekenhof.

‘De doelstelling om met de financiering volgens leerlingenkenmerken een betere sociale mix in de schoolpopulaties te bekomen, is niet gerealiseerd.’ De conclusie van het Rekenhof over de financiële steun aan scholen voor kansarme leerlingen is messcherp.
Scholen met kansarme leerlingen krijgen een financieel duwtje in de rug via hun werkingsmiddelen. Concreet gaat het om kinderen met een laagopgeleide moeder, kinderen die thuis geen Nederlands spreken of die uit een gezin met een laag inkomen komen. Op die manier wil de Vlaamse overheid tot een meer gelijk onderwijs komen.
Maar sinds die aanpassing van de financiering volgens leerlingenkenmerken is het aantal scholen met een goede mix gedaald, blijkt uit een evaluatie van het Rekenhof. De enige uitzondering daarop is het kenmerk thuistaal. Bij de andere drie kenmerken daalde het aantal scholen met een goede mix.
De begrotingswaakhond onderzocht ook waar de scholen het geld voor benutten. Blijkt dat de scholen het geld vooral gebruiken voor armoedebestrijding, zoals een gratis maaltijd of een financiële tussenkomst in de ouderbijdrage voor buitenschoolse activiteiten. Dat was nochtans niet de bedoeling. Meer zelfs, de Vlaamse Onderwijsraad vindt dat het niet de bedoeling kan zijn dat de scholen met hun werkingsmiddelen aan armoedebestrijding doen. Volgens het Rekenhof dient de overheid te garanderen dat de scholen de werkingsmiddelen voldoende inzetten om de gelijke kansen in het onderwijs – en dus de leerprestaties te bevorderen.
Uit het onderzoek blijkt ook dat de steun voor kansarme kinderen amper wordt ingezet voor extra pedagogisch personeel. Dat was nochtans expliciet de bedoeling van de gelijke onderwijskansenfinanciering, want leerlingen met een lagere sociaal-economische achterstand kunnen extra leerlingenbegeleiding gebruiken.

Wat nu?

De discussie ligt politiek bijzonder gevoelig, want CD&V en de N-VA zijn het oneens over de gelijkeonderwijskansenfinanciering. Volgens het Vlaams regeerakkoord moet de extra steun voor kansarme leerlingen ‘evolueren’ naar een basisfinanciering voor elk kind. De criteria voor kansarme leerlingen zouden dus uit de onderwijsfinanciering verdwijnen. Vooral regeringspartij N-VA pleit voor zo’n basistoelage omdat kansarme leerlingen vooral nood hebben aan extra leraren, en niet aan extra werkingsbudget voor de school.
Maar voor Vlaams minister van Onderwijs Hilde Crevits (CD&V) gaat de passage in het Vlaams regeerakkoord toch een stap te ver. Ze wil de tweede studie afwachten, maar zei vorige maand nog dat het ‘een logische situatie is dat elk kind gelijk is, maar als we zien dat via werkingsmiddelen kinderen extra kansen krijgen, dan zal er bij mij geen sprake van zijn dat die afgebouwd of afgeschaft worden.’

Haar partij wil het sociale gelaat in de centrum-rechtse coalitie zijn. Dat net CD&V komaf zou maken met het gelijkekansenbeleid in het onderwijs, bracht haar eerder al politiek in het nauw.
Volgende week bespreekt het Vlaams Parlement de studie van het Rekenhof en de parallelle studie van de KU Leuven over de impact van de gelijke kansenfinanciering. Crevits zal daar haar beleidsconclusies trekken, zegt haar kabinet, en gaat dus voorlopig niet in op de conclusies van het Rekenhof.


Belgische wetgeving is afgestemd op traditionele gezin: groeiende groep singles

Knack – 16 juni 2015

Het aantal eenpersoonsgezinnen zal de komende jaren nog toenemen, maar de Belgische regelgeving hinkt achterop. Dat schijft Carla Dejonghe, voorzitter van all1, een belangenvereniging voor alleenwoners.

1 op 3 Belgische huishoudens bestaat vandaag uit 1 persoon. In grote steden zoals Brussel is dat zelfs al 1 op 2. Alle bevolkingsprognoses wijzen in dezelfde richting: het aantal eenpersoonsgezinnen zal de komende jaren nog verder toenemen, een tendens die ook geldt voor andere Europese landen. Het is één van de opvallendste demografische ontwikkelingen van de laatste decennia, maar de Belgische regelgeving blijft hoofdzakelijk afgestemd op het traditionele gezin. De groeiende groep alleenstaanden is hiervan al te vaak de dupe. Die groep is trouwens zeer divers, gaande van vrijgezellen en gescheiden personen tot weduwen/weduwnaars en alleenstaande ouders.

Cijfers van de OESO geven aan dat de Belgische alleenstaanden zonder kinderen de zwaarst belaste mensen ter wereld zijn. In 2013 ging maar liefst 55.8 % van hun brutoloon naar belastingen en sociale zekerheid. Maar ook de regelgeving rond successierechten zijn een doorn in het oog van veel alleenstaanden. Voor wie zijn erfenis wilt nalaten aan zogenaamde ‘derden’, bijvoorbeeld een goede vriend, nicht of petekind, geldt de maximale erfbelasting. In Vlaanderen betaalt de erfgenaam dan tussen 45% en 65% erfbelasting. In Brussel en Wallonië loopt dat zelfs op tot 80%.

Maar ook op tal van andere vlakken benadeelt de regelgeving alleenstaanden. Zo hebben koppels recht op het dubbel aantal fiscaal aftrekbare dienstencheques voor poetshulp én een dubbele woonbonus (de belastingvermindering voor de enige en eigen woning). Daarnaast kan je enkel zorgverlof nemen om je te ontfermen over een zwaar ziek gezins- of familielid (tot de tweede graad). Zieke alleenstaanden die niet (meer) kunnen terugvallen op familie, moeten dus hopen dat iemand uit hun omgeving bereid is om onbetaald verlof te nemen om hen te verzorgen.

Wat zijn de gevolgen van politieke beslissingen voor alleenwoners?

Het zijn maar enkele voorbeelden van hoe we het de vele alleenstaanden in ons land soms knap lastig maken. Daarom pleit ik als Brussels parlementslid al verschillende jaren voor een ‘singlesreflex’ in het beleid, waarbij beleidsmakers alle politieke maatregelen die genomen worden ook toetsten aan hun (soms zware) gevolgen voor alleenwoners. Daarnaast lanceerde ik in 2013 een enquête bij de Brusselse alleenstaanden om te peilen naar hun noden en bezorgdheden. Op basis van deze initiatieven werd ik via allerlei kanalen gecontacteerd door tal van alleenstaanden, uit alle windstreken en met uiteenlopende profielen, die me vroegen om hiermee verder te gaan en op te komen voor hun belangen.

Zo groeide het idee om een belangenvereniging voor ‘alleenwoners’ op te richten, zoals dit al in andere Europese landen bestaat. We zijn de afgelopen maanden met een diverse groep geëngageerde ‘ervaringsdeskundigen’ rond de tafel gaan zitten om een duidelijke missie uit te werken voor de vereniging, die de naam ‘all1’ kreeg.

All1 is alvast ambitieus. In de eerste plaats willen we de belangen verdedigen van alle Belgen die, om uiteenlopende redenen voor een korte of langere tijd, alleen wonen. Zij worden ten gevolge van een onaangepaste regelgeving namelijk met een aantal problemen geconfronteerd die niet gelden voor koppels. Een grondige doorlichting van onze huidige regelgeving om de bestaande pijnpunten bloot te leggen zou alvast een goed begin zijn. All1 wil hierover een maatschappelijk en politiek debat op gang brengen, maar ook wetenschappelijk onderzoek rond de thematiek bevorderen. In tegenstelling tot de Amerikaanse academische wereld, hebben Belgische onderzoekers nog te weinig hun licht laten schijnen over deze belangrijke demografische evolutie en diens gevolgen. We werken daarom nu al samen met de Wetenschapswinkel. Daarnaast trachten we alleenstaanden correct te informeren over hun rechten en hen bij te staan in hun zoektocht naar informatie. We hopen dat onze beweging kan uitgroeien tot een platform waarop alle betrokkenen en belanghebbenden informatie kunnen uitwisselen.

Klassiek gezien niet langer alleen als norm

Eén ding is duidelijk, het klassieke gezin kan niet langer (alleen) fungeren als norm bij het opstellen van regelgeving. Naast het nieuw samengestelde gezin is ook de alleenstaande een realiteit in het België van de 21ste eeuw. Het streefdoel van all1 is dus om te komen tot een leefvormneutrale regelgeving binnen een maatschappij met een meer waarheidsgetrouw beeld van de zeer diverse groep alleenwoners.

Dit betekent ook komaf maken met het clichébeeld van de jonge happy single die volop geniet van het vrijgezellen- en stadsleven. De werkelijkheid is nu eenmaal complexer


Nieuw onderzoek trekt aan alarmbel: “absolute deadline om zwanger te raken is 35”

Het Belang van Limburg – 18 juni 2015

Vrouwen die gezond zwanger willen raken doen dat echt best voor hun 35ste, zo toont een nieuw Spaans onderzoek aan. Wie nadien zwanger wil worden heeft veel meer problemen om zwanger te worden. ‘Eigenlijk zou je zelfs best voor je 25ste al zwanger zijn.’
Uit een nieuw onderzoek blijkt namelijk dat de kwaliteit van de eicellen veel sneller daalt dan eerst aangenomen werd. Een vrouw van 35 jaar heeft nog 75% kans dat ze zwanger wordt. Wanneer ze 38 jaar oud is, is die kans nog maar 23,6%. Dames van 40 jaar hebben nog maar 15,6% kans, 41-jarigen 6,6% kans en eenmaal je boven de 44 jaar bent is dat nog maar 1,3%.

Veroordelen?

‘Vrouwen studeren, komen op de arbeidsmarkt, willen op een bepaald moment wel kinderen, maar vinden het belangrijk dat dat met de juiste partner is. En voor ze het weten, zijn ze de dertig een flink stuk voorbij. Moeten we die vrouwen veroordelen omdat ze zogenaamd hun carrière op de eerste plaats hebben gezet? Neen. Want zo is onze realiteit vandaag nu eenmaal. De tijden zijn veranderd’, aldus Vlaams fertiliteitsexperte Petra De Sutter in Het Laatste Nieuws.


Maand bedenktijd nadat echtscheiding uitgesproken is

Deredactie.be – 17 juni 2015

Als de rechter de echtscheiding op grond van onderlinge toestemming heeft uitgesproken, zal het in de toekomst nog steeds mogelijk zijn om hoger beroep aan te tekenen wanneer beide partijen zich kort nadien verzoend hebben. Dat staat in een wetsvoorstel van Sonja Becq (CD&V) dat unaniem aanvaard werd in de Kamercommissie Justitie.
De mogelijkheden om hoger beroep aan te tekenen tegen een echtscheidingsvonnis zijn beperkt en een verzoening na de uitspraak hoort hier niet bij. Soms komt het echter voor dat een koppel zich verzoent nadat de rechter de echtscheiding op grond van onderlinge toestemming heeft uitgesproken, maar voor het echtscheidingsvonnis definitief wordt.

“Indien het koppel in deze situatie geen hoger beroep kan aantekenen, zijn ze gedwongen om de echtscheiding te ondergaan. Dit heeft heel wat nefaste gevolgen”, zegt Sonja Becq. In dat geval moeten er registratierechten betaald worden, moet er opnieuw getrouwd worden en eventueel een nieuw huwelijkscontract worden opgemaakt. “Wij zijn echter van mening dat beide echtgenoten zich in elk onderdeel van de procedure moeten kunnen verzoenen, alvorens de echtscheiding definitief is geworden.”

Indien het koppel na de uitspraak van de echtscheiding in eerste aanleg toch beslist om niet meer uit elkaar te gaan, dan wordt dit vanaf nu mogelijk. Zo kunnen beide echtgenoten gezamenlijk hoger beroep aantekenen tegen een vonnis dat de echtscheiding heeft uitgesproken. De voorwaarde is natuurlijk dat de termijn van hoger beroep (1 maand) niet verstreken is. “Als een koppel zich wil verzoenen, moeten wij hen die kans willen geven. Op die manier wordt heel wat leed dat door de echtscheiding wordt veroorzaakt, voorkomen”, meent Becq.


School verbiedt handstand: té gevaarlijk voor leerlingen

De Morgen – 16 juni 2015

Omdat kinderen zich keer op keer bezeerden, heeft een school in het Engelse Plymouth radslagen en handstanden in de ban gedaan.

Ouders kregen twee weken geleden te horen dat ze hun kinderen moesten instrueren op te houden met ‘gymnastiekoefeningen’ tijdens de pauzes.

Veel ouders reageren volgens de BBC met onbegrip. “Belachelijk” en “zot” betitelde Alison Russell tegen de omroep de schoolmaatregel. Een andere ouder ziet het als “gezondheid en veiligheid uit de bocht gevlogen. Kinderen moeten op de speelplaats kunnen doen wat ze willen zolang ze maar niet iemand anders bezeren.”

Tijdens de gymlessen wordt de kinderen overigens wel gewoon nog de radslag en de handstand geleerd.


Geef baby’s Ipads, dat is beter dan boeken

De Morgen – 15 juni 2015

Kinderen met een tablet ontwikkelen zich beter dan kinderen met boeken. Recent onderzoek aan de universiteit van Londen bracht aan het licht dat iPads baby’s meer zintuiglijke stimulansen bieden dan boeken.

Volgens wetenschappers zouden tablets al vlak na de geboorte deel moeten uitmaken van de leefwereld van baby’s.

Scrollen

Annette Karmiloff-Smith leidde het onderzoek. “Kinderen leren snel op tablets. Het is schokkend hoe snel ze – nog sneller dan volwassenen – dingen leren zoals op en neer scrollen. Boeken zijn statisch. Als je kleine kinderen bezig ziet met boeken, lijken ze enkel geïnteresseerd in het geluid van pagina’s omslaan. Het gezicht van baby’s wordt aangetrokken door beweging. Daarom zijn tablets, met bewegende beelden en geluid, zeer goed voor hun ontwikkeling”.

Karmiloff-Smith meent dat kinderen met computers meer tekenen van ontwikkeling vertonen, ook al is dat niet in de converntionele betekenis. “Misschien steken ze een hoek van de tablet in hun mond. Zo verkennen ze het toestel fysiek, maar al snel zullen ze het gebruiken om dingen mee te doen. Al wat we weten over de ontwikkeling van kinderen zegt ons dat we baby’s en kleuters niet moeten weghouden van computers”.

Tijdelijke dementie

Neuroloog Susan Greenfield waarschuwt echter dat blootstelling aan computerschermen en computerspelletjes de hersenen van kinderen kan beschadigen en een vorm van tijdelijke dementie kan veroorzaken. Zij verklaart dat verbindingen in de hersenen tijdelijk kunnen uitgeschakeld worden door zintuiglijke activiteiten.


5 aandachtspunten als je een beroep wil doen op een bemiddelaar

Knack – 15 juni 2015

ie familiale problemen heeft kan een beroep doen op een bemiddelaar. De gesprekken die je daar voert zijn vertrouwelijk en leiden geregeld tot resultaat.

Volgens recent onderzoek resulteert een bemiddelingsprocedure bij een echtscheiding in één op de twee gevallen tot een volledig of gedeeltelijk akkoord. Waar vind je zo’n bemiddelaar en wat kost die?

  1. Werk met een erkend bemiddelaar

Een bemiddelaar probeert de partijen te verzoenen en een compromis te vinden. Neem enkel een erkend bemiddelaar onder de arm. Die heeft een bijzondere opleiding gevolgd om te bemiddelen. In de praktijk zijn het vaak advocaten die als bemiddelaar in familiezaken actief zijn. Je vindt een lijst van bemiddelaars op deze site.

2. Maak goede afspraken over de kostprijs

Spreek met de bemiddelaar bij aanvang van zijn opdracht af wat dit je zal kosten Veelal wordt gewerkt aan een uurtarief van rond de 100 euro waarvan elke partij de helft betaalt. Je kan ook andere afspraken maken. Op deze vergoeding is geen BTW verschuldigd.

3. De gesprekken zijn vertrouwelijk

De gesprekken die je bij de bemiddelaar voert zijn vertrouwelijk. Je kan wat de ander zegt dus later niet tegen hem of haar gebruiken. Slaagt de bemiddeling en komt er effectief een akkoord tot stand, dan wordt dat ook op papier gezet.

4. Je kan altijd stoppen

Als je een verdere bemiddeling niet meer ziet zitten, kan je ze altijd stopzetten. Dit heeft geen nadelige gevolgen voor je.

5. Er is een alternatief

Er bestaat ook een alternatief voor de bemiddeling. Je kan namelijk aan de rechter vragen om naar de kamer van minnelijke schikking te worden verwezen. Hier kan je proberen om in aanwezigheid van een rechter tot een akkoord te komen voor je discussie.


Alle zieke kinderen hebben voortaan recht op Bednet

Nieuwsblad – 14 juni 2015

Alle kinderen die langdurig ziek zijn, moeten vanaf 1 september via de webcam les kunnen volgen. Bednet krijgt daarvoor één miljoen euro subsidies van onderwijsminister Hilde Crevits (CD&V). ‘We zijn volop mensen aan het aanwerven en materiaal aan het kopen om de vele aanvragen te kunnen verwerken’, klinkt het bij Bednet.
Chronisch of langdurig zieke kinderen in het lager en middelbaar onderwijs kunnen al sinds 2007 een beroep doen op de gratis diensten van Bednet. Via de webcam volgen ze live ‘vanuit hun bed’ de lessen. Ook al zitten ze vaak thuis, ze hebben nog contact met hun leeftijdsgenootjes en de juf.

Maar tot op vandaag is de organisatie nog niet bij alle scholen bekend. ‘We zijn nu afhankelijk van de goodwill van scholen en ouders’, zegt Els Janssens, directrice van Bednet. Daarom treedt vanaf 1 september een nieuwe regelgeving in werking die van internetonderwijs een absoluut recht maakt: scholen worden verplicht om ouders te informeren over de mogelijkheid.

Eén miljoen subsidies

Het kabinet van Hilde Crevits plant een campagne om Bednet breder bekend te maken en maakt één miljoen euro subsidies vrij. Nu leeft de vzw vooral van giften en sponsoring. ‘We verwachten dat meer leerlingen er een beroep op zullen doen. Het geld moet daaraan tegemoetkomen’, zegt de woordvoerder van Crevits.

Ook Els Janssens verwacht dat het aantal aanvragen fel zal toenemen. ‘We zijn alles in gereedheid aan het brengen voor komend schooljaar. We nemen nu al vier nieuwe medewerkers in dienst en kopen volop materiaal aan. Nu gebruiken 230 kinderen Bednet, maar volgend jaar kunnen we zeker 300 leerlingen helpen.’
Bewerk bericht


Bemiddeling na echtscheiding leidt in helft van gevallen tot akkoord

De Standaard – 11 juni 2015

Een bemiddelingsprocedure bij een echtscheiding resulteert in 1 geval op 2 in een akkoord. In 39 procent van de gevallen is er een volledig akkoord en in 10 procent een gedeeltelijk. Dat heeft Sofie Vanassche van het Centrum voor Sociologisch Onderzoek (KU Leuven) donderdag gezegd tijdens een studiedag in Leuven. Vanassche baseert zich op een grootschalig interuniversitair onderzoek waarbij in 2009-2010 3.506 gescheiden personen bevraagd werden.

De kans op een akkoord is groter als beide partners hiertoe het initiatief namen, als men kiest voor een notaris als bemiddelaar, als er weinig conflict is tussen de partners en het aantal sessies schommelt tussen 4 en 9.

71 procent is tevreden met het bereikte akkoord, 15 procent is ontevreden. Globaal gezien is 55 procent tevreden over de gevolgde bemiddeling en 22 procent ontevreden. ‘Het bereiken van een akkoord is de cruciale voorspeller voor de tevredenheid over een bemiddeling. Wie zelf het initiatief nam tot de bemiddeling is er achteraf ook meer tevreden over’, aldus Vanassche.

Hoewel 63 procent van de ondervraagden bemiddeling kent, maakt slechts 10 procent er gebruik van. Vanassche vroeg zich af of dit het gevolg is van het feit dat bemiddeling als te betuttelend ervaren wordt of te ingrijpend in de privésfeer. Terwijl bijna 80 procent van de hoger opgeleiden bemiddeling kent, daalt dit percentage tot 45 voor lager opgeleiden. Hetzelfde onderscheid treffen we aan bij wie gebruikt maakt van bemiddeling. Bij hogeropgeleiden is dat 17 procent, bij lageropgeleiden slechts 7. ‘De effecten van echtscheiding zijn nochtans zwaarder voor laag- dan voor hooggeschoolden’, aldus Vanassche. Ondanks het feit dat de rechter sinds 2007 verplicht is de betrokkenen te wijzen op de mogelijkheid tot bemiddeling, kent 70 procent het via informele kanalen.


Ombudsman: “schaf ondoeltreffende antispijbelmaatregel af”

Deredactie.be – 11 juni 2015

De terugvordering van de schooltoelage bij hardnekkige spijbelaars kan maar beter afgeschaft worden. Dat vindt de Vlaamse ombudsman Bart Weekers. Het aantal spijbelaars vermindert namelijk niet door de maatregel, bovendien raakt de financiële sanctie in de eerste plaats mensen met een laag inkomen. Op het terrein zelf lijkt er alvast draagkracht voor het afschaffen van de sanctie te zijn.
De Vlaamse overheid vordert elk jaar zowat 1.000 schooltoelages terug bij kinderen die onvoldoende aanwezig waren op school, schrijft Weekers in een opiniestuk in De Standaard. En dat op een totaal van 300.000 toelages.

De ombudsman is het ermee eens dat de overheid een antispijbelbeleid moet voeren, maar stelt zich grote vragen bij de terugvordering van de toelage. In de eerste plaats omdat de sanctie vooral mensen met een laag inkomen treft, mensen die het dus al moeilijk hebben.

Raakt arme gezinnen en is niet effectief

De schooltoelage wordt namelijk alleen aan mensen met een laag inkomen uitgereikt. De toelage terugvorderen, is geen rechtvaardige maatregel, stelt Weekers (foto in tekst), want “onwettige afwezigheden komen net zo goed voor bij de middenklasse”. Het aantal problematische afwezigheden in Vlaanderen ligt ruim boven de 8.000, veel meer dan die 1.000 terugvorderingen dus.

Ten tweede lijkt de maatregel het spijbelprobleem ook niet echt op te lossen. Het aantal meldingen van problematische afwezigheden blijft namelijk stijgen, terwijl het aantal terugvorderingen de voorbije jaren rond de 1.000 bleef hangen. “Waar zit dan het positieve effect van die terugvorderingen?”, vraagt Weekers zich af.

Weekers stelt daarom voor om de terugvorderingen gewoon af te schaffen, of er op zijn minst voor te zorgen “dat een antispijbelbeleid zich in gelijke mate naar alle gezinnen richt”. Want ouders met een laag inkomen, die wel degelijk hun best doen en vaak opvoeden met vallen en opstaan, verdienen steun, geen sancties, besluit de ombudsman.

Draagkracht voor afschaffing sanctie

Vandaag wordt in de commissie Onderwijs van het Vlaams Parlement over de aanpak van spijbelaars gedebatteerd. Minister van Onderwijs Hilde Crevits (CD&V) laat weten bereid te zijn om over de terugvorderingen te praten.

Oppositiepartijen Groen en SP.A zijn alvast voorstander om de maatregel af te schaffen. Meerderheidspartijen Open VLD en N-VA stellen zich iets afwachtender op.

Op het terrein zelf lijkt er ook redelijk veel draagkracht voor het afschaffen van de sanctie te zijn. Zowel het katholiek onderwijs als het gemeenschapsonderwijs vindt het een slechte maatregel die maar beter verdwijnt.

“Het is een zeer slechte maatregel die niet werkt. Ze treft een zwakke groep dubbel, namelijk de gezinnen met lagere inkomens. We moeten meer werk maken van preventie in plaats van repressie. Daarbij hebben we nood aan een brede visie”, reageert Willy Bombeek, woordvoerder van het katholiek onderwijs.


Vroeger was een kind druk, nu heeft het ADHD

Knack – 10 juni 2015

Is ADHD echt een aandoening waar medicatie de enige oplossing voor is, of zijn er ook alternatieven om drukke kinderen te behandelen? “De combinatie van therapie en medicatie ideaal”, stelt neuroloog Guy Meersman.

Aandachtstekort-hyperactiviteitstoornis, beter gekend als ADHD, is een aandoening waar veel kinderen mee kampen. Vaak wordt deze stoornis gezien als een ziekte, waartegen het medicatie voorgeschreven wordt. Ook berichten in de media zorgen voor publieke discussie over ADHD. “Ze zouden misschien beter eerst eens uitleggen wat ADHD precies inhoudt”, vindt de 14-jarige Stan (*).

Voor Sophia (*), moeder van Boris, is het duidelijk: “ADHD is geen ziekte, maar een beperking”. Toen haar zoon in het tweede kleuterklasje zat, werd duidelijk dat hij druk was. Op aanraden van de juf ging het gezin langs bij dokter Guy Meersman, neuroloog en medisch directeur van revalidatiecentrum Accent. De test toonde aan dat Stans hersenen drukker waren dan bij andere kinderen.

Rilatine

Stan kreeg het medicament Rilatine voorgeschreven. Dat middel zou gezonde mensen erg gejaagd en gestrest maken. In uitzonderlijke gevallen kan het zelfs een psychose uitlokken. Maar dokter Meersman vindt de grote vrees voor Rilatine onterecht. Hij ziet het middel eerder als een manier om het kind te helpen: “Als een kind een bril nodig heeft, moet je het een bril geven. Als het ADHD heeft, Rilatine”, zegt hij.

In het begin waren de ouders van Stan ook niet te vinden voor medicatie. Zij vonden dat het hun plicht was naar alternatieven te zoeken. Homeopathie en een aangepast dieet zonder koemelk, tarwe en suiker leverden echter niet het gewenste resultaat op. Dus gaat Stan sinds het vierde leerjaar naar een kinderpsychologe. “Dat is belangrijk voor zijn zelfvertrouwen en een positief zelfbeeld”, stelt Sophia. Toch neemt de therapie zijn hyperactiviteit niet weg, dat kan enkel door de medicijnen. “Rilatine helpt hem om kalm te zijn, therapie geeft hem innerlijke rust.”

Ook psychologe Annelien Claeys ondervindt dat veel ouders weigeren om medicatie te geven. In de therapiesessies probeert zij, samen met de ouders, te werken rond medicatie, zodat ze die stap durven te zetten. De meeste ouders gaan daarom pas langs bij een neuroloog als ze al een hele weg hebben afgelegd. Volgens dokter Meersman heeft de Belgische bevolking drempelvrees. “Bij mij komen ze geen info, maar een voorschrift halen”, zegt hij.

Meersman is ervan overtuigd dat het een grote fout kan zijn om de aandoening niet te behandelen. “Volgens mij is de combinatie van therapie en medicatie ideaal. Therapie is vooral om het gedrag aan te passen, maar helpt niet om de concentratie te verbeteren. Therapie kan concentratie 10 tot 15 procent verhogen, Rilatine 60 tot 65 procent. Samen kan tot 70 procent verbetering verwacht worden.”

Functioneren op school

Een kind met ADHD heeft vooral medicatie nodig om te kunnen functioneren op school. “Als Stan naar het bord kijkt ziet hij helft van de wereld, met Rilatine ziet hij de juf”, zegt dokter Meersman.

Daarom is het volgens Annelien Claeys belangrijk om ook met de leerkrachten afspraken te maken. “Een kind met ADHD zit bijvoorbeeld best vooraan in de klas. Zo kan de leerkracht hen snel bij de les betrekken. En laat ze eventueel de bordenwisser eens uitkloppen, zodat ze eens de klas kunnen uitgaan”, stelt Claeys.

Kinderen met ADHD worden nogal dikwijls bestempeld als drukke en dus lastige kinderen. Stan neemt daarom altijd medicatie als hij naar school moet. In het weekend krijgt hij even de kans om zichzelf te zijn Zijn ouders staan intussen minder kritisch tegenover Rilatine, maar merken een enorm verschil wanneer hij medicatie neemt. “Het is ongelofelijk: ze worden er gewoon lam van. Eigenlijk is dat niet OK”, stelt Sophia.


‘Kid shaming’ choqueert internet

De Morgen – 9 juni 2015

Het internet wordt overspoeld door video’s en foto’s van ouders die hun kinderen publiek voor schut zetten om hen te straffen. Een filmpje waarin een Amerikaanse vader dat soort praktijken aanklaagt, gaat viraal.

Beelden van ouders die hun kinderen publiekelijk aan de schandpaal nagelen: het internet staat er vol mee. Soms is het grappig, soms ronduit schrijnend.

Een jongetje met rond zijn nek een bordje “Ik probeerde de kat kaal te scheren”, daar moet iedereen om lachen. Maar wat met een vader die de laptop van zijn 15-jarige dochter met kogels doorzeeft omdat het meisje op Facebook klaagt over de klusjes die ze moet doen? Of een 10-jarige knulletje dat voor straf een bord krijgt omgehangen met daarop “Vertrouw me niet. Ik ben een dief”? Begin juni pleegde een 13-jarig meisje zelfmoord nadat haar vader haar online belachelijk maakte. In een filmpje is te zien hoe hij haar haren afknipt.

Faalangst en depressie

Wayman Gresham, een vader uit de Amerikaanse staat Florida, kon het niet meer aanzien en maakte zelf een kid shaming-filmpje. In de video toont hij hoe zijn zoon ineengedoken op een stoeltje zit. “Ik ga mijn zoon kaalscheren, want ik ben niet blij met hem”, zegt Gresham. Hij haalt zijn tondeuse boven en zegt dan “Kom op jongen, geef me een knuffel. Ik zou je nooit zo vernederen”. De video werd intussen meer dan 20 miljoen keer bekeken en kan op veel bijval rekenen.

Ook Dirk van West, kinder- en jeugdpsychiater, reageert afkeurend op de child shaming-trend: “Ik vind dit absoluut geen manier om kinderen op te voeden, onder andere omdat je niet in de hand hebt hoe de omgeving zal reageren. Vooral jongeren kunnen bijzonder wreed zijn voor elkaar. Tieners zijn heel erg bezig met hun identiteit en hoe ze gezien worden door hun omgeving. Ze doen heel erg hun best om zich te profileren als ‘best wel oké’. Als ze dan voor schut gezet worden door hun eigen ouders, is dat niet goed voor hun emotioneel welbevinden. En als zo’n filmpje ook nog eens viraal gaat, is het hek helemaal van de dam. Het risico op psychische disfunctie wordt aanzienlijk groter: jongeren kunnen helemaal dichtklappen en zijn gevoelig voor faalangst en depressie. Ook prikkelbaarheid en zelfs grensoverschrijdend gedrag zijn dan mogelijke gevolgen.”

Volgens Van West kan kid shaming wijzen op radeloosheid bij ouders. “Ze hebben alles geprobeerd en willen vooral hun kind helpen, maar ze vinden niet de juiste manier. Het is belangrijk dat we die ouders ondersteunen met professionele hulp.”


Vlaamse vrouwen stellen kinderen uit

VTM nieuws – 8 juni 2015

Vrouwen in Vlaanderen stellen kinderen steeds vaker uit tot na hun dertigste. Dat blijkt uit cijfers van Kind en Gezin.

Er zijn vorig jaar opnieuw minder kinderen geboren in Vlaanderen. Dat komt omdat vrouwen alsmaar later kinderen krijgen. Voor het vierde jaar op rij is er een daling in het aantal geboorten. “Met minder dan 68.000 geboorten zitten we op het laagste cijfer sinds 2006, het laagste peil dus in bijna tien jaar,” meldt Diederik Van Coppenolle van Kind en Gezin aan de nieuwsdienst van de openbare omroep.

Niet minder kinderen

Het aantal kinderen per vrouw staat in 2014 op 1,71. Dat is opnieuw een lichte daling en het laagste cijfer sinds 2005. Toch betekent dit niet dat vrouwen uiteindelijk minder kinderen krijgen. Ze wachten alsmaar langer met kinderen tot na hun dertigste.

Crisis

De meerderheid van de kinderen (70%) die in Vlaanderen geboren wordt, heeft nog altijd een moeder tussen 25 en 35. Maar de leeftijd waarop vrouwen aan kinderen beginnen, schuift dus wel langzaam op. Vorig jaar waren vrouwen in Vlaanderen gemiddeld 28 jaar toen ze hun eerste kind kregen. Volgens Van Coppenolle ligt de oorzaak bij het langer studeren en het feit dat vrouwen vaker gaan werken. Een trend die al veel langer speelt volgens Van Coppenolle. “Maar we vermoeden dat bij jonge vrouwen nu ook de impact van de financieel-economische crisis speelt: jonge twintigers zitten in mindere economische tijden in een onzekere financiële situatie, en zijn daardoor geneigd om kinderen uit te stellen.”


Een op de vijf Vlaamse jongeren helpt dagelijks in het huishouden

Het Belang van Limburg – 5 juni 2015

Ongeveer één vijfde van de Vlaamse jongeren helpt dagelijks mee in het huishouden (20,7 procent). Wanneer we ook naar de jongeren kijken die meerdere keren per week iets in het huishouden doen, loopt het aantal in totaal op tot meer dan de helft van de jongeren (55 procent). Dat blijkt uit een onderzoek van het JeugdOnderzoeksPlatform (JOP), een steunpunt voor strategisch beleidsrelevant onderzoek van de Vlaamse overheid met onderzoekers van de UGent, Vrije Universiteit Brussel en KULeuven.
Het JOP vroeg in 2013 onder andere aan thuiswonende jongeren en jongvolwassenen van 14 tot 30 jaar in Vlaanderen hoe vaak ze klusjes of huishoudelijke taken doen. Meer dan de helft, om precies te zijn 55 procent, draagt minstens een aantal keren per week zijn steentje bij in het huishouden. Vooral meisjes nemen huishoudelijke taken op. Traditionele rolpatronen worden dus nog steeds op jonge leeftijd bestendigd.

Ongeveer één vijfde van de Vlaamse jongeren helpt dagelijks mee in het huishouden (20,7 procent). Anderzijds doen één vierde van de jongeren minder dan wekelijks iets in het huishouden (24,7 procent). Of nog: in één op de vier Vlaamse huishoudens komt het huishoudelijke werk bijna uitsluitend op de schouders van de ouder(s) terecht.

Traditionele rolpatronen

De traditionele rolpatronen worden van jongs af bevestigd. Kijken we naar de jongeren die minstens een aantal keren per week iets in het huishouden doen, dan zijn meisjes actiever (60,2 procent) in het huishouden dan jongens (50,5 procent). Dit verschil is nog meer uitgesproken voor de dagelijkse klusjes: 15,5 procent van de jongens zegt dagelijks iets in het huishouden te doen tegenover 26,8 procent van de meisjes.

‘Wat ons ook opvalt’, zegt prof. Bram Spruyt, socioloog van de VUB, ‘is dat in de periode 2006-2013 er nauwelijks verschuivingen zijn.’


Minstens 300 miljoen euro alimentatiegeld onbetaald

Knack – 6 juni 2015

Gescheiden partners weigeren nog vaak om alimentatiegeld te betalen. In totaal blijft minstens 300 miljoen euro onbetaald.

Gescheiden partners weigeren nog vaak om alimentatiegeld te betalen. In totaal blijft minstens 300 miljoen euro onbetaald. Dat blijkt uit cijfers van de Dienst Alimentatievorderingen, waarover de VRT-nieuwsredactie zaterdag bericht.

De dienst probeert het geld te innen bij de partner die het onderhoudsgeld moet betalen, maar de voorbije vijf jaar kon er zo maar 18 miljoen euro gerecupereerd worden.

Francis Adyns, de woordvoerder van de overheidsdienst Financiën, erkent dat er nog een grote som blijft openstaan. “We hebben per definitie te maken met een groep van mensen die dat onderhoudsgeld verschuldigd zijn, die ofwel niet willen betalen ofwel niet kunnen betalen”, zegt hij.

“Het is een combinatie van die twee zaken, de onwil en de onmogelijkheid om te betalen, die maakt dat dat bedrag zo hoog is.”


3 maanden voorwaardelijk voor vrouw die contact tussen ex en dochter verhinderde

Nieuwsblad – 5 juni 2015

Een vrouw is veroordeeld tot een voorwaardelijke celstraf van drie maanden omdat ze het contact tussen haar ex-partner en hun dochter verhinderde. Het meisje was al jaren de inzet van een harde juridische strijd tussen de gescheiden ouders.
De vrouw moet aan haar ex-partner ook een schadevergoeding van 3.000 euro betalen. Eind april moest de vrouw voor de correctionele rechtbank verschijnen omdat ze al vijf jaar het omgangsrecht tussen dochter en vader niet respecteerde. Het openbaar ministerie trok hard van leer tegen de beklaagde en wees op de vele manipulaties. De procureur vorderde dan ook een strenge effectieve straf, zodat de moeder een signaal zou krijgen dat het zo niet verder kan.

De vrouw ontkende dat ze verhinderde dat haar dochter contact had met haar vader. Volgens de beklaagde was dat een zelfstandige beslissing van haar dochter. De verdediging vroeg dan ook de vrijspraak. De ex-echtgenoot vorderde een morele schadevergoeding van 5.000 euro, maar hoopte tegelijk dat de vrouw niet naar de cel zou moeten.

Jeugdrechter

Ondertussen is voor de jeugdrechter nog een heikel dossier hangende. In februari werd immers beslist dat het meisje geplaatst moest worden in een pedagogisch oriëntatiecentrum. Op die manier wilde de jeugdrechter nagaan of ze het contact met haar vader weigerde door de invloed van haar moeder. Tegen die plaatsing organiseerde de vrouw dan weer een optocht door de straten van Veurne. Na twee maanden besliste de jeugdrechter dat het meisje terug naar haar moeder mocht. Haar vader tekende beroep aan tegen deze uitspraak.


Nieuw decreet maakt adopteren goedkoper

De Standaard – 4 juni 2015

De vier bestaande adoptiediensten versmelten straks tot één grote dienst voor heel Vlaanderen. Omdat de overheid die zal subsidiëren, wordt adopteren goedkoper. Kinderen krijgen recht op informatie over hun afkomst.

In plaats van vier adoptiediensten komt er straks één grote dienst voor binnenlandse adoptie in heel Vlaanderen. Deze zal structurele subsidies van de Vlaamse overheid krijgen voor zijn werking en voor de begeleiding van moeders die een kind afstaan.

Dat is ook goed nieuws voor mensen die een kind willen adopteren, want daardoor hoeven zij niet meer bij te dragen tot de financiering van de adoptiedienst, zoals nu het geval is.

‘Adopteren zal een paar duizenden euro’s goedkoper worden’, schat Vlaams parlementslid Lorin Parys (N-VA). Uit eigen ervaring weet hij dat de kostprijs van een binnenlandse adoptie kon oplopen tot 8.500 euro. ‘Niet iedereen kan zo’n bedrag op tafel leggen. En het is niet omdat je dat niet kan, dat je geen goede adoptieouder zou zijn.’


Ouderschap is maar zo zwaar als je het jezelf maakt

Het Laatste Nieuws – 3 juni 2015

Steeds meer vaders en (vooral) moeders gaan ten onder aan de druk die het ouderschap hen oplegt. We moeten de perfecte ouders zijn, perfecte kinderen hebben, een perfect sociaal leven en een perfecte relatie. Hoog tijd om wat minder te moeten, en wat meer te mogen.

Als we opvoedkundige magazines, websites en boeken bekijken staat het allemaal haarfijn uitgelegd hoe we het ouderschap volgens de regels van de kunst moeten aanpakken. We weten dus perfect hoe dat opvoeden kan of moet, maar al die opgelegde regels bezorgen ons vaak onnodig veel stress. In plaats van onze instincten te volgen laten we ons steeds vaker leiden door wat deskundigen ons voorschrijven. Wat we daarbij vergeten is dat wetenschappers vooral tot doel hebben om te onderzoeken wat effectief is in het algemene belang van het kind. Wat daarbij vaak vergeten wordt is dat de meest effectieve oplossing vaak niet de beste is.

“Er worden tal van onderzoeken gedaan naar opvoeden, met verschillende uitkomsten die elkaar soms tegenspreken”, zegt opvoedingsdeskundige Carolien Gravesteijn daarover tegen ‘Trouw’. “Daar worden ouders onzeker van. Ouders worden verantwoordelijk gehouden voor het geluk van hun kinderen. Deskundigen insinueren hiermee dat je opvoeden kunt perfectioneren. Maar ouders hebben een verantwoordelijkheid die ze niet alleen kunnen dragen. Ook de school, de sportclub, de familie en de buurt: iedereen draagt die verantwoordelijkheid.”

De rollen omgedraaid

Gravesteijn zelf werkt momenteel volop aan een langdurig onderzoek naar ‘de kracht van alledaags ouderschap’. Aanstaande ouders worden vierentwintig jaar gevolgd in hun wel en wee bij het grootbrengen van hun kinderen, om te achterhalen wat zij nodig hebben voor ‘positief ouderschap’.

Hoewel ze dus in sé zelf wetenschapper is wil Gravesteijn de rol daarvan omdraaien. “Wetenschappers zeggen nu hoe je moet opvoeden, zij bepalen wat ouders moeten weten. Wij willen dat omdraaien: waar hebben ouders zélf behoefte aan? Wat willen ouders bereiken in hun opvoeding, waar hebben zij steun aan?”

Uit de eerste gesprekken die ze daarrond had kwam alvast één opvallende factor naar voren: “ouders vinden de komst van een tweede kind een heftigere ervaring vinden dan die van het eerste kind. Dat is nooit eerder onderzocht. De focus ligt nu alleen op de opvoeding, maar ouderschap is méér. Het gaat ook over hoezeer stellen voorbereid zijn om vader of moeder te worden, hoe hun partnerrelatie is, en hoe de sociale omgeving eruitziet. Al deze factoren hebben invloed op ouderlijk welzijn.”

Tijd voor jezelf

Een groot deel van dat ouderlijk welzijn ligt er trouwens in dat ouders voor hun zwakheden en tekortkomingen moeten kunnen en durven uitkomen. Ouderschap is maar zo zwaar als je het jezelf maakt. Niet alles hoeft altijd perfect te zijn of te lopen. Het is best oké dat je huis er niet altijd piekfijn in orde bijligt, of dat er je je kind -geheel tegen alle opvoedkundige regels in- al eens een snoepje belooft in ruil voor vijf minuutjes ongestoorde rust. “Durf vragen om hulp”, zegt Gravesteijn daarover. “En eis ook tijd op voor jezelf. Het is oké dat je soms ook tegen je kind zegt: ‘Lieverd, ik heb nu even geen tijd om te spelen. Ik wil even de krant lezen.’ Haal je schouders eens wat vaker op. Dan zal het je worst wezen of je huis wel of niet aan kant is, en of je kind echt drie activiteiten per week moet doen.”


Angstige vader zorgt voor angstig kind

De Morgen – 2 juni 2015

Vaders lijken meer invloed op de angstontwikkeling van hun kind te hebben dan moeders. Dat blijkt uit het promotieonderzoek van Eline Möller, dat ze donderdag verdedigt aan de Universiteit van Amsterdam.

Volgens internationaal onderzoek heeft ruim 1 op de 10 kinderen tussen zes en twaalf jaar oud last van een angststoornis. Möller wilde beter begrijpen hoe het gedrag van ouders angstgevoelens bij kinderen dempt of juist vergroot.

Kinderen bestuderen de emotionele gezichtsuitdrukkingen van hun ouders, bijvoorbeeld in spannende situaties. Dat heet social referencing, ofwel ‘vraagkijken’. Zo zien ze hoe ze zelf op zo’n situatie kunnen reageren, bijvoorbeeld bang of onverschillig.

Afgrond

Voor haar onderzoek bestudeerde Möller onder meer de reactie van 81 baby’s die onder toeziend oog van hun ouders over een plexiglasplaat boven een afgrond kropen. “Die was slechts 30 centimeter hoog, maar genoeg om twijfel te veroorzaken bij baby’s. Konden ze er veilig overheen?”

De reacties van zowel de baby’s als de ouders werden opgenomen op video, waarna Möller en haar collega’s later beoordeelden hoe angstig beiden keken. Uitkomst: hoe banger de vader, hoe banger de baby. De reactie van de moeders had duidelijk minder invloed.

Möller verklaart dit aan de hand de verschillende taken die vaders en moeders van oudsher hadden. “Evolutionair gezien hadden vaders meer te maken met zaken als wilde dieren en rivaliserende soortgenoten.” Moeders bekommerden zich meer om voeden en geruststellen. “Zo kun je zeggen dat vaders meer expertise hebben met dreigend fysiek gevaar. Kinderen lijken hun gezichtsuitdrukkingen daarom serieuzer te nemen.”

Ouders

“Eerder werd vooral naar de invloed van moeders gekeken in zulk onderzoek, waarbij de onderzoekers het dan over ‘de ouders’ hadden”, zegt Maaike Nauta, universitair hoofddocent klinische psychologie aan de Rijksuniversiteit Groningen en niet betrokken bij de UvA-studie. “Het is dus goed dat nu eens ingezoomd wordt op de vader.”

De resultaten van Möller lijken haar plausibel, al merkt ze net als Möller zelf op dat de effecten van oudergedrag op angstontwikkeling in het kind gering zijn. Angst bij kinderen hangt vooral samen met een angstige aanleg, en nare gebeurtenissen uit het verleden, zegt ze.


4.656 kinderen kregen nieuwe familienaam

Deredactie.be – 2 juni 2015

4.656 Belgische kinderen hebben het afgelopen jaar een nieuwe familienaam gekregen. Hun naam werd veranderd in die van hun moeder, of in een combinatie van de namen van moeder en vader. Sinds juni 2014 mogen ouders de familienaam van een pasgeboren kind zelf kiezen. Maar ook ouders die voor die datum al kinderen hadden, kregen een jaar de tijd om de familienaam aan te passen.
Even opfrissen. In het voorjaar van 2014 belandt een voorstel over vrije familienaamkeuze in het federale parlement. Ogenschijnlijk een onschuldig thema, maar toch lukt het de toenmalige meerderheid pas na heel wat vijven en zessen en veel geruzie om de nieuwe naamgeving goed te keuren.

Sinds 1 juni 2014 zijn de nieuwe regels van kracht. Hoe werkt het? Aanstaande ouders kunnen ervoor kiezen om hun kind de naam van de vader, die van de moeder of een combinatie van beide namen te geven. Wanneer de ouders niet kunnen of willen kiezen, krijgt de baby automatisch de naam van de papa.

Overgangsmaatregel voor gezinnen met kinderen

Er werd ook een overgangsmaatregel genomen voor ouders die al kinderen hebben en de familienaam graag veranderd wilden zien. Ze kregen een jaar de tijd om een nieuwe familienaam aan te vragen bij de burgerlijke stand, op voorwaarde dat die gold voor alle kinderen en dat alle kinderen nog minderjarig waren.

4.656 kinderen hebben nu een nieuwe familienaam gekregen. Hun naam werd veranderd in die van de moeder of in een combinatie van de namen van moeder en vader. Wie nu nog de naam van zijn kinderen wil laten aanpassen, komt te laat. De regularisatieronde liep af op 31 mei.

Overigens is het laatste woord over de naamregeling nog niet gezegd. Het Instituut voor Gelijkheid van Mannen en Vrouwen stapt eind november vorig jaar naar het Grondwettelijk Hof om het wetsartikel te laten vernietigen. “Het is discriminatie dat een kind automatisch de naam van de papa krijgt als er geen keuze gemaakt wordt, waarom krijgen papa’s het vetorecht?”, luidt het.


Recordaantal jongeren studeert af via examencommissie

De Tijd – 1 juni 2015

Vorig jaar hebben 938 jongeren buiten de school om hun diploma secundair onderwijs gehaald, een stijging van 38 procent tegenover het jaar ervoor.
Advertentie

Dat blijkt uit het jaarverslag van de examencommissie, dat maandag verschijnt. De Morgen kon het al inkijken.
Het gaat over jongeren die op een gegeven moment beslisten dat zij – om tal van redenen – niet thuishoorden in het schoolsysteem.
Vorig jaar telde Vlaanderen ruim 8.000 vroegtijdige schoolverlaters, die vaak in de steden les volgden en school liepen in het deeltijds beroepsonderwijs. Een fors aantal, al is dat cijfer tegenover vijf jaar geleden al gedaald. Aan het einde van het schooljaar 2009-2010 stroomden nog 9.600 jongeren zonder diploma uit het onderwijs.
Van die vroegtijdige schoolverlaters slaagden er vorig jaar 938 in om toch, via de examencommissie, een diploma te behalen.

‘Het uitgangspunt blijft natuurlijk dat jongeren hun kwalificatie op normale wijze behalen’, zegt Vlaams minister van Onderwijs Hilde Crevits (CD&V). ‘Toch ben ik tevreden dat een grotere groep mensen hun diploma via de examencommissie heeft behaald. Het vormt een goede, nieuwe kans. Vaak gaat het daarbij om jongeren die niet gemotiveerd waren om te studeren, maar toch weer hun studies met succes oppikken.’


Een vader hoeft niet altijd te sterven vooraleer je afscheid van hem moet nemen

De Morgen – 31 mei 2015

“8% kinderen ziet papa niet meer na scheiding.” Met meer dan gewone interesse las Stijn Depoorter dit weekend het stukje op demorgen.be. U leest hierna waarom. Depoorter blogt via hetzaljezoonmaarwezen.be.

Een kennis van me verloor onlangs haar vader en voor het eerst sinds lang dacht ik terug aan mijn pa. Het is inmiddels tien jaar geleden dat ik de man zag. Voor zover ik weet is hij niet gestorven en klopt zijn hart nog steeds, het klopt alleen niet meer voor mij. Ik ben niet te beroerd om toe te geven dat ik lid ben van de daddy issues-club, in het goede gezelschap van Luke Skywalker (Star Wars), Tyrion Lannister (Game of Thrones), Chandler Bing (Friends) en Simba (The Lion King).

Ik ben het typevoorbeeld van een lijmbaby. Het genetisch product van twee mensen die begin jaren ’80 om een onbegrijpelijke reden met elkaar opgescheept zaten en trouwden, terwijl ze helemaal niet bij elkaar pasten. Anno 2015 gaan koppels zonder veel poeha uit elkaar. Een gewijzigde relatiestatus op Facebook, Tinder opnieuw installeren en huppakee, meer is er niet aan.

Begin jaren ’80 was het allemaal niet zo simpel, scheiden was nog een groot taboe in het verre West-Vlaanderen. “Schande, wat gaan de buren wel niet van ons denken?” en zo nog van die dingen, je kent dat wel. In de gloriejaren van de epauletten was niet een scheiding maar een baby dé ultieme oplossing voor elke huwelijkscrisis aan de Belgische kust.

Helaas kwam ondergetekende niet in een Supermanplunje ter wereld, en al snel bleek dat een kindje kopen toch niet dé remedie was voor de relatieproblemen van mijn ouders. Mijn vader was niet bepaald een kindervriend, hij besloot me gewoon te negeren. Ik had dus geen onzichtbaarheidsmantel nodig – daar gaat mijn kans om de nieuwe Harry Potter te worden.

Mijn herinneringen aan hem uit die periode zijn schaars. Hij zou zeker niet worden bekroond met de award voor beste vader, integendeel. De reden van mijn existentie – zijnde redder des huwelijk – liep af op een enorme sisser. In de prille nineties gingen mijn ouders toch uit elkaar. De commerciële televisie had haar intrede gemaakt in de Vlaamse huiskamer, het taboe op scheidingen ebde weg dankzij Amerikaanse series waarin scheidingen schering en inslag waren. Mama kreeg van een rechter het hoederecht en papa kreeg tweewekelijks bezoekrecht. Zo kwam het dat ik op een zaterdagochtend klaarstond met mijn valiesje, wachtend op mijn vader. Tevergeefs. De eerste jaren na de scheiding had ik geen contact meer met mijn vader tot ik op een bepaald moment de moed bijeen sprokkelde om hem op te bellen. Ik vroeg hem of ik mocht langskomen – ik was net tien geworden en prille tieners zijn nu eenmaal onbevreesde lefgozers. Tijdens mijn tienerjaren zag ik hem één à twee keer per jaar. Tegen beter weten in keek ik er elke keer enorm naar uit, maar telkens kwam ik gedesillusioneerd terug thuis en mocht mijn moeder het gelag betalen. Ik had mijn vader dan wel gezien maar meer ook niet. Hij deed er alles aan om niet in dezelfde ruimte met mij te zijn en het praten liet hij aan zijn nieuwe vriendin over. De vrouw behandelde me correct maar had lichte Hyacinth Bucket-neigingen. Wat me altijd is bijgebleven is dat ze ‘negerinnentetten’ een vulgair woord vond en daarom over têtes de nègres sprak – voor alle duidelijkheid: ik heb het hier over de lekkernij met chocolade.

Tien jaar geleden trok ik als kersverse twintiger nog eens mij stoute schoenen aan, ik was net afgestudeerd en voelde me Titanic-gewijs King of the World. Ik kroop in mijn pen en schreef hem een brief met concrete vragen. Ik wou weten waarom hij me negeerde. Had ik hem iets misdaan? Waarom had ik een vader die eigenlijk helemaal geen vader voor me was?

Onverwacht stemde hij in met een gesprek en een paar weken later troffen we elkaar in een bruine kroeg. Die avond kreeg ik een antwoord op mijn vragen… Ze zeggen dat de waarheid kwetst maar zijn waarheid kwetste zeker. Na afloop gingen we, letterlijk en figuurlijk, ieder onze eigen weg. Eerder een saaie afloop als je het vergelijkt met de dramatische eindes die de vaders van mijn vrienden van de daddy issues-club kenden: in een kloof/kernreactor vallen, door je eigen zoon met een kruisboog neergeschoten worden terwijl je op het toilet zit of als drag queen optreden in Las Vegas.

Toch blijft het bizar hoe iemand die nooit echt een deel van je leven heeft uitgemaakt een grote greep op je ontwikkeling kan hebben. Zijn afwijzing had fundamenteel veel invloed op me en zo ben ik geworden wie ik ben. Freud zou een serieuze kluif aan me hebben gehad. Ondertussen gaf ik het vadergemis een plaats. Het zit ergens in een doos verstopt in de kast en heel af en toe haal ik de doos nog eens boven en open ik ze opnieuw maar meestal blijft ze achter slot en grendel. Een vader hoeft dus niet altijd te sterven vooraleer je afscheid van hem moet nemen.

NB: Om onfortuinlijke misverstanden te vermijden: het is niet omdat ik een vadercomplex heb dat ik op zoek ben naar een troostende daddy. Vaderfiguren kunnen zich beter de moeite besparen.


Liefdesverdriet doet meer pijn dan ooit

De Standaard – 29 mei 2015

Pubers mogen dan wel verscheurd zijn door een gebroken hart, volwassenen horen hun liefdespijnen onder controle te houden. Rouwen om een verloren liefde is pas echt legitiem als die in een kist ligt. Of niet? ‘Liefdesverdriet kan heel erg zijn. Vroeger werd het als een dodelijke ziekte beschouwd.’
Filosofe Marjan Slob beschrijft liefdesverdriet vooral als een lichamelijke ervaring. ‘Je voelt je hol en misselijk. Geamputeerd. Er is iets met geweld uit je gerukt, je blijft achter als een lege zak huid.’ Toen Slob troost in haar eigen vakgebied ging zoeken, raakte ze alleen maar ontgoocheld. De liefdesverdrietige is een dwaas, die zich heeft laten misleiden, zegt Schopenhauer. Freud ziet lichamelijke liefde dan weer als een egocentrisch drama.

‘Lijden aan de liefde doet meer pijn dan ooit tevoren’, stelt de Israëlische hoogleraar sociologie Eva Illouz in Waarom liefde pijn doet, een sociologische verklaring. Liefdesverdriet mag dan wel een universele klacht zijn, de manier waarop we het beleven is volgens haar wel tijds- en cultuurgebonden. ‘Sterven, zelfmoord plegen en het klooster in gaan, dat alles maakt niet langer deel uit van ons culturele repertoire. Dat wil uiteraard niet zeggen dat wij, post- of laatmodernen, geen weet meer hebben van de liefdespijn. In feite hebben we er misschien wel meer weet van dan onze voorgangers. Maar het maakt duidelijk dat de maatschappelijke structuur van liefdesverdriet enorm is veranderd.’

‘In de hele 20ste eeuw werd het idee dat de mens zijn of haar liefdespijn zelf veroorzaakte, razend populair, misschien wel doordat de psychologie ons tegelijk de troostrijke belofte bood dat die pijn kon worden verholpen’, schrijft Illouz. Vandaag zouden we ons op liefdesvlak gedragen als consumenten, veeleisende shoppers die constant bezig zijn om een betere deal te krijgen en zeer bereidwillig zijn om hun koopwaar in te ruilen. We sluiten het toeval, dat mensen altijd heeft geholpen om een partner te vinden, zoveel mogelijk uit. Dank u, kapitalisme.

En wat heeft het internet misdaan? Het veroorzaakt een toename van en overvloed aan werkelijke en denkbeeldige seksuele partners. Het probleem met die enorm toegenomen keuzemogelijkheid is dat het de besluitvorming bemoeilijkt. ‘Onderzoek toont aan dat een grotere hoeveelheid mogelijkheden het vermogen van het individu om zich aan één object of relatie te wijden eerder belemmert dan stimuleert’, schrijft Illouz. De romantische liefde heeft zich dus ingeschreven in de economisering van maatschappelijke betrekkingen.

De romantische relatie is een uitermate belangrijke bron geworden om ons zelfbeeld te voeden. Als we de liefde niet langer zien als een overrompelende kracht die ons overkomt en waar we geen controle over hebben, maar als een keuze, dan is die keuze zowel een recht als een vorm van competentie. Wie niet goed kiest, is dus incompetent. En dan zijn de verbrande kont en de spreekwoordelijke blaren ons deel. Maar dat maakt het verdriet bij een breuk niet minder heftig.

Wordt liefdesverdriet onderschat? Hoogleraar Ad Vingerhoets vindt van wel. ‘Vroeger werd het als een dodelijke ziekte beschouwd. Liefdesverdriet kan heel erg zijn. Ik zet het op dezelfde lijn als rouw en heimwee. In oorlogen zijn meer soldaten omgekomen door heimwee dan door gevechten.’ Ook Gert ter Horst vindt het ‘veel erger dan het woord ludduvuddu suggereert. Mensen met liefdesverdriet scoren heel hoog op de depressieschaal.’


 

Radio1 en Een over ouderverstoting – 28 mei 2015

Vele kleine stapjes maken één groot: stillaan beweegt er wat. Ouderverstoting; de onderzoeken, oorzaken, impact en wat er dient te gebeuren.

De Wereld Vandaag
Het journaal (vanaf minuut 15)


Waarom we de anonimiteit van zaaddonoren moeten opheffen

De Morgen – 28 mei 2015

Het is een debat dat de gemoederen beroert, het al dan niet afschaffen van de anonimiteit van sperma- en eiceldonoren. De vraag of elk kind, elke persoon, het recht moet hebben om op zoek te gaan naar zijn of haar roots. Om je identiteit te vervolledigen, om te achterhalen waar je genetische aandoening vandaan komt. Of omdat je, zoals gisteren in deze krant werd aangehaald, zeker wil zijn dat je nieuwe partner niet toevallig verwekt is met hetzelfde genetisch materiaal. Wie zijn wij als beleidsmakers om hen dat recht voor de rest van hun leven te ontzeggen?

Tegenstanders, veelal uit de fertiliteitssector, spelen ongegeneerd in op de angst van wensouders en houden hen voor dat voor hen een kind na een wetswijziging een eeuwige droom zal blijven. Professor Herman Tournay verkondigde het gisteren zonder verpinken in deze krant: het aantal donoren zal dalen, de zwarte markt floreren. Nochtans bewijzen de cijfers uit de vele landen die ons reeds voorgingen in het afschaffen van de anonimiteit – zoals Nederland, het Verenigd Koninkrijk, Duitsland – zwart op wit het tegendeel. Het aantal donoren is er na de wetswijziging hoger dan voordien. In het Verenigd Koninkrijk waren er in 2004 bijvoorbeeld 239 nieuwe donoren. Zeven jaar na de afschaffing van de anonimiteit, in 2012, waren dit er maar liefst 631.

Maar eigenlijk is dit niet eens de essentie van de zaak. Een kinderwens is prachtig, iets enorm sterk ook. Fantastisch dat er vandaag voor steeds meer koppels met fertiliteitsproblemen toch een oplossing kan gevonden worden. Maar moet dat ons ervan weerhouden ook even stil te staan bij de rechten van de persoon die hieruit geboren wordt? Vinden we als maatschappij dat het recht van een kind op het kennen van zijn of haar afkomst voor één enkele groep wettelijk onmogelijk mag blijven? Vandaag is dat de realiteit voor de ongeveer 60.000 donorkinderen in ons land.

Toen de eerste discussies over een wetgeving voor medisch begeleide voortplanting werden gevoerd, dacht men begrijpelijkerwijs vooral aan de rechten van de wensouders en donoren. En stond men nog helemaal niet stil bij het ongeboren leven. Vandaag, nu deze kinderen volwassen zijn geworden, zelf een stem hebben, en het Kinderrechtenverdrag haar vijfentwintigste verjaardag heeft gevierd, kunnen we diezelfde onwetendheid niet langer inroepen.

Vandaag weten we dat voor sommige van deze kinderen de drang naar dat ontbrekende puzzelstukje, dat wettelijk achter slot en grendel zit, bepalend groot kan zijn. Dat er voor hen alleen muren zijn, wat de zoektocht een leven lang kan doen duren. Moeten we dat beantwoorden met een gevoelloze ‘pech gehad’? Een maatschappij die zo goed begrijpt dat mensen er veel voor over hebben om een eigen kind te krijgen, waarin ze het genetisch materiaal van zichzelf of tenminste van hun partner kunnen herkennen, moet ook begrijpen dat een kind eenzelfde drang naar zijn of haar genetische kaart kan ontwikkelen in omgekeerde richting.

Gerichte rekrutering

Dat neemt niet weg dat we een nieuwe wetgeving moeten omkaderen. Net als in de landen die ons voorgingen, moeten we inzetten op een gerichte rekrutering. Niet-anonieme donoren hebben over het algemeen een bewuster profiel. Waar vroeger veelal studenten, militairen en assistent-artsen zich geroepen voelden om te doneren, bieden zich in landen zonder anonimiteit vooral jonge vaders aan die door de eigen ervaringen veel opener staan voor de verzuchtingen van het kind dat uit deze altruïstische daad kan groeien. Verder zie je in deze landen meer openheid tussen wensouders en kinderen over hun verwekking. Een taboe dat verdwijnt omdat het er nooit één had moeten zijn.

Laat me in één klap ook een ander misverstand uit de wereld helpen. Een donor is en wordt geen ouder. Ook niet met de afschaffing van de anonimiteit. Je ouders zijn de mensen die je opvoeden en je hele leven omringen met liefde. De donor is een puzzelstukje van je identiteit. Een puzzelstukje dat niet voor iedereen, maar wel voor sommigen nodig is om jezelf te kunnen vinden.

Het opheffen van de anonimiteit verplicht niemand tot niets. Iemand die anoniem wil blijven, hoeft niet te doneren. Een kind hoeft later niet op zoek te gaan. Maar het mag. En als dat gebeurt, is er een onafhankelijke instantie die als tussenpersoon de nodige psychosociale begeleiding zal geven aan alle betrokkenen en ervoor zal zorgen dat gegevens niet zomaar op straat terechtkomen. Een begeleiding die er moet zijn voor alle betrokkenen in het verhaal, vanaf de wens tot de conceptie en ook daarna. Ook dat is een verbetering tegenover vandaag.

Er zijn zo van die momenten dat de politiek moet durven om knopen door te hakken. Dit is er zo één. Het recht op een kind eindigt waar het recht van het kind wordt geschaad. Het is aan ons, beleidsmakers, om met respect voor alle betrokkenen, die grens te bewaken. Want zeg nu zelf, wil niet elke ouder dat zijn of haar kind met zoveel mogelijk rechten in het leven komt?


 Integrale jeugdhulp is regelrechte nachtmerrie

De wereld morgen – 27 mei 2015

De meerderheidspartijen in het Vlaams parlement onderhandelen over een bijsturing van het nieuwe decreet jeugdhulp. “Het is geen sinecure om de nodige hulp voor een kind te verkrijgen”, klinkt het bij een kinderpsychiater. Ook gezinnen in problematische situaties hopen op een snelle oplossing.

Sinds vorig jaar is het decreet ‘Integrale Jeugdhulp’ van start gegaan. Een jongere die een probleem heeft en zelf geen oplossing vindt, kan rechtstreeks terecht bij jeugdhulp. Instanties als Kind en Gezin, Centra voor Leerlingenbegeleiding en Centra voor Algemeen Welzijnswerk bieden een luisterend oor aan en zoeken samen naar een oplossing.

Daarnaast bestaat er de niet-rechtstreekse toegankelijke jeugdhulp. Jongeren die een langere, intensieve begeleiding nodig hebben, moeten langs een sectoroverschrijdende toegangspoort. Daar bepaalt de jeugdhulpregie of en welke hulp de jongere krijgt.

Nachtmerrie

De nieuwe regeling krijgt vanuit verschillende hoeken kritiek. “Het nieuwe decreet Integrale Jeugdhulp is een regelrechte nachtmerrie”, schrijft een pleegmoeder in een anonieme brief. Ze zorgt al elf jaar voor haar 13-jarige pleegdochter. Tijdens heel die periode werd het gezin omringd door consulenten en therapeuten, maar toch heeft het meisje extra begeleiding nodig. “Ruim tien maanden zijn we op zoek naar gepaste hulp. We zijn nu drie crisisplaatsingen in jeugdpsychiatrie, acht rondetafelgesprekken met allerlei instanties en drie afwijzingen om residentiële hulp te krijgen verder. We staan nog steeds nergens.”

Het 13-jarige meisje kampt met depressie en agressief gedrag. Toch voldoet het kind niet aan de voorwaarden om in de residentiële jongerenpsychiatrie opgenomen te worden. “Alle aanvragen moeten via de toegangspoort passeren, maar daar heeft niemand nog zicht op het traject of op de termijn.”

“Formulieren vervangen vertrouwenspersoon”

Kinderpsychiater Delphine Jacobs herkent het probleem. Volgens haar is de procedure zelfs voor professionelen moeilijk te doorgronden. “Het is geen sinecure om de nodige hulp voor een kind te verkrijgen. De procedure loopt ook stroef en duurt veel te lang, omdat alles via een intersectorale toegangspoort geregeld wordt.”

Bovendien houdt de hervorming geen rekening met persoonlijke steun en begeleiding. “De vertrouwenspersoon van de ouders en het kind wordt vervangen door formulieren. De jeugdhulpregie moet op zoek naar een geschikte hulpverlener, maar heeft het gezin zelf nog nooit gezien. Ze plaatsen als het ware een ‘papieren kind’ in een hulptraject.”

Crisisopvang ontoereikend

Voor gezinnen die in een acute crisissituatie zitten, stelt Integrale Jeugdhulp per provincie een crisisnetwerk ter beschikking. Vorig jaar deden 6.500 jongeren een beroep op crisishulp. Dat is bijna een verdubbeling tegenover 2012.

Het pleeggezin uit de brief merkt echter dat ook de crisismeldpunten niet aan hun vraag voldoen. Samen met 800 andere gezinnen kregen ze te horen dat er geen crisisopvang voor hun kind beschikbaar is. Meestal bleef de begeleiding bij gesprekken. “Verdere crisishulp is beperkt door de lange wachtlijsten bij zorginstanties, maar de gesprekken alleen leveren dikwijls onvoldoende op voor kind en ouders”, zegt kinderpsychiater Jacobs.

De crisismodules zijn bovendien slechts tijdelijke oplossingen. “Het systeem werkt als een ganzenbord: het stuurt je telkens terug naar af. Stel dat je crisisbegeleiding krijgt, dan moet je na 28 sessies opnieuw op zoek naar hulp. Waarschijnlijk krijg je dan een andere hulpverlener en moet je nog eens heel je verhaal vertellen”, aldus Jacobs. Ze benadrukt daarbij het belang van een vaste vertrouwenspersoon tijdens een therapie.

Ook over de crisisopnames is de kinderpsychiater kritisch. “Zo’n opname duurt maximaal een week. Dan heb je misschien wel de actieve crisis overbrugd, maar dan moet de echte begeleiding nog beginnen.”

Preventieve hulp

Jacobs hoopt dat de Vlaamse regering het decreet bijstuurt en extra middelen voor preventieve hulp vrijmaakt. “Ik merk dat er steeds meer jongeren zwaardere problemen hebben. Als psychiater kun je niet altijd een magische oplossing tevoorschijn toveren. Daarom moeten we proberen in te zetten op vroegtijdige en preventieve hulp.”


Seks op 14 niet meer strafbaar voor Open VLD

De Morgen – 26 mei 2015

Meerderheidspartij Open Vld heeft een wetsvoorstel klaar om seks vanaf veertien jaar niet langer als strafbaar te beschouwen, op voorwaarde dat de partner maximaal vijf jaar ouder is. Sensoa en experten reageren positief: “Seks met instemming tussen tieners hoort niet thuis in het strafrecht.”

Stel: een vijftienjarig meisje begint een seksuele relatie met een jongen van achttien. Voor heel wat ouders of vrienden is dat geen schande. Toch is de relatie bij wet verboden. Dat heeft soms traumatische gevolgen. “Denk aan een emotionele vader die zijn dochter betrapt en meteen de politie belt”, zegt Wim Van de Voorde van Sensoa, het Vlaams expertisecentrum voor seksuele gezondheid. “Tot een veroordeling komt het zelden, maar intussen is het parket wel ingeschakeld. Dat kan bijzonder traumatisch zijn voor die jongeren.”

Het wetsvoorstel van Open Vld neemt dat probleem weg. De Vlaamse liberalen willen seksuele handelingen tussen een veertien- of vijftienjarige en een oudere partner niet langer als strafbaar beschouwen. Voorwaarde is dat de partner maximaal vijf jaar ouder is dan de minderjarige. Een veertienjarige kan dus perfect tussen de lakens kruipen met een partner van negentien. En een twintigjarige kan niet worden vervolgd als hij – met wederzijdse toestemming – naar bed gaat met iemand van vijftien.

“Jongeren moeten zich seksueel kunnen ontwikkelen zonder strafbare feiten hoeven te plegen”, zegt Kamerlid Sabien Lahaye-Battheu (Open Vld), die het voorstel indient met partijgenote Carina Van Cauter. “Dit decriminaliseert seksuele handelingen tussen gelijkwaardige jongeren. Tegelijk beschermt het hen tegen misbruik, door de invoering van een maximaal leeftijdsverschil.”

Schemerzone

Het voordeel is dat de juridische schemerzone rond tienerseks eindelijk wordt opgeklaard. Voor jongeren onder de veertien verandert er niets, voor hen blijft seks strafbaar. Vanaf zestien jaar verandert er ook niets, want vanaf dan ben je seksueel meerderjarig en mag je naar bed gaan met volwassenen van alle leeftijden. Voor veertien- tot zestienjarigen bestond er tot nu toe een grijze zone. Enerzijds worden zij bekwaam geacht om toestemming te kunnen geven voor seks met penetratie, anderzijds bepaalt de wet dat iedere seksuele handeling met een jongere onder de zestien een aanranding van de eerbaarheid is.

“Seks met penetratie mag dus vanaf veertien jaar, kussen en strelen pas vanaf zestien”, vat Lahaye-Battheu de paradox samen. Op de aanranding van de eerbaarheid bij seksuele handelingen komt daarom een uitzondering voor veertien- tot zestienjarigen.

Bredere hervorming

Expert seksueel strafrecht Liesbet Stevens (KU Leuven) reageert alvast positief. “De seksuele strafwet moet dringend worden aangepast aan de realiteit. Een maximale leeftijdskloof van vijf jaar houdt steek, want pedagogisch onderzoek toont aan dat het risico op misbruik exponentieel toeneemt vanaf een leeftijdsverschil van drie à vijf jaar.” Ook Sensoa, dat voor de verkiezingen van 2014 nog een gelijkaardig voorstel lanceerde, schaart zich achter het voorstel. “Consensuele seks tussen jongeren hoort niet thuis in het strafrecht.”

Minister van Justitie Koen Geens (CD&V) belooft werk te maken van de ‘harmonisering’ van de leeftijd voor seksuele meerderjarigheid, dat staat ook in het regeerakkoord. Maar die vernieuwing past in een bredere hervorming van het strafwetboek, ook rond andere seksuele misdrijven zoals voyeurisme. “Die hervorming komt er binnen de twee jaar”, zegt de woordvoerder van Geens.


Verbied roken in een auto met kinderen

Knack – 26 mei 2015

De Nationale Coalitie tegen Tabak wil dat het verboden wordt om te roken in een auto waarin kinderen zitten. Voor de invoering van die maatregel wordt naar de federale overheid gekeken.

De concentratie aan toxische stoffen in een auto waarin gerookt wordt, is tien keer zo groot als in een rokerig café. Daarom is het in Frankrijk, Ierland en het Verenigd Koninkrijk verboden een sigaret op te steken in een wagen met minderjarigen.

Ook België moet zo’n verbod invoeren, zegt Luk Joossens, woordvoerder van de Nationale Coalitie Tegen Tabak. “Kinderen zijn extra gevoelig voor de gevolgen van passief roken. Bovendien is een auto een kleine ruimte waarin toxische gassen zich makkelijk opstapelen. Passagiers ademen die tegen wil en dank in.”

Het rookverbod in een auto zou een uitbreiding zijn van het huidige, dat roken verbiedt op openbare plaatsen, het werk en in horecazaken.

‘Maak tabak duurder’

De Nationale Coalitie stelt dat ons land achterblijft in de strijd tegen tabak, in vergelijking met andere Europese landen. Ze pleit er ook voor om een pakje sigaretten een halve euro duurder te maken. Om ook het roken bij jongeren te ontmoedigen willen ze ook dat de prijs van een pakje roltabak naar omhoog gaat. Roltabak is op dit moment tot 4 keer goedkoper dan sigaretten met een filter.

Uit internationaal onderzoek is al gebleken dat de prijs van tabaksproducten een heel belangrijke factor is voor mensen om te beginnen met roken.

‘Sinds 2007 heeft ons land niets meer gedaan om het roken te ontmoedigen’, verduidelijkte Joossens aan Radio 1.

In andere landen werden wel maatregelen genomen. Andere zaken die in het buitenland hun nut hebben bewezen zijn de invoering van neutrale sigarettenpakjes, een verbod op tabaksreclame, en het bannen van de sigarettenpakjes uit winkelruimtes.


Kinderopvang volgens inkomen?

Nieuwsblad – 25 mei 2015

Het is mogelijk om voor iedereen een betaalbare kinderopvangplaats te voorzien, maar dan moet het subsidiesysteem grondig hervormd worden. Het huidige inkomensgerelateerde systeem (IKG) werkt ‘marktverstorend’, zegt vzw Kids &Co uit Herent.
Kinderopvanginitiatieven die niet met dat IKG-systeem kunnen werken, hebben geen andere keuze dan ouders een hoge prijs aan te rekenen. ‘Maak van het IKG een recht van de ouders en niet van de instellingen en laat gezinnen met een hoger inkomen meer betalen’, besluit kinderopvanginitiatief Kids & Co in een dossier dat Belga kon inkijken.

De vzw Kids & Co baat in Herent (Vlaams-Brabant) sinds 2014 twee nieuwe kinderdagverblijven uit, goed voor in totaal 44 opvangplaatsen. Als nieuw initiatief kunnen ze (nog) niet werken met inkomensgerelateerde prijzen. Heel veel initiatieven in de sector zitten wél in dat IKG-systeem, waarbij ouders betalen naargelang hun inkomen.

Waarom betalen ouders meer bij een kinderopvang zonder IKG-systeem?

Volgens Van Lishout, penningmeester van de vzw, valt ongeveer drie kwart van alle plaatsen onder dat IKG-systeem. Bij groepsopvang krijgen ze daarvoor per prestatie 37 tot bijna 57 euro per dag. Maar de opvanginitiatieven die niet met dat systeem kunnen werken, moeten aan ouders een hoge prijs aanrekenen en houden zelf heel weinig over.

Zo krijgt Kids & Co bijvoorbeeld enkel een basissubsidie van 2,5 euro per dag per plaats. Omdat de werkingskosten oplopen tot circa 34 euro per dag per plaats, moeten ze nog altijd 32,50 euro per dag aan de ouders vragen, klinkt het.

‘Dat tarief is niet alleen onbetaalbaar voor mensen met een laag inkomen. Ook gezinnen met een modaal inkomen zullen makkelijker kiezen voor een opvang met IKG-tarief waar ze maar 21,5 euro per dag moeten betalen in plaats van 32 euro per dag’, klinkt het.

Concurrentieel nadeel

Van Lishout noemt het bestaande IKG-systeem daarom ‘marktverstorend’. De 25 procent initiatieven die niet in het systeem zitten, hebben een concurrentieel nadeel. Ze pleiten voor een grondige bijsturing. Zo zou IKG een recht moeten worden van de ouders en niet van de instellingen. Daarnaast zouden gezinnen met een hoger inkomen ook een hogere ouderbijdrage moeten betalen. Nu betalen die in verhouding minder dan gezinnen met een modaal inkomen.


Je kinderen betuttelen tijdens de examens: wie wordt daar beter van?

De Morgen – 20 mei 2015

Mijn zoon stuurde me gisteren een berichtje dat zijn thesis klaar was. Ik was trots, zelfs zonder ze te lezen. Zo gaat dat met ouders. Tegelijkertijd kwam er het acute besef dat het allemaal erg snel gaat. En dat mijn kinderen volwassenen werden zonder dat ik het echt in de gaten had. Jonge mensen die op hun manier hun weg zoeken. En ze doen dat goed. Aarzelend, met omwegen en struikelpartijen, maar ze komen er, en ze hebben het zelf gedaan. Al heel lang.

Mijn kinderen (alle vier) hebben vrij veel inspraak gekregen in de scholen die ze wilden bezoeken, de richtingen die ze wilden volgen en de uiteindelijke keuzes die ze wilden maken. Ik ben er achteraf best trots op, dat we ze quasi nooit hebben geholpen bij huiswerk en proefwerken. Niet omdat ik daar geen tijd voor wilde vrijmaken, maar omdat ik het verkeerd vind. En ik zie dat ze alle vier op hun manier iets van hun leven maken waar ze trots kunnen en mogen op zijn. En slechts één van hen deed universiteit. Ik ben er zelfs niet zeker van dat hij het professioneel makkelijker krijgt dan de andere.

Het is een overweging die ik maak, op de vooravond van het begin van de grote stressmaand die er aan komt. Examens voor scholieren en studenten. En ouders die daar nu al rode zenuwvlekken van krijgen. Studeerschema’s worden aangemaakt, kalenders worden vrijgemaakt, zelfs de eet- en slaappatronen worden geoptimaliseerd opdat de koters toch maar optimaal zouden functioneren. In de ogen van hun ouders althans.

Eerlijk gezegd, ik weet niet of dat goed is. Een stuk zorgzaamheid is goed, maar de betutteling om ze er mee door te sleuren, koste wat het wil, wie wordt daar beter van? Het kind niet, de ouders niet, de universiteiten en hogescholen later ook niet.

Kinderen helpen met huiswerk en testen vervalst het resultaat en geeft een verkeerd beeld over hun rijpheid. Bovendien zorgt het voor onnodige stress. Ze komen er wel zelf achter. Echt wel. En indien niet, misschien zijn ze er dan niet voor gemaakt.

Is het dan ook nog eens nodig om hun jeugd te vergallen met een Spartaans studeerschema? De school, de docenten, ze werken een heel jaar met uw joch, en ze kennen hem/haar. Examens en testen moeten volgens mij gezien worden als een test om te zien waar uw kind staat, wat het aankan. Dat moet helpen om hem te oriënteren in het latere leven, om een aangename mens te worden, die met iets zinvol bezig is, liefst ook in de eigen ogen.

Als ouders de examens zien als een horde die moet genomen worden op weg naar een job met grote materiële welstand (en misschien weinig geluk) dan belazeren ze de boel, en misschien verzieken ze het leven van hun kind wel. Wat een verantwoordelijkheid!

De vrouw waar ik mee samenleef heeft een zoon, die volledig is opgetrokken uit zorgeloosheid. En begiftigd met een flink stel hersenen. Iedereen (h)erkent dat. Het grootste probleem in het eerste jaar humaniora was studiediscipline en methode. Eens hij dat begrepen had, was er geen vuiltje meer aan de lucht. Hij kan het en hij haalt resultaat. En hij doet het op zijn manier, nonchalant, liever met andere dingen bezig, ‘good enough’ als levensmotto.

Hebben we het daar soms moeilijk mee? Ja, maar anderzijds fietst hij fluitend door het leven en zie je nu al dat hij goed terecht zal komen. Attitude is belangrijker dan verkeerd verkregen resultaten.


Geen rationeel argument om een relatie te beginnen

Knack – 20 mei 2015

‘Tegenwoordig kun je binnen een relatie veel meer vrijheid hebben dan vroeger, maar je betaalt daar ook een prijs voor: individualisering staat haaks op relatievorming’, zegt psycholoog Paul Verhaeghe.

‘In de toekomst zullen het de mannen zijn die een lagere positie innemen’, zegt klinisch psycholoog en psychoanalyticus Paul Verhaeghe. ‘Het traditionele beeld van de mannelijke jurist of arts die met een secretaresse of verpleegster is getrouwd, is niet alleen aan het verdwijnen maar zal ook worden omgekeerd. Er zullen meer en meer koppels zijn waarvan de vrouw hoogopgeleid is en de man een lager diploma heeft. Nu al zien we de voorbode daarvan in het hoger onderwijs: zestig procent van de studenten zijn meisjes. In de heel nabije toekomst zal de opleidingskloof tussen mannen en vrouwen nog groter worden. Niet alleen beginnen meer meisjes dan jongens aan een opleiding in het hoger onderwijs, ze hebben ook betere cijfers en studeren sneller af. Ondertussen lukt het steeds minder jongens om een diploma te behalen.’

Twee op de drie huwelijken lopen tegenwoordig op de klippen, terwijl het aantal singles jaar na jaar stijgt. Komt dat allemaal doordat de traditionele rollenpatronen verdwijnen?

Paul Verhaeghe: Dat is maar één factor. We leven ook langer, we blijven langer gezond en we zijn, onder meer door het internet, veel mobieler geworden. Daarnaast heeft ook de toenemende individualisering van de samenleving een grote invloed op relaties. Zelfs koppels doen nu veel apart, elk met hun eigen vrienden. Tegenwoordig kun je binnen een relatie veel meer vrijheid hebben dan vroeger, maar je betaalt daar ook een prijs voor: individualisering staat haaks op relatievorming.

In uw boek Liefde in tijden van eenzaamheid schrijft u dat een man in bed vooral wil scoren, terwijl seks voor een vrouw vooral een manier is om een relatie te beginnen of in stand te houden. Geen wonder dat zoveel relaties op de klippen lopen?

Verhaeghe: Tegenwoordig is een relatie geen voorwaarde meer om erotiek en seksualiteit te kunnen beleven. Vroeger was dat anders: je moest getrouwd zijn of toch minstens een vaste relatie hebben. Ondertussen is die koppeling losser geworden en kan een relatie ook op andere gronden dan seksualiteit gebaseerd zijn. Op liefde, bijvoorbeeld. En mensen kunnen seksualiteit ook buiten hun relatie beleven. Biologisch gezien zijn mensen niet monogaam, maar tegen beter weten in blijven de meesten van ons exclusiviteit van onze partner verwachten. Er is een nieuw soort dubbelzinnigheid ontstaan: vandaag hebben mensen vaak meer dan één relatie tezelfdertijd maar van hun partner kunnen ze dat niet verdragen.

Op zo’n datingsite kun je een partner zoeken op basis van uiterlijk, opleiding, leeftijd en hobby’s. Levert dat ook de beste match op?

Verhaeghe: Het blijft altijd een rationeel keuzeproces: je vinkt die kenmerken aan die je belangrijk vindt. Zulke rationele afwegingen werken prima als je een grasmaaier wilt kopen maar niet om je liefdespartner te vinden, want dat is een emotionele keuze die in de eerste plaats op buikgevoel berust. Rationeel gezien is de beste keuze trouwens alleen blijven.


Steeds meer meisjes puberen veel te vroeg

De morgen – 19 mei 2015

Kinderartsen krijgen steeds vaker jonge meisjes over de vloer die nog voor de leeftijd van 8 jaar aan het puberen zijn. Dat zeggen kinderendocrinologen van het UZ Gent en het Jessaziekenhuis in Hasselt in Het Belang van Limburg. De artsen waarschuwen dat een vroegtijdige puberteit de groei ernstig kan verstoren en voor psychische problemen kan zorgen.

“Meisjes puberen vandaag sowieso vroeger dan pakweg twintig jaar geleden: eerder tussen 8 en 10,5 jaar”, zegt Margarita Craen, kinderendocrinoloog van het UZ Gent. “Op zich is dat niet problematisch, maar meisjes die op nog jongere leeftijd – voor 8 jaar – beginnen te puberen kunnen wel problemen krijgen.”

Kinderen die al op heel jonge leeftijd puberen zijn soms psychologisch en emotioneel labiel. “Ze voelen zich niet goed in hun vel omdat ze als enige van de klas al beginnende borstjes krijgen, waardoor ze het mikpunt van spot kunnen worden”, zegt Craen.

Het kan ook fysieke problemen veroorzaken. “Meisjes die al op 7 jaar beginnen te puberen, zijn al uitgegroeid als ze amper tien of elf jaar zijn, waardoor ze tien tot vijftien centimeter minder groot kunnen worden.”


Woonbeleid hinkt achterop bij nieuwe gezinssituaties

Knack – 13 mei 2015

Het woonbeleid in dit land houdt veel te weinig rekening met nieuwe relatievormen, met gescheiden ouders, en bijvoorbeeld kinderen die tussen huizen pendelen. Dat zegt Dirk Luyten, stedenbouwkundig adviseur, naar aanleiding van een studiedag over het onderwerp.

“Hoe kan het woonbeleid beter inspelen op de woonnoden van hedendaagse gezinnen?” Dat is het onderwerp van een studiedag die woensdag wordt georganiseerd door het Kenniscentrum Hoger Instituut voor Gezinswetenschappen (Odisee), naar aanleiding van de Internationale Dag van het Gezin.

Op de studiedag wordt ook het boek “De sleutel past niet meer op elke deur” (uitgeverij Garant) voorgesteld. Dat boek doet zowel beleidsmakers als ontwerpers een aantal aanbevelingen aan de hand om het wonen van morgen aan te passen aan de samenlevingsvormen van nu. “De visie op wonen van gezinnen moet meer aandacht geven aan nieuwe relatie- en gezinsvorming, aan wisselende gezinssamenstellingen, vormen van meergenerationeel wonen en nood aan tijdelijke woonoplossingen”.

Hét gezin bestaat niet meer’

Hoe veranderen gezinnen in de 21ste eeuw? Hoe verandert wonen in de 21ste eeuw? Het kenniscentrum Hoger Instituut voor Gezinswetenschappen van Odisee hogeschool heeft systematisch geanalyseerd hoe de hedendaagse gezinnen aan de basis liggen van nieuwe woonnoden. Opmerkelijke vaststelling: hét gezin bestaat niet meer. Meer dan vroeger volgen gezinsvormen en woonvormen elkaar op. Er is geen standaardtraject. Tegenwoordig blijven jongvolwassenen langer thuis wonen. Ook daarna volgen periodes van alleen wonen en samenwonen elkaar af, al dan niet in een nieuw samengesteld gezin.

“De opeenvolging van gezinstransities leidt tot meer verhuisbewegingen”, zegt Dirk Luyten, onderzoeker bij het kenniscentrum en stedenbouwkundig adviseur. “Dat voel je ook op de woonmarkt waar de verhouding tussen eigenaars en huurders verschuift. Vele starters en herstarters komen immers op de huurmarkt terecht.”

Gezinnen die hun woning willen aanpassen aan hun nieuwe realiteit, of die samen met andere gezinnen willen samenhuizen of woningdelen, botsen vaak met de regelgeving. Ook de huurwet geeft bij samenhuizen problemen.

Meerhuizige mensen

Een ander opkomend fenomeen is dat van meerhuizigheid. Veel kinderen uit nieuw samengestelde gezinnen wonen niet in één, maar in twee woningen. Dat is ook het geval voor de een op de tien volwassenen met een LAT-relatie.

“Het beleid krijgt daar geen correct zicht op. Het Rijksregister loopt achter want dat kan niet registreren dat iemand in twee woningen woont”, stelt Dirk Luyten vast. “Je krijgt als gezin ook weinig ruimte om te experimenteren”, vervolgt hij. “Soms wil je wel eventjes afwachten of je effectief gaat samenwonen. Vooral ook omdat die stap zetten een grote impact kan hebben op je financiële of juridische situatie. Denk bijvoorbeeld aan voordelen die je als alleenstaande ouder, terecht, geniet. Of erfeniskwesties bij stiefgezinnen. Maar de regelgeving erkent maar het ene of het andere: ofwel ben je alleenstaande, ofwel samenwonend.”

Alternatieven

Ideeën voor nieuwe woonvormen zijn er genoeg, met veel potentieel voor tijdelijke, dan wel langdurige woonoplossingen voor gezinnen van vandaag. Dirk Luyten noemt nieuwe vormen van samenhuizen en formules zoals “Community Land Trust”, coöperatief wonen, erfpacht, recht van opstal,… Maar de wettelijke fundering ontbreekt nog te vaak.

“De erkenning van nieuwe woonvormen in de Vlaamse Wooncode kan een eerste aanzet betekenen. Woonwinkels en -infopunten kunnen initiatieven van nieuwe woonvormen ondersteunen en begeleiden”, stelt Dirk Luyten voor. “Maar het beleid moet ook haar gezinsbeeld in vraag durven stellen en oog hebben voor ouders, stiefouders en kinderen met flexibele woontijden, die zich aanpassen aan wisselende gezinssamenstellingen.”


Vaderlijke afwezigheid nefast voor opgroeiende jongens

De Standaard – 10 mei 2015

Afwezige vaders en succesvolle vrouwen drijven jongens naar een sociaal afgesloten onlinewereld vol pornografie en videospelletjes. Dat stelt een nieuw boek over ‘waarom jongens vaders nodig hebben’.

Voor elk halfuur dat een Britse jongen met zijn vader praat, zit hij 44 uur voor een scherm, en dat is nefast voor diens opgroeien tot een man. Het is maar een van de vele cijfers en stellingen in het nieuwe boek ‘Man (dis)connected: How technology has sabotaged what it means to be male. Why do boys need fathers?’ van de Amerikaanse psycholoog Philip Zimbardo en diens co-auteur Nikita D Coulombe.

In een gesprek met de Britse krant The Guardian waarschuwt Zimbardo voor de gevolgen van zo’n ‘afwezige vader’. Volgens de psycholoog zorgt dat voor een hele generatie jongens ‘verslaafd aan een onlinewereld vol pornografie en videospelletjes’.

‘Moeders geven onvoorwaardelijke liefde, vaders niet, niet gewoon omdat je bestaat. Als zoon moet je dingen doén voor de trots van je vader. Die bron van extrinsieke motivatie is nu voor heel wat jongens verdwenen.’ Gecombineerd met steeds beter presterende vrouwen, zorgt dat ervoor dat jongens online veiligheid en bevestiging gaan zoeken.

Volgens Zimbardo zorgt de vlucht naar het internet ervoor dat jongens ‘nooit elementaire sociale communicatie aanleren, niet kunnen omgaan met afwijzing…’ en zorgt dat voor een ‘nieuwe vorm van sociale verlegenheid’. Treft de vaderlijke afwezigheid dan geen dochters? Volgens Zimbardo lang niet even hard. ‘Jongens verliezen interesse en motivatie, vrouwen gaan net harder werken.’

Wat kan er gedaan worden om jongens opnieuw te verbinden met de echte wereld? ‘Meer mannelijke leerkrachten, meer jongens- en mannenclubjes… alles om opnieuw de mannelijke mentoring terug te halen die aan het verdwijnen is.’


Kraamhelpsters overstelpt met vragen aanstaande moeders

De Morgen – 10 mei 2015

Sinds vorige week bekendraakte dat pas bevallen moeders minder lang in het ziekenhuis zullen mogen blijven, stromen de vragen om info en hulp toe bij kraamhulporganisaties, die jonge moeders thuis gaan helpen. Dat schrijft het Nieuwsblad op Zondag.

Bij Familiehulp noteren ze veertig procent meer vragen naar kraamhelpsters. “De aandacht rond sneller naar huis na de bevalling heeft ons zeker meer werk bezorgd”, zegt San Cooreman in de krant. Ook de Vlaamse Expertisecentra Kraamzorg kregen deze week opmerkelijk meer vragen.

Jonge moeders zullen na een bevalling zonder complicaties slechts 4,1 dagen in het ziekenhuis mogen blijven, tegen gemiddeld 4,5 à 5 dagen nu. Maar de moeders staan er thuis niet alleen voor: ze kunnen bij de thuiszorgdiensten kraamhulp vragen. Gemiddeld gaat het om 35 uur, zegt Cooreman. De kraamhulp kan helpen met strijken, poetsen of het eten klaarmaken terwijl de mama went aan de baby.

Volgens Agnes Bode van Familiehulp speelt ook de geboorte van het Britse prinsesje Charlotte een rol. Kate Middleton verliet de dag van de bevalling nog het ziekenhuis.


Belg zet per kind elke maand 72 euro opzij

Moneytalk – 7 mei 2015

De Belg spaart gemiddeld 72 euro per kind per maand. De Vlaming wil zijn kind helpen om later een huis te kopen, terwijl de Waal de toekomstige studies hoog in het vaandel draagt.

Uit het onderzoek dat Keytrade Bank liet uitvoeren door het onafhankelijke onderzoeksbureau iVOX blijkt dat negen op de tien Belgen hun kinderen een financieel duwtje in de rug willen geven bij het volwassen worden. Een derde van de ondervraagden vindt financiële steun aan de kinderen “een topprioriteit” is.

Mannen sparen meer dan vrouwen

Niet iedereen slaagt er in om geld te sparen voor zijn kinderen. 20,2 procent van de Belgen kan helemaal niets sparen. Dat percentage ligt hoger in Wallonië (27,2%) dan in Vlaanderen (15,5%). Vrouwen (24,8%) slagen er minder vaak in om voor het nageslacht een appeltje voor de dorst achter de hand te houden dan mannen (15,6%). Bovendien leggen mannen (72,9 euro) meer geld opzij dan vrouwen (58 euro).

Hoe meer iemand verdient, hoe meer hij spaart voor zijn kind. Gezinnen met een gezamenlijk netto inkomen van minder dan 2.500 euro sparen gemiddeld 48,5 euro per kind. Bij een inkomen tussen de 2.500 euro en 4.000 euro stijgt dat tot 64 euro. Bij een inkomen van meer dan 4.000 euro loopt het bedrag per kind op tot 78,8 euro.

Sparen vanaf de geboorte

65,7 procent start al vanaf de geboorte of vroeger met sparen. Een op de vijf Belgen hoopt dat hij op het einde van de rit 10.000 euro bijeengespaard zal hebben voor zijn kind. Een op de vier heeft een bedrag tussen 10.000 en 25.000 euro voor ogen. Een derde van de ouders heeft geen specifiek bedrag in gedachten.

“Dat zijn zéér ambitieuze doelstellingen, die voor de meeste mensen onhaalbaar zijn. Zeker wanneer we de huidige – historisch lage – rentestanden in het achterhoofd houden”, zegt zegt Olivier Debehogne, Sales & Marketing director van Keytrade Bank. Hij raadt de spaarders aan om te kijken naar investeringsproducten die op lange termijn meer perspectief bieden. “Een gebrek aan kennis en vertrouwen belet de Belg om te beleggen.”

Kinderen moeten met minder tevreden zijn dan de ouders

70 procent van de Belgen denkt dat de volgende generaties het financieel minder goed zullen hebben dan de vorige. Financiële steun van de ouders is daarom extra welkom. Maar die lijkt minder hoog te zijn dan bij vorige generaties.

“Dat verschil kan te wijten zijn aan de stijging van de waarde van de grond of het huis dat de babyboomers cadeau kregen,” verduidelijkt Debehogne. “Maar we kunnen wel duidelijk zien dat de tijd dat mensen grote bedragen meekregen aan het begin van hun volwassenheid achter ons ligt.”

Huis prioriteit van Vlaming

De Vlaming zit duidelijk met een baksteen in de maag. Meer dan de helft van de Vlamingen (52,2%) wil met het bijeengespaarde geld zijn kinderen later helpen om een huis te kopen.

Bij de Walen staan de studies hoog aangeschreven. 38.8 procent wil met het geld de studies van zijn kinderen financieren.

Drie keer meer Walen (10,2%) dan Vlamingen (3,5%) zijn bovendien bereid om hun kinderen later dat extra financieel duwtje in de rug te geven als ze een eigen zaak uit de grond willen stampen.

“Het stemt mij te tevreden om te zien dat er toch heel wat ouders zijn die ondernemerschap hoog in het vaandel dragen,” zegt Debehogne. “Een eigen zaak oprichten blijft natuurlijk de beste manier om waarde te creëren, niet alleen voor jezelf en je gezin, maar voor de hele maatschappij.”


Kindercommissaris Vanobbergen pleit voor time-out

Deredactie.be – 6 mei 2015

Scholen moeten werk maken van betere en meer aangepaste straffen, dat zegt Vlaams Kinderrechtencommissaris Bruno Vanobbergen. Scholen hebben het tegenwoordig moeilijk om een gepaste straf te vinden en sturen leerlingen te snel definitief van school. Zo waren er vorig jaar in Vlaanderen 2.800 definitieve uitsluitingen.
Voor die uitsluitingen zijn er alternatieven, zegt Kinderrechtencommissaris Vanobbergen. “Wij willen aan scholen handvaten aanreiken om het sanctioneren op een meer positieve, constructieve manier aan te pakken zodat leerlingen meer aan boord blijven”, legt Vanobbergen uit.

“Leerlingen zijn vaak enthousiast over een “time-out” waarbij de leerlingen even van school zijn, ze begeleiding krijgen, ze andere dingen kunnen doen. De school en de leerling komen even tot rust. De leerlingen gaat dan na 2, 3  weken terug naar school en dat werkt vaak.”

Het GO! onderwijs of het gemeenschapsonderwijs geeft de Kinderrechtencommissaris gelijk. Kinderen van school sturen moet echt de allerlaatste sanctie zijn, zegt woordvoerster Sarina Simenon. “Het streefdoel van elke school moet zijn dat elke jongere de eindmeet haalt. In het omgaan met moeilijk gedrag kan je heel veel stappen ondernemen en moet je heel veel inspanningen leveren om die leerling bij te houden”, klinkt het.


Hoe help je je kind van drugs af?

Knack – 6 mei 2015

Als ouder lijdzaam toekijken terwijl je kind drugs gebruikt, brengt geen aarde aan de dijk. Het krampachtig verbieden evenmin. Hoe kun je je kind er wel toe aanzetten zijn drugsgebruik op te geven?

Steeds minder scholieren gebruiken cannabis, blijkt een bevraging, waaraan bijna 19.000 scholieren uit Oost-Vlaanderen en Vlaams-Brabant deelnamen. 86,6 procent daarvan heeft nog nooit cannabis gebruikt. Tien jaar geleden lag dat cijfer nog op 72,3 procent, meldt het Provinciaal Interbestuurlijk Samenwerkingsverband voor Aanpak van Drugsmisbruik (PISAD).

Wat het alcoholgebruik betreft, stelde PISAD vast dat 51 procent van de jongeren onder de 16 nog nooit alcohol heeft gedronken, net als 13,1 procent van de zestienjarigen. Tien jaar geleden verklaarde 54,1 procent van de twaalfjarigen al alcohol gedronken te hebben.

PISAD stelt dat de inspanningen van de scholen in hun alcohol- en drugbeleid en de bewustmakingscampagnes van de afgelopen jaren hun vruchten afwerpen, maar zegt niet op zijn lauweren te zullen rusten. Want ondanks de daling, zijn er nog steeds ouders die lijdzaam moeten toekijken terwijl zoonlief of dochter drugs gebruikt. Hoe kun je kind er toe aanzetten zijn drugsgebruik op te geven?
Pas gesprek als de gemoederen bedaard zijn

Als jongeren drugs gebruiken, vertellen ze dat zelden uit zichzelf aan hun ouders. Vaak stoten ouders toevallig op ‘verdacht’ spul in de slaapkamer of krijgen ze een onheilsboodschap van de schooldirectie of een politiedienst. “Dat je dan heftige gevoelens ervaart, is maar normaal en hoef je ook niet voor je kind te verbergen”, zegt Helga De Ridder, die als psychologe verbonden is aan Ambulante Drugszorg De Spiegel in Asse en Halle. “Maar een gesprek knoop je het best pas aan als de gemoederen wat bedaard zijn.”

Vaak willen ouders in eerste instantie alleen maar dat het gebruik stopt. ‘En dan wordt alles vanzelf weer goed’, redeneren ze. Ze zoeken naar antwoorden op erg praktische vragen zoals wat , waar , wanneer en met wie hun kind gebruikt. “Maar de kans is groot dat de volledige waarheid toch niet aan het licht komt”, zegt Helga De Ridder. “Bovendien krijgen ouders soms een vals gevoel van veiligheid als het ‘maar’ om cannabis gaat en panikeren ze in het geval van bijvoorbeeld heroïne of cocaïne.”

Reden van gebruik

“Uit ervaringen met gebruikers weten we echter dat niet zozeer het product op zich het verslavingsrisico bepaalt. Wat een veel grotere rol speelt, is de reden van het gebruik. Gebruikt de jongere de drug om een speciaal tintje aan bijzondere gelegenheden te geven? Of helpt de drug hem om bijvoorbeeld tot rust te komen of zich beter in zijn vel te voelen? Er zijn ontzettend veel redenen mogelijk. Het komt er dus op aan te achterhalen welk effect je kind van de drug ondervindt en welk concreet probleem hij ermee probeert op te vangen. Hoe fundamenteler dat probleem is, hoe groter de kans dat experimenteel gebruik problematisch gebruik wordt. Pas als je de functie kent die de drug voor je kind vervult, kun je gericht gaan zoeken naar – gezonde – alternatieven die hem vergelijkbare voordelen opleveren. Zonder zicht op alternatieven op zíjn maat zal je kind niet geneigd zijn zijn drugsgebruik op te geven.”

Abrupt stoppen met gebruiken is voor veel jongeren geen haalbare kaart. Ouders staan dus vaak voor de uitdaging om hun kind de nodige tijd en ruimte te geven. “Velen voelen de drang om hun kind veelvuldig te bevragen en te controleren”, zegt Helga De Ridder. “En dat is heel begrijpelijk, maar de kans dat het uitmondt in oeverloze discussies over het gebruik is groot. Het is nu eenmaal niet altijd eenvoudig om uit te maken of iemand al dan niet drugs heeft gebruikt.”

Straffen?

“Richt je aandacht daarom liever op beter zichtbaar – en dus ook beter begrens- en controleerbaar – probleemgedrag dat mogelijk met het drugsgebruik verband houdt. Bijvoorbeeld agressief of prikkelbaar zijn, geld verduisteren, spijbelen, lusteloos rondhangen, studies of werk verwaarlozen, weinig communiceren, enzovoort. Of en in welke mate de probleemgedragingen van je kind aan zijn drugsgebruik zijn toe te schrijven, is uiteraard niet te achterhalen en doet er ook niet toe. Je mag er zeker van zijn dat minstens een deel ervan mee door het drugsgebruik wordt gevoed. Breng storend gedrag dus telkens ter sprake als het zich voordoet. Geef je kind de kans om het te plaatsen. Stel grenzen en onderhandel over afspraken. En worden die niet nagekomen, laat dan altijd een straf – of beter: een ‘consequentie’ – volgen. De ‘last’ die je kind ondervindt, kan het ertoe aanzetten zijn drugsgebruik in vraag te stellen.”

Straffen alleen volstaan uiteraard niet om een gedragsverandering te verkrijgen. “Vandaar het belang om onverminderd naar alternatieven voor het drugsgebruik te zoeken”, benadrukt Helga De Ridder. “Blijf ook altijd oog hebben voor wat goed gaat en spreek dat uit. Het zal de spanning in het gezin wat verminderen en je kind meer vertrouwen doen krijgen in zijn mogelijkheden om te veranderen.”

Afbetalingsplan

Een kind met een verslavingsproblematiek helpen betekent níét verantwoordelijkheden uit handen nemen en de negatieve gevolgen van zijn gebruik te allen tijde voorkomen. Psychologe Katty Debremaeker, die verbonden is aan het residentiële behandelingscentrum van De Spiegel in Kessel-Lo, verduidelijkt: “Sommige ouders blijven bijvoorbeeld alle schulden van hun kind betalen, voorzien hun kind telkens weer van valse excuses om zijn school- of werkverzuim goed te praten, enzovoort. Het kind ondervindt daardoor geen nare gevolgen van zijn gebruik en zal dus niet geneigd zijn om zijn drugsgebruik op te geven. Sterker nog, het gaat mogelijk zijn grenzen nog verleggen, wat de ouders dan weer prikkelt om ook hún grenzen te verleggen. Uiteindelijk zal hun leven overheerst worden door de zorg voor hun kind, zoals de drugs het leven van hun kind overheersen.”

Wat moeten ouders dan wél doen? “Hun kind blijven steunen zonder de verantwoordelijkheid voor zijn gedrag over te nemen. Betaal bijvoorbeeld zijn schulden niet af maar help een afbetalingsplan opstellen of spreek minstens een termijn af waarop hij jou moet terugbetalen.”

Ouders hoeven zich niet alleen te voelen in de zorg voor hun kind met een verslavingsprobleem. In een ambulant drugszorgcentrum bijvoorbeeld kunnen ouders en kind – apart en tezamen – gesprekken voeren met verschillende deskundige hulpverleners, onder wie psychologen, psychotherapeuten, artsen, maatschappelijk werkers en verpleegkundigen.

Behandelprogramma

Is de draagkracht van de eigen omgeving overschreden of is het gedrag van de jongere zeer risicovol en grensoverschrijdend, dan is een behandelprogramma in een residentieel entrum meer aangewezen. De ouders blijven in elk geval een belangrijke ruggensteun voor hun kind.

Zowel in de ambulante als in de residentiële centra steunen hulpverleners sterk op hun inbreng. “Ouders kennen hun kind beter dan wie ook”, zegt Katty Debremaeker. “Ze kunnen ons bijvoorbeeld vertellen over zijn sterke en zwakke punten, wat al verandering teweegbracht en wat zijn doel miste, welke alternatieven voor het drugsgebruik zouden kunnen aanslaan, enzovoort. Al die vertrouwelijke informatie helpt ons om een begeleiding of therapie op maat uit te werken. We doen bijvoorbeeld ook een beroep op de ouders als een kind vroegtijdig uit een behandelprogramma wil stappen. Waar wij aan overtuigingskracht tekortschieten, vullen ouders ons vaak goed aan.”

Omgekeerd mogen ouders ook op de steun van de hulpverleners rekenen. “Zo zijn bijvoorbeeld aan de opname van een kind vaak grote conflicten tussen ouders en kind voorafgegaan. Vaak is de thuissituatie herhaaldelijk ontploft. Ouders zijn het dan soms verleerd op een aangename, constructieve manier met hun kind te communiceren. We kunnen hen daar weer in oefenen en moeilijke dingen uit het verleden bespreekbaar maken. We geven ouders ook nazorgtips voor het leven met hun kind na de behandeling. En we brengen hen in contact met andere ouders van kinderen met een verslavingsprobleem, zodat zij elkaar als lotgenoten kunnen steunen.”


Vader van drie kindjes stapt uit het leven anderhalve maand na overlijden vrouw

Het Laatste Nieuws – 2 mei 2015

Soms is verdriet te groot om de draad van het leven weer op te pikken. Amper anderhalve maand nadat zijn 34-jarige echtgenote overleden was aan hartfalen, is een 36-jarige man uit Waregem gisteren uit het leven gestapt. Hij laat drie kinderen achter, van 2, 5 en 6 jaar.
Het was een bijzonder aangrijpend beeld: tijdens de uitvaart van zijn echtgenote Patricia, op 21 maart, zette Klaas G. zich samen met zijn drie kinderen op de grond in de parochiekerk Heilige Familie. De vader pakte dochters Alexine (6) en Romanie (2) en zoontje Amaury (5) vast alsof hij ze nooit meer wilde loslaten.

“Weet je nog wat ik zei dat je moest doen als er iets met mij zou gebeuren?”, zei hij toen. “De belofte die je toen gemaakt hebt, zal ik waarmaken. Ik hou me sterk voor de kindjes, omdat ik weet dat ze alles voor je waren.”

Klaas G. kon het verdriet na het overlijden van zijn Patricia echter niet verwerken. De man kreeg de voorbije weken erg veel steunbetuigingen, maar ook die konden zijn pijn niet wegnemen. Klaas G. zou in 2016 tien jaar getrouwd geweest zijn met Patricia. Hun drie kinderen kunnen nu enkel nog rekenen op de liefde van de familie.


Leerplicht vanaf 5 jaar?

De Standaard – 30 april 2015

Open VLD en MR dienen een wetsvoorstel in om de leerplicht in te voeren vanaf vijf jaar. De Vlaamse en Franstalige liberalen willen daarmee voorkomen dat kinderen de lagere school met een leerachterstand aanvatten. ‘Een leerplichtsverlaging naar 5 jaar staat niet in het federale regeerakkoord’, reageert minister van Onderwijs Hilde Crevits (CD&V).

Open VLD en MR willen de leerplicht in België verlagen naar 5 jaar. Momenteel start de leerplicht op zes jaar. De liberale partijen willen de verplichting vervroegen van het eerste leerjaar in het basisonderwijs naar het derde jaar van het kleuteronderwijs. Ze baseren zich op de cijfers van het Hoger Instituut van de Arbeid (HIVA).

Hieruit blijkt dat gemiddeld 16 procent van de 2,5- tot 3-jarigen niet naar de kleuterschool gaat. Vooral kinderen van allochtone afkomst, kinderen met laaggeschoolde ouders en kinderen uit eenoudergezinnen stromen later in.

‘Doordat kansarme kinderen pas op latere leeftijd naar school gaan, starten ze meteen met een handicap’, zeggen fractieleiders Patrick Dewael en Denis Ducarme. ‘Studies wijzen er op dat die kinderen dan ook veel vaker met een leerachterstand kampen. Dat achtervolgt hen de rest van hun schoolcarrière.’

De liberalen geloven dat een vervroeging van de leerplicht een van de maatregelen is die aan de problematiek kunnen verhelpen. ‘Door de leerplicht te vervroegen, kunnen leerkrachten leerachterstand op jongere leeftijd opsporen en aanpakken.’

‘Een verlaging van de leerplichtleeftijd is niet voorzien in de regeerakkoorden’, zegt Minister van Onderwijs Hilde Crevits (CD&V). ‘We proberen ouders zoveel mogelijk aan te sporen om hun kinderen naar school te sturen. We werken daarvoor samen met Kind en Gezin, de scholen en de kleuteronderwijzers. In steden als Antwerpen en Brussel worden ouders ook aangeschreven.’

Gelijke onderwijskansen

Het Gemeenschapsonderwijs(GO) reageert enthousiast op het voorstel van de liberale partijen. ‘De verlaging van de leerplichtleeftijd is een uitstekend middel om gelijke onderwijskansen en kwaliteitsvol onderwijs voor iedereen te stimuleren’, zegt Sarina Simenon, persverantwoordelijke van GO!-onderwijs. ‘Wij hebben vorig jaar al een voorstel gedaan om de leerplicht te verlagen.Momenteel moeten kinderen 220 halve dagen naar de kleuterschool vooraleer ze aan het basisonderwijs mogen deelnemen. Wij vinden het belangrijk dat het meer is.’

Eerder deze week dienden PS en CDH in het parlement van de Franse Gemeenschap (de Federatie Wallonië-Brussel) eveneens een resolutie in om de leeftijd voor de leerplicht te verlagen. Hoewel het onderwijs een gemeenschapsbevoegdheid is, ligt de bevoegdheid voor het vaststellen van de leeftijd van de leerplicht op het federale niveau.


Reanimeren moet verplichte schoolkost zijn

De Morgen – 27 april 2015

Elke Vlaamse jongere moet twee uur reanimatietechnieken achter de kiezen hebben wanneer hij de middelbare school verlaat. Dat is de kern van een actieplan dat Vlaams minister van Onderwijs Hilde Crevits (CD&V) zo snel mogelijk in de praktijk wil brengen, schrijft Het Laatste Nieuws vandaag.
EHBO op school maakt nu al deel uit van de eindtermen, maar wordt in de helft van de Vlaamse scholen niet toegepast door een overvol leerprogramma en een gebrek aan trainers en expertise. Nochtans is het belang ervan ontzettend groot. Wanneer iemand getroffen wordt door een hartfalen, is het snelle optreden van omstaanders cruciaal voor zijn overlevingskansen.

Een reportage van het VRT-programma Volt maakte het onlangs nog eens pijnlijk duidelijk: slechts één Vlaming op de acht weet wat hij moet doen wanneer in zijn omgeving iemand een hartaanval krijgt. Dat is: de 112 bellen, hartmassage en mond-op-mondbeademing toepassen en bij voorkeur ook defibrilleren met een AED-toestel (Automatische Externe Defibrillator) dat al op heel veel openbare plaatsen in ons land voorhanden is.

Crevits wil nu een samenwerkingsverband tot stand brengen tussen de onderwijskoepels, het Rode en Vlaams Kruis, gemeenten en brandweerkorpsen. Bedoeling is dat alle vijfdejaars een intensieve cursus krijgen, gevolgd door een opfrismoment in het zesde jaar. De cursussen zullen gegeven worden door het Rode Kruis of door daartoe opgeleide leerkrachten.

Geen smak geld

“Een aanpassing van de eindtermen of het aanstellen van vakleerkrachten is daarvoor niet nodig”, zegt Crevits. “Volgens het Rode Kruis volstaat het al dat je twee uur intensief met groepjes van vijftien derdegraadsleerlingen aan de slag gaat om ze de technieken aan te leren.”

Crevits is niet van plan er een smak geld tegenaan te gooien. Voor het geven van de opleidingen rekent ze op het Rode Kruis, Het Vlaamse Kruis en de leerkrachten. “Het Rode Kruis organiseert nu al cursussen voor leerkrachten. Die kunnen hun kennis dan doorgeven aan leerlingen.” En ook logistiek zijn er geen grote investeringen nodig. “Alle gemeentebesturen of brandweerkorpsen beschikken over oefenpoppen.”


Beter thuis dan op de crèche

De Volkskrant – 25 april 2015

Jonge baby’s zijn thuis veel beter af dan op de crèche, zo zegt de Nederlandse biologe Carolina de Weerth die op de Radboud Universiteit in Nijmegen onderzoek doet naar de ontwikkeling van jonge kinderen.
De Weerth en haar collega’s ontdekten dat baby’s veel meer stress hebben op crèchedagen dan op dagen dat ze thuis zijn. Ook toonden ze aan dat het grote invloed heeft op de baby als de moeder gestresst is tijdens de zwangerschap. Baby’s van gestresste moeders hebben bijvoorbeeld meer last van luchtwegaandoeningen en huidproblemen.

Volgens De Weerth laten we grote kansen liggen in het cruciale eerste levensjaar, zo zegt ze in de Volkskrant vandaag. “Uit vrijwel elke studie in mijn vakgebied blijkt dat baby’s het beste af zijn als ze hun ouders dichtbij hebben. Uit ons eigen onderzoek blijkt zelfs dat baby’s zich beduidend rustiger ontwikkelen als ze bij hun ouders op de kamer slapen in plaats van in de babykamer.”

Jaar verlof

Minder dan 30 procent van de Nederlandse kinderen tot 3 jaar wordt alleen door de ouders opgevoed. In België ligt dat percentage iets hoger met 40 procent, al is ook dat onder het Europese gemiddelde van 50%.

De Weerth pleit daarom bij de overheid dat ouders na de geboorte van hun kind een jaar verlof kunnen nemen. De kosten betalen zich vanzelf terug, meent de onderzoekster, omdat betere zorg voor baby’s op latere leeftijd gedragsproblemen, ziektes en depressies voorkomt. “Hoe jonger je begint, hoe groter het effect op het leven.”
Bewerk bericht


Iedere ouder heeft weleens een moment waarop hij zijn kind verwenst

Knack – 23 april 2015

Ouders plaatsen hun kinderen graag op een piëdestal. Het gevolg is vaak dat hun kroost veeleisend en soms ronduit tiranniek wordt. Grenzen stellen is de beste remedie, vindt psychologe Lyliane Nemet-Pier.

De Franse psychologe Lyliane Nemet-Pier schreef met Aimer ses enfants sans se laisser dévorer een boek dat ouders handvatten aanreikt bij de opvoeding van weerbarstige kinderen. ‘Vele ouders weigeren nog altijd toe te geven dat ze niet altijd overlopen van liefde voor hun kinderen’, stelt Lyliane Nemet-Pier. ‘En toch heeft iedere ouder wel eens een moment waarop hij zijn kind verwenst.’

Dat is meer dan ooit het geval in onze huidige maatschappij, waarin ouderlijk gezag alsmaar meer ondermijnd wordt. ‘Toen ik 40 jaar geleden in dit beroep stapte, kwamen ouders naar mij omdat ze hun tieners niet meer in de hand konden houden. Vandaag voelen vele ouders zich al radeloos tegenover hun kinderen van 2 of 3 jaar oud.’

Verafgood

In onze maatschappij worden kinderen soms geïdealiseerd en verafgood. Al van jongs af roepen ze bij hun ouders bewondering op: de weerbarstigheid, de grillen en zelfs de woede van een kind worden gezien als het bewijs van vroegtijdig zelfstandig worden. ‘Ouders durven hun zo perfecte kinderen geen grenzen op te leggen, uit angst hun liefde te verliezen’, stelt Lyliane Nemet-Pier.

‘Om hun kinderen te verleiden, gaan ze over alles onderhandelen. ‘Doe je je jas aan?’, ‘Ga je nu je medicatie innemen?’ Altijd met een vraagteken, alsof het kind de keuze heeft. Kinderen mogen over alles mee beslissen. Ouders houden blindelings rekening met hun wensen, waardoor ze een verantwoordelijkheid op hun schouders leggen die ze in feite niet kunnen torsen. Bijgevolg worden die kinderen veeleisend, opdringerig, ongenietbaar. De ouders krijgen dan al snel het gevoel dat hun kinderen hen overmeesteren en verslinden.’

Om het evenwicht te herstellen, geeft Lyliane Nemet-Pier 8 tips om iedereen weer op zijn plaats te zetten.
1. Aanvaard je negatieve gevoelens. Ergernis, vijandigheid of zelfs nu en dan haat tegenover je kinderen: het is normaal.

2. Dwing respect af, maar zonder je kinderen te beledigen of te kleineren. ‘Dek de tafel’ zeggen komt heel anders aan dan ‘Dek de tafel, dan doe je tenminste iets’.

3. Voor koppels: zorg ervoor dat je daadwerkelijk partners bent, luister naar elkaar en werk samen. Zo vermijd je dat je kinderen in de verleiding komen om jou en je partner tegen elkaar op te zetten of je meningsverschillen uit te buiten.

4. Aarzel niet om je kinderen aan andermans zorgen toe te vertrouwen, vooral als je voelt dat je ergernis wel eens tot agressiviteit zou kunnen leiden.

5. Maak tijd vrij. Tijd om ouders te zijn, samen met je kinderen dingen te beleven die voor mooie herinneringen zorgen. Maar ook tijd om even geen ouders te zijn, voor jezelf en je partner.

6. Laat je kinderen soms alleen zijn: wanneer ze hun innerlijke wereld getemd hebben, zullen ze minder geneigd zijn hun ouders met oneindig veel eisen plat te walsen.

7. Geef niet op wat belangrijk voor je is. Hoe meer je jezelf kunt ontplooien, hoe meer je voor je kinderen kunt openstaan.

8. Probeer nietperfect te zijn. Als je je zwakheden niet voor hen verbergt, zullen ze niet bang zijn voor hun eigen zwakheden.


Beter huiswerk dankzij facebook

Klasse – 23 april 2015

Een pak leerlingen zit na vier uur op sociale media. De doodsteek voor hun huiswerk? “Niet noodzakelijk”, zegt Pedro De Bruyckere, pedagoog en onderzoeker aan de Arteveldehogeschool in Gent. “Als je sociale media goed inzet, zijn het handige tools bij het studeren. Meer nog, als leerlingen geen toegang hebben tot Facebook, kunnen hun punten dalen.”

Amerikaanse studenten openen Tumblrpagina’s (studyblrs) waarop ze elkaar helpen bij het studeren. Studenten merken daar dat ze niet alleen aan hun bureau zitten. Dat motiveert hen om hun huiswerk niet uit te stellen. Net zoals de peptalk van andere studenten als het even minder vlot gaat. En ze delen er studietips en studiemethodes door foto’s te sharen van cursusbladen waarop ze met markers hoofd- en bijzaken kleuren. Gaat studeren beter dankzij sociale media?

Helpdesk Facebook
“Die ingekleurde cursussen werken net niet”, vertelt Pedro De Bruyckere. “Zeker niet als iemand anders voor hen met fluorescerende stiften de hoofd- en bijzaken onderscheidt. Maar Facebook, Snapchat en andere sociale media zijn vandaag voor leerlingen wel bij de belangrijkste digitale leer- en overlegplatformen. Daar bespreken ze schoolzaken veel vaker dan op bijvoorbeeld een leerplatform van de school zoals Smartschool.”

“Als ze vastlopen op een stukje leerstof, krijgen ze razendsnel feedback op Facebook. Of ze dicteren en ondervragen leerstof via Skype. Als leerlingen geen toegang hebben tot Facebook, blijven ze van die informatie verstoken en kan hun dat zuur opbreken.”

Niet verketteren maar sturen
Leerlingen weghouden van sociale media heeft dus geen zin. Afspraken maken wel. “Natuurlijk loert het gevaar dat sociale media al hun aandacht wegkapen tijdens hun huiswerk. Leraren mogen dan terecht vrezen dat er van hun huiswerk weinig in huis komt. Daarom leg je als leraar met je leerlingen het best een overlegmoment vast.”

“Spreek af dat ze elkaar helpen op sociale media tussen bijvoorbeeld kwart voor vijf en vijf, maar dat ze zich daarvoor wel aan een digitale windstilte houden. Zo zet je Facebook op een slimmere manier in. Sommige Nederlandse leraren die ik ken, gaan al een stap verder. Ze organiseren vragenuren op Facebook. Alleen is dat niet helemaal fair tegenover de leerlingen die niet online kunnen of bewust niet op Facebook zitten.”

Huiswerk kopiëren
Wat dan met de angst voor Facebookgroepen waar leerlingen huiswerk kopiëren en uitwisselen? “Die is niet nieuw”, zegt De Bruyckere. “Twintig jaar geleden spraken leerlingen gewoon voor dag en dauw op school af om antwoorden snel over te pennen. Eigenlijk is er geen verschil. En samenvattingen delen is ook veel ouder dan Facebook.”

“Je kan dat opvangen door te differentiëren en als huiswerk online oefeningen op maat mee te geven. Of door oefeningen in de klas te maken en video’s over de leerstof mee te geven als huiswerk. Technologie en sociale media kunnen dus handig zijn bij huiswerk. Je moet ze alleen heel gericht inzetten.”


“Wie zijn kind niet vaccineert, draagt een grote verantwoordelijkheid”

Knack – 22 april 2015

Bent u als kind ingeënt tegen de mazelen en andere kinderziektes? Indien niet, maak er dan dringend werk van. Een gesprek met professor vaccinologie Pierre Van Damme (UAntwerpen).

Doet België het goed, als het over de vaccinatiegraad gaat?

Pierre Van Damme: Zeker, België wordt – samen met de Scandinavische landen – zelfs als een van de betere leerlingen van de Europese klas beschouwd. De overgrote meerderheid van de zuigelingen en adolescenten wordt gevaccineerd tegen de bekende kinderziektes als mazelen, polio en tetanus. Maar dat wil niet zeggen dat we op onze lauweren mogen rusten. Het blijft een uitdaging om die goede vaccinatiegraad van meer dan 90 procent aan te houden. Vooral bij de introductie van nieuwe vaccins is het een uitdaging om de hoge vaccinatiegraad van bestaande vaccins te behouden.

Waarom is er nu zoveel te doen om het mazelenvaccin?

Van Damme: Mazelen is geen banale kinderziekte: wereldwijd zijn er nog meer dan 100.000 sterfgevallen per jaar. Ons land is in 1985 begonnen met de vaccinatie tegen mazelen, bof en rubella voor éénjarigen (geboren in 1984), tien jaar later zijn we gestart met een herhalingsvaccin voor 10-jarige kinderen. Maar die vaccinatiegraad was niet meteen vanaf het begin 95 procent, zoals nu. Een deel van de huidige jongvolwassenen (tussen 20 en 30 jaar) zijn dus niet of onvolledig gevaccineerd. En wie ouder is dan 30 jaar heeft zelfs nooit een vaccin gekregen. Vandaar dat we iedereen nu oproepen om zijn vaccinatietoestand na te kijken en zich eventueel alsnog te laten vaccineren.

Toch blijft er bij veel ouders wantrouwen tegenover vaccinaties. Er doen allerlei verhalen de ronde over ziektes of zelfs overlijden na zo’n prikje.

Van Damme: Totaal onterecht. Onze vaccins zijn bijzonder veilig en heel goed getest. Natuurlijk zijn er nevenwerkingen, zoals koorts. Maar die wegen niet op tegen de ‘nevenwerkingen’ van infecties als kinkhoest, mazelen, rode hond, tetanus of polio. Heel af en toe treden er ernstige aandoeningen op, maar die komen ook voor bij mensen die niet gevaccineerd zijn. Uit onderzoek blijkt dat er geen enkel oorzakelijk verband is. Het ‘probleem’ is dat een aantal infectieziekten, zoals mazelen, tegenwoordig minder voorkomen, net omdat er zo goed gevaccineerd wordt. Daardoor krijgen ouders de indruk dat het niet meer zo nodig is, de ziekte komt toch niet meer voor. Zo ontstaan kleine groepen van vatbare individuen, wat heel gevaarlijk is. Elke kiem zit namelijk te wachten op het moment waarop er voldoende vatbare kinderen of volwassenen zijn. Met maar één doel: zoveel mogelijk mensen besmetten. Voor je het weet, zit je met een epidemie. In Frankrijk waren er daardoor in 2011 meer dan 35.000 gevallen van mazelen, met een fatale afloop bij een 30-tal personen.

Is er in ons land ook een antivaccinatielobby, zoals in Nederland of Frankrijk?

Van Damme: Ook in ons land zijn er mensen die kritisch staan tegenover vaccineren. Gelukkig is het op dit moment maar een kleine groep, met allemaal verschillende redenen: ze willen de natuur volgen, het mag niet van hun geloof, ze verzetten zich tegen overheidsbemoeienis, … je mag die mensen zeker niet allemaal over één kam scheren. Momenteel ontwikkelt het Europees bureau van de Wereldgezondheidsorganisatie een vaccinatieprogramma op maat, om landen te assisteren in de aanpak van bepaalde bevolkingsgroepen met een lage of ondermaatse vaccinatiegraad: antroposofische gemeenschappen (o.a. in Zweden), Joodse gemeenschappen (o.a. in Londen), zigeunergemeenschappen (o.a. in Bulgarije), … . Uit de eerste evaluaties blijkt zo’n aanpak duidelijk vruchten af te werpen.

De oplossing lijkt nochtans eenvoudig: maakt alle vaccinaties verplicht.

Van Damme: In België is enkel de vaccinatie tegen polio of kinderverlamming verplicht. De andere zuigelingen- en kindervaccins worden sterk aanbevolen door de Hoge Gezondheidsraad. Maar vaccinaties verplichten is niet noodzakelijk dé oplossing voor een optimale vaccinatiegraad. In Zweden, Denemarken en Noorwegen is er bijvoorbeeld geen enkel vaccin verplicht, en toch is hun vaccinatiegraad het hoogste van heel Europa. Met goede voorlichtingscampagnes en informatieverstrekking kan je soms veel meer bereiken dan met een pure verplichting, wat weerstand kan oproepen. Mensen moeten begrijpen dat vaccinatie niet enkel de gevaccineerde beschermt, maar vaak ook, indirect, diens omgeving. Bij een voldoende hoge vaccinatiegraad ontwikkel je een groepsimmuniteit, zodat bepaalde kiemen niet langer kunnen circuleren. Zo kan je op termijn infectieziekten uitroeien: het ultieme doel.

Wat staat er nu op de internationale vaccinatie-agenda?

Van Damme: Op wereldschaal is dat vooral de uitroeiing of eradicatie van kinderverlamming. Zo’n eradicatieprogramma is een enorme wereldwijde onderneming: eind de jaren 70 is dit gelukt voor de pokken. Sindsdien moeten we kinderen en volwassenen niet langer tegen pokken vaccineren, want de ziekte is van de aardbol verdwenen. Op wereldschaal is dat niet alleen een ongelofelijke gezondheidswinst, maar ook een gigantische besparing van middelen die kunnen worden ingezet voor andere preventieprogramma’s. De eradicatie van polio is haalbaar, maar vraagt nog grotere inspanningen en een onvoorwaardelijke wereldsolidariteit. Als één land de armen laat hangen en polio laat circuleren, worden alle andere landen op die manier gegijzeld en verplicht om extra inspanningen te blijven leveren. Maar de laatste jaren is er op dat gebied al een enorme vooruitgang geboekt, zodat we nu de ‘end game’ kunnen inluiden. Over een paar jaar kan polio definitief de wereld uit zijn. Daarnaast worden alle landen wereldwijd, waaronder België, gevraagd om ook extra inspanningen te leveren op het vlak van mazelen en rode hond, zodat die ooit ook totaal verdwijnen.


Is er kinderopvang voor iedereen?

Visie – 17 april 2015

Tegen 2020 wil de Vlaamse overheid een recht op kinderopvang realiseren. Elk gezin moet dan een kwaliteitsvolle en betaalbare opvangplaats kunnen vinden binnen een redelijke termijn en afstand. Hoe goed is Vlaanderen op weg om het tekort aan kinderopvang weg te werken?

Uit het leven gegrepen. Ann en Bart doen een zwangerschapstest. Een felroze streepje verschijnt en hun geluk kan niet op. Ze houden het blijde nieuws nog even voor zich., maar bellen de eerste week alvast enkele crèches op. Want daarvoor schrijf je je best zo snel mogelijk in. Over juist één jaar heeft het koppel kinderopvang nodig. Maar crèche 1 heeft plaats over anderhalf jaar. Crèche 2 is zelfs volgeboekt voor de komende twee jaar. Bij crèche 3 en 4 komen Ann en Bart op een wachtlijst terecht met een honderdtal wachtenden voor hen… Pas vijf maanden later komt een verlossend telefoontje: bij een onthaalouder in de buurt is een plaatsje geannuleerd. Ann en Bart zeggen snel toe. Met een gerust hart kijken ze verder uit naar de geboorte van hun eerste spruit.

Kinderopvang vinden is voor sommige toekomstige ouders een hele klus om te klaren. Maar volgens Elke Verdoodt, directeur van Felies, de kinderopvang van Femma, stelt het probleem zich niet overal even scherp. “Niet in elke regio, gemeente of wijk in Vlaanderen is er een tekort aan kinderopvang. Op sommige plaatsen moeten wij zelfs affiches ophangen om kindjes te vinden. Vooral in de steden zijn er te weinig opvangplaatsen: Antwerpen, Brussel, het Leuvense. Daar gaat het om een historisch opgebouwd tekort, omdat in het verleden het lokaal beleid niet altijd even sterk heeft ingezet op kinderopvang. In tegenstelling tot bijvoorbeeld de provincie Limburg, die daar al lange tijd in investeert. Of ouders makkelijk een plaatsje vinden hangt ook af van hun persoonlijke situatie. Hoe vlot kunnen zij zich verplaatsen? Hebben zij zich tijdig ingeschreven op een wachtlijst? Staan zij open voor verschillende types opvang of willen zij enkel die specifieke onthaalouder?”

Professor Michel Vandenbroeck van UGent waarschuwt dat veel onthaalouders de komende tien jaar met pensioen gaan. Hij spreekt over ‘een kleine tijdbom onder de kindervang’.
“Een vrij grote groep van onthaalouders is inderdaad ingestapt in de jaren ‘80. Die mensen zijn nu aan het uitbollen, dus moeten wij nieuwe kandidaten vinden. Een belangrijke groep is die van jonge ouders die in de zorgsector werken. Het combineren van werken in ploegen en een kind is vaak moeilijk. Daarom worden zij onthaalouder. Maar meestal stoppen zij ermee zodra hun kinderen naar school gaan. Een groep die wel volhoudt zijn de grootmoeders. Zij willen op hun kleinkinderen passen en zien het beroep van onthaalouder als een mooie, nieuwe uitdaging. Zo slagen we er bij Felies toch in om in de meeste regio’s nieuwe onthaalouders te vinden. Maar wij kunnen maar zoveel mensen laten starten als wij gesubsidieerde plaatsen krijgen.”

Investeert de Vlaamse overheid voldoende in de kinderopvang?
“De Vlaamse overheid volgt nu een besparingslogica. In 2014 is kinderopvang daarvan gespaad gebleven. Dit jaar is er 20 miljoen euro voorzien, waarvan een groot deel gaat naar de verhoging van de lonen in de zelfstandige sector. Maar zoals in de hele welzijnssector zijn er nog veel noden in de kinderopvang waarvoor geld nodig is. Enerzijds voor het creëren van opvangplaatsen, anderzijds om de sector kwalitatief te ondersteunen. Zo hebben de onthaalouders een kwetsbaar statuut en zijn er zelfstandigen die niet rondkomen.
Minister van Welzijn Jo Vandeurzen hoopt op een hoger budget vanaf 2017. Hij gaat dan best na waar er extra opvangplaatsen nodig zijn en waar plaatsen volgens inkomenstarief het meest aangewezen zijn. Zo geraken er in Antwerpen heel wat plaatsen zonder inkomenstarief niet ingevuld, omdat een vrij grote groep van ouders dat niet kan betalen.”

Op 1 mei verhoogt het minimumtarief voor kinderopvang van 1,56 naar 5 euro, is dat een probleem?
“Ja dat is een besparing op de kap van ouders die het financieel al moeilijk hebben. Ik vrees dat een aantal van hen zullen beslissen om de kinderopvang te stoppen. Dat terwijl kinderopvang ook een sociale functie heeft: kinderen leren er in groep functioneren, leren de onderwijstaal aan…
Met deze maatregel ontneemt de overheid kansen aan kwetsbare gezinnen. Van de ouders die vandaag het minimumtarief betalen, zijn er ook bij die werken. Vaak gaat het om mensen die interimwerk doen en op bepaalde momenten werkloos zijn. De verhoging van het tarief ontneemt hen ook kansen op de arbeidsmarkt.”

Kinderopvang in cijfers
–   91 838 plaatsen voor opvang baby’s en peuters, waarvan 31 253 bij onthaalouders en 60 585 in kinderdagverblijf
–   6 op 10 kinderen jonger dan drie jaar maakt regelmatig gebruik van formele en/of informele kinderopvang
–   De informele opvang door grootouders daalt door hun (langere) inzet op de arbeidsmarkt
–   1 op 10 ouders vindt geen formele opvang. Het gaat vooral om alleenstaande ouders, ouders zonder job, laaggeschoolde ouders en ouders van niet-Belgische afkomst.
(Bron: Kind en Gezin, cijfers voor Vlaanderen en Brussel)


Steeds meer blessures bij sportertjes

Het Belang van Limburg – 18 april 2015

Steeds meer sportertjes, soms jonger dan 10 jaar, lopen blessures op omdat ze bij hun sportclub te vaak en te hard moeten trainen.
Jonge sporters worden steeds vaker gezien als volwassen topsporters. Terwijl voetballertjes rond de leeftijd van 10 jaar vroeger één keer per week trainden, worden hun leeftijdsgenootjes vandaag vaak al drie keer per week op het trainingsveld verwacht. En dan moeten ze in het weekend ook nog eens een wedstrijd spelen.

“Het is absoluut fout om kinderen op zo’n jonge leeftijd zoveel te laten trainen, en zeker in één sporttak”, zegt Tom Teulingkx, voorzitter van de vereniging van sport- en keuringsartsen (SKA). “Ik krijg in mijn praktijk voetballertjes van amper 9 jaar over de vloer die kampen met een overbelasting, zoals bijvoorbeeld een geïrriteerde achillespees of een ontstoken beenvlies. En zij zijn jammer genoeg geen uitzonderingen. Steeds meer jonge sportertjes moeten vandaag behandeld worden voor overbelastingsletsels die ik vroeger alleen bij volwassenen zag.”

Groeispurt

Blessures bij jonge sportertjes treden vooral op in sporten die de gewrichten belasten. “Naast voetbal zijn dat voornamelijk basketbal, volleybal, handbal en gymnastiek”, zegt Teulingkx. “In deze sporttakken zijn het meestal de onderste ledematen die overbelast geraken en vaak gaat het dan ook om groeigerelateerde blessures. Als het bot te snel groeit en de pezen en spieren kunnen niet volgen, dan krijg je bijvoorbeeld knie- en hielletsels.”

Volgens Teulingkx is het dan ook uiterst belangrijk om jonge sportertjes die in volle groei zijn, voldoende rust te geven. “Ik ben ook hoofdarts van een voetbal-academie en daar houden we van onze leden bijvoorbeeld groeicurves bij. Wanneer een spelertje in een groeispurt zit, laten we hem minder hard trainen. Op die manier worden sportertjes in de cruciale groeifases minder belast en ga je blessures vermijden.”


Piet Piraat moet hoge prijs betalen voor de liefde

Nieuwsblad – 14 april 2015

Zeven jaar geleden scheidde acteur Peter Van de Velde, bekend voor zijn rol als kindervriend Piet Piraat, van zijn vrouw Martine. Hij koos toenn voor Debbie, met wie hij al een buitenechtelijke relatie had, maar sinsdien heeft hij geen contact meer met zijn twee dochters.
De acteur, die onlangs nog schitterde in de muscial ‘14-18’, getuigt nu voor de eerste keer in Dag allemaal over de pijnlijke breuk in zijn gezin. ‘Frauke en Hanne waren op het moment van de scheiding veertien en zestien. Op die leeftijd is het zeer moeilijk om te verwerken dat je ouders uit elkaar gaan. Mijn dochters mochten komen wanneer ze wilden, ze waren altijd welkom, maar ze bleven weg. Ik ben in feite te laks geweest, ik had desnoods via een gerechtelijke procedure moeten eisen dat ze op bezoek kwamen.’

‘Vroeger sms’s en belde ik mijn dochters dagelijks, ook al antwoordden ze nooit. Ik ging eraan kapot, het verdriet en het gemis zogen me leeg. Op een bepaald moment heb ik beslist om te stoppen met achter hen aan te lopen, om mezelf te beschermen. Weet je dat ik al hun foto’s van de muren heb gehaald? Dat deed te veel pijn.’

‘Ik kan het geluk niet met hen delen’

Zelfs toen zijn dochter in september afstudeerde, mocht Peter enkel van op een afstand toekijken. ‘Ik mocht komen, maar enkel als Debbie thuisbleef. Frauke zat bij haar moeder en haar zus, ik ging enkele rijen achter hen zitten. Toen we elkaar in het gangpad kruisten, keken ze mij niet aan. En ook op de receptie achteraf, moest ik zelf naar haar toe om haar proficiat te wensen. Ik kon het geluk met niemand delen, het was zo pijnlijk. Na een kwartier ben ik doorgegaan en heel de rit heb ik gehuild.’

Een verzoening zit er dus nog niet aan te komen. ‘Mijn dochters zijn nu 21 en 23 jaar oud, volwassen vrouwen. Ze moeten toch begrijpen dat het leven zo in elkaar zit, dat mensen fouten maken en relaties stukgaan. Ik wil gewoon dat ze me graag zien en dat ze Debbie aanvaarden. En alsjeblieft terug naar hun grootouders gaan.’


Betuttelend gedrag van ouders maakt jongeren financieel dom

De Standaard – 13 april 2015

Ongeveer één op acht van de leerlingen in de derde graad vertoont financieel risicogedrag, zo blijkt uit een onderzoek van het Centrum voor budgetadvies en budgetonderzoek (Cebud). Reden? Ouders betuttelen te veel.

Het Vlaams Centrum Schuldenlast (VCS) noemt de studie van het Cebud een ‘wake-upcall’. Het onderzoek suggereert dat twaalf procent van de ondervraagde leerlingen ‘zorgwekkend financieel risicogedrag’ vertoont. Dat wil zeggen dat ze aan minstens drie risicofactoren voldoen, zoals geld moeten lenen, vaak onvoorzien te veel betalen of zelfs gokken. Nog eens tien procent van de jongeren heeft openstaande schulden.

De helft van de jongeren geeft aan dat ze hun ouders als het grote rolmodel zien over hoe ze met geld moeten omgaan. ‘Wat de jongeren thuis zien en meekrijgen, heeft een grote impact’, zegt Ilse Cornelis, onderzoekster bij het Cebud en de Thomas More Hogeschool. Volgens de onderzoekers beschermen de ouders hun kinderen vaak te veel.

Op eigen benen staan?

‘Jongeren van 18 jaar, die bijna op hun eigen benen moeten staan, moeten amper zelf nadenken over geldzaken. Ze krijgen hun zakgeld voor leuke, ontspannende dingen en moeten hun hoofd niet breken over de essentiële leefkosten zoals kleren, eten of telefoonkosten. Vaak sparen de ouders zelfs al in hun plaats op een aparte rekening. Allemaal met de beste bedoelingen, maar de jongeren leren zo amper zelfstandig om te gaan met geld.’

Het gevolg van die ‘overbescherming’ is dat de overstap naar zelfstandigheid te groot wordt. ‘Als ze dan zelf een appartement moeten huren of een lening aangaan, zijn ze niet goed voorbereid’, zegt Cornelis.


Een op tien jongeren heeft al schulden

Moneytalk – 13 april 2015

Tien procent van de jongeren in de derde graad van het middelbaar onderwijs (16 tot 18 jaar) heeft al schulden. Dat blijkt uit een onderzoek van het centrum voor budgetadvies en budgetonderzoek (Cebud), waarover de kranten van Mediahuis maandag berichten.

De onderzoekers stelden vast dat de Vlaamse jongeren opvallend veel financieel risicogedrag vertonen. Zo leent 25 procent al eens geld van anderen. Vooral van vrienden, maar in de helft van de gevallen ook van ouders.

Een kwart van de tieners wedt ook met vrienden voor geld, tien procent koopt enkele keren per jaar een kraslot, gokt op uitslagen of speelt spelletjes voor geld.

De onderzoekers wijzen ook op de belangrijke rol van de ouders. “Jongeren van 18 jaar, die bijna op hun eigen benen moeten staan, moeten amper zelf nadenken over geldzaken. Ze krijgen hun zakgeld voor leuke, ontspannende dingen en moeten hun hoofd niet breken over de essentiële leefkosten zoals kleren, eten of telefoonkosten. Dat is allemaal met de beste bedoelingen gedaan, maar de jongeren leren op die manier amper zelfstandig om te gaan met geld”, klinkt het.


Beter blijven zitten in kleuterklas

VTM nieuws – 25 maart 2015

Zittenblijven in de derde kleuterklas kan beter uitdraaien voor het kind dan het eerste leerjaar overdoen. Dat zegt onderzoekster Machteld Vandecandelaere (KU Leuven) in De Standaard.

Vier procent, of iets minder dan een op de twintig kinderen, doet de derde kleuterklas over. “Dat is veel”, vindt Machteld Vandecandelaere, “maar levert het ook iets op?” Dat heeft de onderzoekster van de KU Leuven uitgezocht voor haar doctoraat, dat ze vandaag verdedigt.

Vandecandelaere bekeek de voortgang van 6.000 kinderen door de hele basisschool. Zij vergeleek meer in het bijzonder kinderen die bleven zitten in de derde kleuterklas met leeftijdsgenoten met hetzelfde profiel die wel overgingen.

De overstap wagen houdt volgens de onderzoekster risico’s in. Kinderen die overgaan blijven aan het staartje van de klas bengelen. Dit geeft een deuk in hun zelfvertrouwen en leidt op termijn tot probleemgedrag.

Ook is er een tweede belangrijk risico. “Als je de kleuters die beter zouden blijven zitten, toch zou laten overgaan dan hebben ze een grotere kans om daarna hun eerste leerjaar te moeten dubbelen’, zegt Vandecandelaere.


Man schakelt huurmoordenaar in bij vechtscheiding

Nieuwsblad – 24 maart 2015

Eric P. (41) verscheen dinsdag voor de correctionele rechtbank van Leuven op verdenking van poging tot moord op zijn ex-echtgenote uit Scherpenheuvel. Hij schakelde een huurmoordenaar in en samen met een tussenpersoon bedachten ze diverse scenario’s: van een overdosis vloeibare xtc over roofmoord tot een dodelijk ongeval.
De jarenlange vechtscheiding tussen P. uit Leuven en zijn ex Liesbet F. veroorzaakte veel schade bij hun twee kinderen. In de zomer van 2012 zocht de man in een café contact met Dimitri V.R. Als tussenpersoon bracht V.R. hem in contact met Danny M., een vermeende Spaanse huurmoordenaar uit Torremolinos.

Het drietal voerde diverse besprekingen om zich te ontdoen van Liesbet F. Eric P. bezorgde de Spanjaard de nodige informatie, zoals de agenda van zijn ex. Via een bezoekrecht aan de kinderen, zij het onder begeleiding, was P. nog deels op de hoogte van het doen en laten van zijn gewezen partner.

Eric P. en Dimitri V.R. waren aanwezig op de zitting. Zij ontkenden dat ze concrete moordplannen hadden. Het openbaar ministerie twijfelde daar niet aan en vorderde drie jaar cel voor P. en twee jaar voor de twee medeplichtigen. De verdediging wees op het verschil tussen voorbereiding en het begin van uitvoering en vroeg de vrijspraak. Het vonnis valt op 28 april.


Crevits waarschuwt ouders niet langer voor spijbelend kind

Nieuwsblad – 23 maart 2015

Hilde Crevits (CD&V) stuurt niet langer een waarschuwingsbrief naar ouders wiens kind te veel spijbelt. Het is een van de eerste elf maatregelen van de onderwijsminister om de ‘irriterende regeldruk’ in het onderwijs te verminderen. ‘Die brieven waren pure overlast’, zegt ze.
Leerlingen die te vaak afwezig zijn, kunnen hun studietoelage verliezen. Om hun ouders te waarschuwen, stuurde toenmalig minister van Onderwijs Pascal Smet (SP.A) in maart 2014 nog bijna 11.000 brieven naar ouders.

‘Maar we gaan die brieven niet langer sturen’, zegt Hilde Crevits. ‘Ik ben akkoord met de sanctie, maar de brief was onpersoonlijk en kwam soms terecht bij ouders wiens kind langdurig ziek was. Het is pure overlast, weg ermee.’ Ze gaat daarmee in op de vraag van het Agentschap voor Onderwijsdiensten (Agodi).

Ook al noemen sommige directeurs de waarschuwingsbrief een handige laatste stap, toch vinden de meesten het niet erg dat die verdwijnt. ‘De scholen en de centra voor leerlingenbegeleiding doen al heel veel om spijbelende leerlingen weer op de schoolbanken te krijgen. Een brief uit Brussel is geen grote meerwaarde’, zegt Hilde Van Beveren, coördinerend directeur van het stedelijk onderwijs in Gent.


Dubbele domicilie bij kinderen in co-ouderschap

Deredactie.be – 18 maart 2015

Vlaams parlementslid Caroline Gennez (SP.A) wil dat kinderen die onder het regime van co-ouderschap leven bij beide ouders gedomicilieerd kunnen worden. Als gescheiden ouders nu voor co-ouderschap kiezen, kan het kind maar bij één van de ouders gedomicilieerd worden. De andere ouder en het kind mislopen hierdoor een aantal voordelen die gekoppeld zijn aan het vaste adres.
beluister

“Co-oudergezinnen waar de kinderen niet gedomicilieerd zijn, hebben slechts recht op het basispakket water, gas of elektriciteit voor 1 persoon”, klaagt Gennez, “en sommige forfaitaire belastingen zijn zelfs discriminerend”. Daarbij doelt de politica bijvoorbeeld op de onroerende voorheffing. “Waarom houdt men daarbij geen rekening met het werkelijke aantal mensen dat samenwoont?”

Gennez is er ook niet over te spreken dat de kinderen zelf niet dezelfde voordelen krijgen bij beide ouders. “Kinderen in co-ouderschap komen vaak niet in aanmerking voor kortingen die gemeenten geven aan hun inwoners: bibliotheek, speelpleinwerking, vakantiekampen, het zwembad…” Daarom pleit Gennez dus voor de mogelijkheid om kinderen bij beide ouders te laten domiciliëren. Op die manier zijn ze eventueel in twee gemeenten ingeschreven en kunnen ze op beide plaatsen van alle voordelen genieten.
Kritiek

CD&V-Kamerlid Sonja Becq erkent dat er nadelen zijn aan de huidige regeling, maar ze is ook kritisch voor het voorstel van Gennez. “Aan een dubbele domicilie zijn gevolgen verbonden, bijvoorbeeld voor de kinderbijslag en de fiscale aftrekken. En de vraag is of je dat recht twee keer gaat toekennen.” En daar zit inderdaad een angel, niet alleen gevolgen heeft voor de gezinnen, maar ook onder andere voor de overheden die hierdoor minder belastingen zouden binnenkrijgen.

Daarom heeft CD&V een minder verregaand voorstel, voor een lokaal verblijfsregister, “waardoor de voordelen die aan een verblijf gekoppeld worden – zeker lokaal – toegekend worden”, lichtte Becq toe in “Hautekiet’ op Radio 1.
Zwembad

Becq geeft het voorbeeld van tarieven bij zwembaden waar kinderen die in de gemeente gedomicilieerd zijn minder moeten betalen dan kinderen uit een andere gemeente. Kinderen waarvan de ouders in verschillende gemeenten wonen, moeten nu soms meer betalen als ze gaan zwemmen in de gemeente van de ouder waar ze niet gedomicilieerd zijn. Door een verblijfsregister zouden ze kunnen bewijzen dat hun ouder in die gemeente woont en ze dus ook recht hebben een korting.

“Het is een vorm van dubbele domicilie maar dan louter voor de voordelen op lokaal vlak. Voor de kinderbijslag en de fiscale aftrek, bijvoorbeeld voor de hypotheek, is het niet zo eenvoudig te regelen. Maar dit zou een eerste stap kunnen zijn”, besluit Becq.
Kinderbijslag

Gennez kan zich wel vinden in zo’n verblijfsregister, als eerste stap. Maar in de resolutie die de SP.A volgende week indient bij het Vlaams Parlement en de Kamer, willen de socialisten dus nog verder gaan. Zo denkt Gennez aan een maatregel die het mogelijk maakt om de kinderbijslag te verdelen over de bankrekeningen van beide ouders in co-ouderschap.

“Dat is nu al goed geregeld, met drie mogelijkheden: ofwel komt het toe aan de moeder, je kan in overleg ook overeenkomen dat de vader de kinderbijslag uitbetaald krijgt, of je kan in een ouderschapsbijeenkomst overeenkomen dat de bijslag op een apart kinderrekening wordt gestort.”

“Maar sommige ouders zeggen mij dat ze goed overeenkomen en willen dat het bedrag gewoon opgesplitst wordt en op de rekeningen van beide ouders wordt gestort. Daardoor is de rompslomp van een extra rekening niet meer nodig.”


 

Radio1 Hautekiet – 17 maart 2015

Eén gezin, één adres. Maar wat als het misloopt en het gezin opsplitst? Vader en moeder leven gescheiden en voor de kinderen wordt een regeling uitgedacht. Maar hoe evenwichtig die regeling ook is, de kinderen zullen altijd maar op een adres ingeschreven zijn.
Heb jij ervaring met co-ouderschap en zou jij een dubbele domicilie voor je kind wel zien zitten? Moet de wetgeving op andere vlakken aangepast worden aan de realiteit van co-ouderschap of nieuw samengestelde gezinnen?


Geen verplichte godsdienstles of zedenleer meer

De Standaard – 12 maart 2015

Ouders die niet willen dat hun kind godsdienstles of zedenleer krijgt, kunnen dat voortaan simpelweg weigeren. Dat heeft het Grondwettelijk Hof donderdagmiddag beslist.

Het waren Brusselse ouders die een jaar geleden het probleem van verplichte lessen godsdienst of zedenleer aanklaagden. Volgens hen kunnen we in België gerust spreken van het schenden van godsdienstvrijheid in onze scholen. Een kind kan niet gedwongen worden om urenlang naar een geloofsovertuiging te luisteren, vinden ze.

Het Grondwettelijk Hof heeft hen vandaag gelijk gegeven: voortaan is het verboden voor Belgische scholen om kinderen te dwingen godsdienstles of zedenleer te volgen.

Charlie Hebdo

Na de aanslag op de redactie van het satirische blad Charlie Hebdo in Parijs barstte het debat over godsdienstlessen los in Wallonië. MR toonde zich de afgelopen weken voorstander van de totale afschaffing van godsdienstlessen. In plaats daarvan stelt MR voor om lessen filosofie te geven of lessen die de culturele geschiedenis van godsdiensten blootleggen.

In Vlaamse scholen kunnen ouders al enige tijd zulke lessen weigeren. Een vervangingsles is er evenwel zelden. De kinderen worden vriendelijk verzocht om zich tijdens de lessen godsdienst of zedenleer ‘in stilte bezig te houden’.


Gezinsgerichte vader is ook een trouwe werknemer

Express.be – 11 maart 2015

Vaders die zich intensiever toespitsen op de opvoeding van hun kinderen, getuigen ook van een grotere jobtevredenheid en worden tevens minder snel geconfronteerd met conflicten tussen de professionele carrière en het persoonlijke leven. Dat is gebleken uit een studie van wetenschappers aan de Northeastern University en de University of Massachusetts, die meer dan duizend Amerikaanse vaders ondervroegen over de relatie tussen werk en gezin.

Ook bedrijven genieten volgens de onderzoekers echter voordelen van betrokken vaders, die immers positiever naar de wederzijdse impact tussen werk en gezin kijken en minder snel geneigd zijn om een ontslag te overwegen.

Hinderpalen

“De betrokkenheid bij de opvoeding van de kinderen heeft op de vaders duidelijk een positieve invloed,” zegt onderzoeksleider Jamie Ladge, professor management aan de Northeastern University.

“Betrokken vaders blijken zich in het algemeen immers gelukkiger te voelen, waardoor ze ook in hun functie als werknemer een grotere tevredenheid laten optekenen, wat ook significante voordelen heeft voor de onderneming.”

De onderzoekers stelden ook vast dat een aantal vaders aangeeft naar een grotere betrokkenheid bij de opvoeding van hun kinderen te streven, maar te beseffen dat die idealen door een aantal organisatorische hinderpalen worden afgeremd.

Organisatie-man

De onderzoekers stelden wel vast dat de betrokken vaders zich minder met hun professionele carrière identificeerden, wat volgens Jamie Ladge aangeeft dat deze groep zijn carrière door de verantwoordelijkheden in het gezin minder centraal stelt.

“Die negatieve relatie tussen de carrière-identiteit en de betrokkenheid bij het gezin kan echter grotendeels worden opgevangen indien het management op de werkvloer de nodige ondersteuning voorziet,” aldus het rapport.

“Deze vaststelling kan duidelijk maken dat de organisatie-man een concept van het verleden is en de betrokkenheid van de vader in de opvoeding een wapen kan vormen tegen voorbijgestreefde gender-verschillen.”

“Bedrijven moeten dan ook aanvaarden dat vaders niet mogen vastgepind worden op idealen die zijn gebaseerd op verouderde gender-normen en organisatie-verwachtingen,” benadrukt professor Ladge. “Vele vaders willen meer zijn dan een traditionele organisatie-man. Daarbij moeten echter ook zij streven naar een goed evenwicht tussen een productieve professionele loopbaan en een zinvol persoonlijk leven.


CD&V wil verplicht geboorteverlof voor vader

De Standaard – 7 maart 2015

Om de ‘zorgkloof’ in gezinnen te verkleinen, dient CD&V een wetsvoorstel in dat vaders en meeouders verplicht om hun geboorteverlof op te nemen. Dat moet ook eventuele druk op werknemers wegnemen.
Het zogeheten ‘vaderschapsverlof’ is goed ingeburgerd in ons land, maar toch maakt een substantieel deel van de vaders en meeouders geen gebruik van het recht. Dat stellen kamerleden Els Van Hoof, Sonja Becq en Nahima Lanjri (allen CD&V) vast en wordt gestaafd door een enquête van het Instituut voor de Gelijkheid van Vrouwen en Mannen (IGVM). Het Instituut ondervroeg in 2010 ruim achthonderd vaders, een op de vijf bleek toen helemaal géén geboorteverlof op te nemen. Tel daarbij de vaders op die slechts enkele dagen thuisblijven, en je komt aan bijna 45 procent.

Elke vader of meeouder heeft recht op tien dagen geboorte­verlof. De eerste drie dagen worden volledig uitbetaald door de werkgever, voor de volgende zeven dagen ontvang je van het Riziv een uitkering die 82 procent van het brutoloon bedraagt.

‘Als reden voor de on(der)benutting van het recht op tien dagen vaderschapsverlof, geeft men meestal “het werk”, of “de werkgever” op’, verduidelijkt Van Hoof. ‘Vaders en meeouders hebben schrik voor negatieve reacties, denken dat hun werkgever het verlof zal weigeren, stappen mee in de traditie van het bedrijf dat er gewoon wordt doorgewerkt, vrezen ook mooie promotiekansen of hun job te verliezen.’

Dat laatste zou nochtans niet mogen: wie gebruikt maakt van het geboorteverlof, is sinds 2011 beschermd tegen ontslag.

Sneller naar huis

De christendemocraten willen het verlof in de toekomst verplichten, om mogelijk te maken dat vaders en meeouders evenveel zorgtaken in het gezin kunnen opnemen, en om te beletten dat er druk wordt uitgeoefend op werknemers om het niet op te nemen. ‘De tijd is er rijp voor’, zegt Van Hoof. ‘Al in 2008 bleek uit de hoorzittingen in de Senaat omtrent thematische verloven dat een verplichting ­privé leidt tot meer gelijkheid, en dat ze jobchantage kan vermijden.’


Jonger kind socialer, maar agressiever dan grote broer of zus

Het Belang van Limburg – 6 maart 2015

Tweede kinderen in een gezin zijn vaak socialer dan hun grote broer of zus. Ze delen meer, zijn gehoorzamer en kunnen zich beter in een ander verplaatsen. Dat blijkt volgens sociaal wetenschapper Sheila van Berkel, die volgende week aan de Universiteit Leiden promoveert op dit onderwerp. Er zijn volgens haar verschillende redenen voor de verschillen in gedrag tussen oudste en jongste broers en zussen.
Jongste kinderen hebben interactie met hun broer of zus en kunnen gedrag van hen afkijken. Ook hebben ouders al ervaring met opvoeden wanneer hun jongere kind ter wereld komt, waardoor ze mogelijk meer aandacht besteden aan de sociale ontwikkeling van de jongste. Ook kijken jongste kinderen hoe de oudere kinderen en de ouders met elkaar omgaan.

De onderzoekster bezocht vier jaar lang 390 gezinnen met twee kinderen. Aan het begin van het onderzoek waren de oudste kinderen drie en de jongste één jaar oud.

De jongere broers en zussen zijn dan misschien socialer dan hun oudere broers of zussen: ze zijn ook wat agressiever en opstandiger, zo ontdekte Van Berkel. ‘Waarschijnlijk omdat ze tegen hun oudere broer of zus moeten opboksen en op deze manier aandacht van hun ouders vragen.’

Deze bevindingen gelden voor zowel oudste als jongste jongens én meisjes. Waar wel een verschil in zit, is in de impulsiviteit van meisjes met een oudere broer. Zij waren op hun derde minder impulsief dan hun oudere broers toen die drie waren, aldus Van Berkel.

In gezinnen met alleen meisjes of alleen jongens kan imitatie een grotere rol spelen dan in gezinnen met een meisje en een jongen. Maar bij twee kinderen van hetzelfde geslacht komt het ook eerder voor dat zij zich van elkaar willen onderscheiden.


Ouderverstoting: wat als je kind je niet meer wil zien?

Humo – 3 maart 2015

Op haar 12de koos Amber ervoor om bij haar vader te wonen. Twee jaar lang verbrak ze alle contact met haar moeder: ‘Mijn vader hamerde er zó hard op dat mijn moeder slecht was dat ik het ging geloven. Ik ging mijn moeder haten.’ Het is een duidelijk geval van ouderverstoting, een term die weer druk over de tong gaat, sinds een rechter vorige week een 13-jarig meisje uit Veurne in een instelling plaatste omdat ze halsstarrig weigert haar vader te zien. Of die plaatsing de band tussen vader en dochter zal herstellen, valt nog af te wachten. Intussen duikt Humo in de emotionele ravage die ouderverstoting aanricht.

‘Mijn ouders zijn gescheiden toen ik 6 maanden oud was,’ vertelt de nu 17-jarige Amber (*). ‘Tot mijn 12de heb ik bij mijn moeder gewoond. Nadien ben ik bij mijn vader en mijn stiefmoeder gaan wonen. Daar werd alleen maar kwaadgesproken over mijn moeder. Dat ze niet met me inzat, dat het haar alleen om geld te doen was, dat ze me niet eens miste. Als kind van 12 geloof je dat, als ze je het maar vaak genoeg vertellen. Ik verbrak alle contact met mijn moeder. Ik ging haar haten. Twee jaar lang zag of hoorde ik haar niet. Het waren twee ellendige jaren. Ik voelde dat ik iets miste. Dat ik háár miste. Na twee jaar wilde ik haar graag weer zien, maar ik was bang voor de reactie van mijn vader en mijn stiefmoeder. Ik durfde ook geen contact meer op te nemen omdat ik wist hoeveel pijn ik haar had gedaan. Ik lag heel erg met mezelf in de knoop. Ik had het gevoel dat ik mijn ouders allebei teleurstelde. Als ik de ene blij maakte, was de ander weer boos en verdrietig. Intussen zie ik mijn moeder weer, gelukkig maar. Het gaat beter dan ooit tussen ons. We praten niet over wat er allemaal gebeurd is, dat is te moeilijk. Maar ik weet zeker dat ik haar nooit meer wil verlaten.’

Naar de instelling

Vorige woensdag werd de 13-jarige L. uit Veurne van school opgehaald door de politie. Ze brachten haar naar het observatiecentrum De Zandberg in Varsenare, waar ze zes maanden moet verblijven. De maatregel is het voorlopige dieptepunt in een lange juridische strijd tussen haar ouders. Sinds haar vader en moeder vier jaar geleden in een vechtscheiding verzeild raakten, weigert het meisje bij haar vader op bezoek te gaan. Een echte uitleg heeft ze daar niet voor: ze wil hem gewoon niet zien. Volgens de moeder van het meisje is de band tussen dochter en vader nooit hecht geweest. Volgens de vader is er meer aan de hand en wordt het meisje gemanipuleerd door haar moeder. Het meisje zélf probeerde de plaatsing tegen te houden met een emotionele brief aan de rechter, haar moeder organiseerde een protestmars, maar het meisje werd toch geplaatst. Het is heel uitzonderlijk dat het gerecht in een vechtscheiding een dergelijke maatregel oplegt en er de term ‘ouderverstoting’ aan vastknoopt.

Weinig therapeuten zijn onderlegd in het fenomeen van ouderverstoting. Omdat het zo’n beladen term is en er zo veel discussie over bestaat, durven veel hulpverleners het woord niet eens uit te spreken. Benoît Van Dieren is een uitzondering: als familietherapeut en -bemiddelaar roept de rechtbank van Dinant zijn hulp in als een vechtscheiding in ouderverstoting dreigt uit te monden. Of zoals hij het zelf liever verwoordt: ‘Als de band met één van de ouders verloren dreigt te gaan.’
Benoît Van Dieren «Ik heb het ook liever niet over een syndroom, zoals de Amerikaanse term parental alienation syndrom suggereert. In mijn ogen gaat het eerder over een proces. Het is met name een proces dat vooral voorkomt bij een vechtscheiding, als het kind zich heel sterk allieert met één ouder, terwijl het afstand neemt van de andere ouder of die zelfs helemaal verstoot. Doorgaans speelt de ouder met wie het kind een sterke band heeft, een rol in de verstoting, maar – en dat wil ik toch benadrukken – dat is niet noodzakelijk zo. Het is een proces met verschillende actoren: de vader, de moeder, het kind. Daarbij komen nog eens invloeden van buitenaf: familie, buren, nieuwe partners, scheidingsadvocaten, noem maar op. Het kan ook best zijn dat de ouder die het kind voor zich probeert te winnen om wraak te nemen op de ander, niet in zijn of haar opzet slaagt. Dat het kind zich tegen die manipulatie verzet.

»Vaak zijn het de vaders die worden verstoten, al wil dat niet zeggen dat moeders beter zijn in manipulatie. Veel heeft te maken met de verblijfsregeling: aangezien de meeste kinderen na een scheiding het vaakst bij hun moeder verblijven, heeft zij meer invloed en kan ze dus ook makkelijker een alliantie aangaan. Tegenwoordig zien we na een scheiding ook steeds meer vaders de zorgtaken op zich nemen. Bij co-ouderschap, bijvoorbeeld. Gevolg is dat we ook meer allianties zien tussen kinderen en hun vader, waarbij de moeder wordt verstoten.»

Specifieke cijfers over ouderverstoting bestaan niet voor ons land, omdat er nog geen onderzoek naar werd gedaan. Wel ging Scheiding in Vlaanderen na hoeveel kinderen er na een scheiding het contact verliezen met één van beide ouders. Uit navraag bij de kinderen zelf (ouder dan 10 jaar) bleek dat 1,1 procent van alle kinderen het contact verliest met de moeder en 11 procent met de vader. Als er geen contact meer is met één ouder, dan geeft het kind meestal aan zélf die keuze gemaakt te hebben.

Dat is precies één van de kenmerken van ouderverstoting, lezen we in de literatuur over het fenomeen: dat het kind zegt dat het niet wordt gemanipuleerd. Andere kenmerken zijn dat het kind elke nuance verliest en alleen nog maar negatieve dingen ziet van de ouder die het afstoot. En meestal breidt de vijandigheid zich uit naar grootouders, tantes, neefjes en nichtjes, met wie het kind vroeger wel een goede band had.

Benoît Van Dieren onderscheidt verschillende gradaties van ouderverstoting.
Van Dieren «Er zijn kinderen die geen zin hebben om naar één van de ouders te gaan, maar het toch doen. Er zijn andere kinderen die de andere ouder wel blijven bezoeken, maar duidelijk hun tegenzin laten blijken: ‘Ik wil niet naar jou.’ In de ergste gevallen is er een duidelijke verstoting, met verbaal en zelfs fysiek geweld. Dat zijn de kinderen die de bezoeken eigenhandig saboteren en zelfs dingen gaan vernielen. Zo ken ik een meisje van 5 dat overal in het appartement van de ene ouder kaka deed. Van die extreme gevallen zijn er gelukkig niet zo veel.»

Blauwe plekken

Over termen en cijfers kan er dan wel gediscussieerd worden; zeker is dat de emotionele ravage enorm kan zijn als een kind één van zijn ouders verstoot. Voor de verstoten ouder, maar zeker ook voor het kind.

HUMO Waarom ben je op je 12de bij je vader gaan wonen, Amber?
Amber «Ik had als kind een goeie band met mijn vader. Ik woonde bij mijn moeder, maar mijn vader kwam me elke week ophalen, en dan deden we iets leuks. Bij mijn moeder voelde ik me minder goed. Mama was vaak moe en chagrijnig – achteraf heb ik begrepen dat ze in een depressie zat. Ik maakte veel ruzie met mijn oudere broer, die zei dat mijn vader een profiteur was die mijn moeder liet opdraaien voor alle kosten van onze opvoeding. Mijn broer ging zelf papa over me spelen, maar daar verzette ik me tegen.
»Op mijn 10de heb ik een ruzie gehoord tussen mijn vader en mijn moeder. Ik was een heel nieuwsgierig kind en luisterde hun telefoongesprek af via de tweede huistelefoon. Daar ben ik heel erg van geschrokken. Het was één gescheld en geschreeuw, vooral over geld. Ik heb hen nooit verteld dat ik die ruzie gehoord heb, maar ik ben heel lang boos geweest, op allebei. Het contact met mijn moeder werd alsmaar slechter. Op mijn 12de was ik het gekibbel thuis zo beu dat ik bij mijn vader ben gaan wonen.»

HUMO Had je het gevoel dat je door je vader tegen je moeder werd opgezet?
Amber «Dat heb je als kind van 12 niet door, hoor. Het was vooral mijn stiefmoeder die veel kwaadsprak over mijn moeder. Mijn vader zweeg meestal, maar hij ontkende ook niks van wat mijn stiefmoeder vertelde. Ik had veel blauwe plekken op mijn lijf, van het vallen tijdens het paardrijden en het turnen. Ze maakten me wijs dat dat kwam omdat ik door mijn moeder was mishandeld als kind. Ik herinnerde me daar niks van, maar toch ging ik hen geloven. Ik heb zelfs op het punt gestaan om aangifte te doen bij de politie. Uiteindelijk begon ik toch te twijfelen of het wel echt waar was, en heb ik het niet gedaan.
»Hoe langer ik bij mijn vader bleef, hoe meer ik mijn moeder ging haten. Ik wilde geen contact, ik vond dat ze haar best niet deed voor mij. In mijn ogen kon ze niks goeds meer doen. Als ze een sms’je stuurde om te vragen hoe het met me ging, dan vond ik dat alleen maar irritant en wiste ik dat meteen. Brieven gooide ik ongeopend weg – ik herkende haar handschrift. Als ze me geld bezorgde, dacht ik dat ze me wilde omkopen, en stuurde ik het terug. Ik heb haar ook een lange brief vol verwijten gestuurd. Ik wilde helemaal niks van haar, alleen dat ze me met rust liet. Mijn vader en mijn stiefmoeder speelden daarop in. Dat mijn moeder geen rechtszaak had ingespannen om me terug te krijgen, was toch het bewijs dat ze helemaal geen moeite voor me wilde doen? Ik geloofde hen, en werd nog bozer op mijn moeder. Tegelijk deed het veel pijn.»

HUMO Na twee jaar wilde je toch weer contact met je moeder. Vanwaar die ommekeer?
Amber «Bij mijn vader thuis waren er ook veel spanningen. Ik voelde me slecht in mijn vel, ik zonderde me af en ging altijd naar mijn paarden. Mijn oma vertelde me dat mijn moeder depressief was. Toen ik dat hoorde, brak er iets in me en heb ik contact met haar opgenomen. Ik durfde het niet te vertellen aan mijn vader, bang dat ik hem zou teleurstellen. Een tijdlang hadden we stiekem contact. Op een avond zat ik naast mijn vader in de zetel en kreeg ik telefoon van haar. Toen heb ik het hem verteld. Ik heb het contact met mijn moeder nadien nog een paar keer verbroken. Omdat mijn vader dan zei: ‘Misschien word je weer gekwetst.’ Daardoor ging ik twijfelen en verbrak ik het contact weer. Vier keer is het zo gegaan. Tegelijk had ik een enorm schuldgevoel tegenover mijn moeder. Ik besefte dat ik haar veel verdriet deed. Ik was ook heel boos op mezelf, omdat ik toeliet dat mijn ouders zoveel ‘macht’ over me hadden. Dan ging ik paardrijden, weg van iedereen.»

Tijdens de week verblijft Amber vandaag in een open jeugdinstelling. Daar heeft ze zelf voor gekozen, om aan zichzelf te kunnen werken. In het weekend gaat ze naar huis, dat is tegenwoordig bij haar moeder.
Amber «We zien elkaar nu heel vaak. Vertrouwen zijn we nog altijd aan het opbouwen. Mijn vader zie ik al een tijd niet meer, hoewel ik dat wel graag zou willen. Hij is boos omdat ik mijn moeder weer zie. Als ik 18 ben, ga ik alleen wonen in een eigen huisje. Dat is mijn grote droom.»

HUMO Wat vind je van de oplossing die de rechter voor dat 13-jarige meisje uit Veurne naar voren schoof, om haar zes maanden in een instelling te plaatsen?
Amber «Ik weet niet of dat een goed idee is. Ik heb zelf op een bepaald moment een paar weken in een instelling gezeten, maar dat was geen maatregel die was opgelegd door de rechter. Het was een soort crisisopvang, die bij mij als enige effect had dat ik boos werd op mijn béíde ouders.»

Therapeut Benoît Van Dieren beschouwt zo’n plaatsing als een laatste redmiddel.
Van Dieren «Staat het kind er voldoende voor open, dan brengt een verblijf in een neutrale instelling, weg van vader en moeder, misschien soelaas. Je moet wel opletten: voor kinderen die al wat ouder zijn – dan bedoel ik tieners van 14, 15, 16 jaar – werkt zo’n plaatsing doorgaans niet meer. 13 lijkt me net op het randje, afhankelijk natuurlijk van de persoonlijkheid van het kind – sommige kinderen hebben een erg sterk karakter en houden koste wat kost vast aan hun mening. Bovendien bestaat de kans dat het kind zo’n plaatsing als een vreselijk onrecht opvat. Dan voelt het zich nog méér slachtoffer – van de situatie én van het juridische systeem – en wordt het nog opstandiger. Het meisje in Veurne ervaart de plaatsing nu ook als een straf, maar dat wil nog niet zeggen dat het niet kan werken. Ze zal de kans moeten krijgen om zich aan te passen aan de nieuwe situatie. Pas na een tijdje zal men kunnen nagaan of haar gedrag verandert, of ze misschien zaken gaat inzien: ‘Nu besef ik pas dat mijn vader geen monster is.’»

HUMO Volgens internationaal onderzoek zou de band met de verstoten ouder in 40 procent van de gevallen weer worden hersteld, meestal als de kinderen al lang volwassen zijn.
Van Dieren «Daar heb ik geen zicht op, maar ouderverstoting is niet onherroepelijk – op voorwaarde dat de juiste stappen, onder goede begeleiding, worden gezet.»

Geen mama meer

Petra Van Den Hoeck (48) werd zes jaar geleden verstoten door haar 14-jarige zoon Bas (*). Na een ruzie over stofzuigen liep hij het huis uit en ging hij bij zijn vader wonen. Met zijn moeder wilde hij nauwelijks nog iets te maken hebben. ‘Het waren vier verschrikkelijke jaren,’ vertelt ze. ‘Van de ene dag op de andere ben je geen mama meer. De breuk was heel plots. ’s Morgens zat hij nog op mijn schoot voor een knuffel, een paar uur later was ik door en door slecht en wilde hij me niet meer zien of spreken. Sinds twee jaar is het contact hersteld, maar het is nog fragiel. We hebben nog niet gepraat over wat er in die jaren is gebeurd. Dat hoeft voor mij ook niet per se. Als hij daar zelf behoefte aan heeft, zullen we dat wel doen.’

Van Den Hoeck heeft een nieuwe missie in het leven. Samen met enkele lotgenoten, advocaten en psychotherapeuten richtte ze de vzw Huis van Hereniging op, een centrum waar vervreemde kinderen en ouders herenigd kunnen worden.
Petra Van Den Hoeck «In België bestaat er geen gespecialiseerde hulp voor deze problematiek. Tijdens mijn opzoekingen stootte ik op een Canadees centrum dat met het Family Reflection Reunification Program een hoog slaagpercentage bereikte. We willen een soortgelijk centrum
voor herenigingstherapie in België uitbouwen. Het project staat nog in de kinderschoenen. We hebben al een locatie, een prachtig domein in Houwaart, en de steun van psychotherapeuten. Nu zijn we op zoek naar fondsen en hebben we de Universiteit van Antwerpen aangesproken om meer onderzoek te doen naar het fenomeen van ouderverstoting. In mei organiseren we een tweedaags internationaal congres over ouderverstoting in het federale parlement. We willen vooral af van het beeld van de hysterische ouder die zijn of haar kind niet meer ziet, en die de andere ouder voortdurend zit te beschuldigen, en vice versa. Dat is iets wat ik heb geleerd in de jaren dat ik mijn zoon heb moeten missen: dat je met wederzijdse beschuldigingen niks bereikt.»

HUMO Je zoon is bij je weggegaan toen hij 14 was. Hoe waren de jaren voordien?
Van Den Hoeck «Ik ben getrouwd met de papa van Bas toen ik 28 was, en hoogzwanger. Ik ben thuis bevallen. Het moment dat ze mijn pasgeboren baby aan mij gaven, zal ik nooit vergeten. Hij keek met zijn grote blauwe ogen naar mij, met een heel intense blik. Je wordt echt verliefd op je kind.
»Bas was 4 jaar toen zijn vader en ik uit elkaar gingen. We waren te verschillend: hij was heel gesloten en rationeel, ik heel extravert en emotioneel. Er is veel misgelopen in die relatie, en daar hadden we allebei ons aandeel in. De communicatie verliep stroef, we maakten veel ruzie. Ik ben degene die thuis vertrokken is. De papa van Bas was toen heel kwaad op mij. Hij zei letterlijk: ‘Ik ga je je zoon afnemen.’ Ik kon dat niet geloven. Ik ging ervan uit dat je, ook als je uit elkaar ging, samen ouder bleef van je kind.
»Tien jaar lang hebben we co-ouderschap gehad: Bas bleef de ene week bij mij, de andere bij zijn vader. We hadden dat onder ons geregeld, met een bemiddelaar. Dat verliep niet vlekkeloos, maar we deden allebei ons best. Mijn ex stond erop dat Bas op zijn adres ingeschreven bleef. Ik heb dat aanvaard, net zoals ik er nooit een probleem van maakte als vakanties of weekends verplaatst moesten worden, omdat ik de rust voor Bas het belangrijkste vond. Mijn advocaat zei later dat ik veel te inschikkelijk was geweest. Pas toen we al twee jaar uit elkaar waren, zijn we aan de echtscheidingsprocedure begonnen. Toen zijn de wrijvingen veel erger geworden, vooral omdat we het niet eens raakten over de verdeling van de centen en het huis dat we samen gekocht hadden. We kwamen er niet uit.»

HUMO Had je de indruk dat Bas tegen jou werd opgezet?
Van Den Hoeck «Op dat moment zag ik dat niet. Achteraf heb ik wel aan een paar dingen gedacht. Als Bas bij mij kwam, was hij de eerste uren altijd heel gespannen. Pas na een dag of twee liep hij vrolijk door het huis te fluiten. Toen hij 9 jaar was, heeft hij eens tegen mijn moeder verteld dat de ouders van mijn ex-man lelijke dingen hadden gezegd over mij. Dat ik hem niet graag zag, dat ik alleen maar in geld geïnteresseerd was… Ik heb mijn ex daarover aangesproken, en die reageerde: ‘Dat wil ik niet.’ Ik geloofde hem toen wel. Ik denk dat de papa van Bas nooit bewust kwaad over mij heeft gesproken, maar hij manipuleerde wel op andere manieren, zodat Bas altijd deed wat hij zei. Als wij aan de telefoon ruzie over hem hadden, dan zette hij de speaker aan, zodat Bas alles kon horen wat we zeiden. Ik vind dat je een kind niet moet betrekken in ruzies tussen zijn ouders.»

HUMO Waarover gingen die?
Van den Hoeck «Vooral over de opvoeding. Daar hadden we een heel verschillende kijk op. Met de fiets of met de trein naar school gaan, bijvoorbeeld. Ik vond dat hij wel met de fiets kon gaan, vooral omdat hij er zelf weken over gezeurd had. Ik had hem geleerd om op een veilige manier te rijden, via het jaagpad langs de rivier. Maar zijn vader vond het onverantwoord en bracht de kwestie voor het vredegerecht. De vrederechter zag er geen probleem in om hem met de fiets te laten gaan, maar van dan af was het altijd een gevecht om Bas op die fiets te krijgen, hij wilde gewoon niet meer. Zo moest ik altijd ‘de kwaaie’ spelen.
»Er kwam ruzie over alles: over de studierichting die Bas zou volgen, over de school waar hij zou zitten, of hij al dan niet op internaat zou gaan… Als ik met hem de ene week iets had afgesproken, was hij na een week bij zijn papa van idee veranderd. Ik voelde dat Bas veel meer naar zijn pa neigde. Hij was al van kleins af een vaderskindje geweest. Als ik hem na de breuk duidelijk probeerde te maken dat ik hem graag zag, geloofde hij me niet meer.

»De bom is gebarsten toen hij op een dag moest stofzuigen. Ik gaf hem een standje omdat hij er met zijn pet naar gooide. Hij liep het huis uit en is naar zijn pa gegaan. Dezelfde avond is zijn vader met hem naar de politie getrokken om te laten vaststellen dat Bas niet meer bij mij wilde wonen. Vijf jaar lang hebben we nauwelijks contact gehad. In zijn ogen kon ik niks goeds meer doen. Als ik hem, na maanden zonder contact, vroeg om eens af te spreken, zei hij dat hij geen tijd had. ‘Nee, ook niet in de kerstvakantie, mama. Ik heb het te druk.’
»De haat van je kind voelen is ondraaglijk. Het verdriet is onbeschrijfelijk. De schaamte ook. Als je vertelt dat je je zoon al zo lang niet meer gezien hebt, zie je de mensen direct denken: ‘Wat voor een slechte moeder moet je dan niet zijn?’ Ondertussen had zijn vader een rechtszaak aangespannen om het volledige hoederecht te krijgen. Weet je hoe verwoestend het is om door de advocaat van de tegenpartij te worden bestempeld als een ongeïnteresseerde moeder?

»Wat ik níét gedaan heb, is op mijn buik gaan liggen om hem toch maar te zien. Als verstoten ouder heb je de neiging om alles toe te geven wat een kind vraagt, om de dingen niet erger te maken. Dat heb ik nooit gedaan, want ik had snel door dat alles wat je doet tegen jou wordt gebruikt. Zoek je veel contact, dan ben je een stalker. Zoek je weinig contact, dan ben je niet geïnteresseerd. Het is nooit goed.
»In 2012 hebben Bas en ik elkaar nog een paar keer gezien, in het bijzijn van een bemiddelaar van de rechtbank. Dat is zo slecht verlopen dat ik toen gezegd heb dat ik hem zou laten gaan, en niet meer zou vechten om hem nog te zien. Hij zou altijd welkom zijn, maar alleen als hij naar mij kwam omdat hij me miste en als hij respect voor me toonde. Als hij zelf niet wilde, hoefde hij niet meer te komen, want ik ging eraan kapot. Ik vond het minder pijnlijk om hem helemaal niet meer te zien.»

Ijsjes eten

Benoît Van Dieren vindt de oprichting van het Huis van Hereniging een waardevol initiatief.

HUMO Wat doet u als u geconfronteerd wordt met een situatie waarbij een kind z’n ouder dreigt te verstoten?
Van Dieren «Ik heb het in elk geval niet meteen over ouderverstoting.
»Ik wijs de ouders op het risico dat het kind de band met één van hen dreigt te verliezen. Zijn allebei de ouders het erover eens dat er een probleem is, dan kunnen ze ook allebei bijdragen aan de oplossing. Dat doe ik door de zorgouder te vragen om zijn of haar verantwoordelijkheid en liefde voor het kind te gebruiken om ervoor te zorgen dat er een zo goed mogelijke band ontstaat met beide ouders – noem het positieve manipulatie of motivatie. Je zou ervan versteld staan hoe vaak die aanpak ervoor zorgt dat de zorgouder zelf met een voorstel komt. Ik ken zelfs een ex-koppel met twee zonen, waarbij de jongens hun moeder al meer dan twee jaar niet meer hadden gezien. Ze was getrouwd met een andere man en die wilde de kinderen uit haar vorige huwelijk niet zien, waardoor ze de jongens alleen zag als ze hen ging ophalen van school en met hen een ijsje ging eten – zo kweek je natuurlijk geen band. De papa van de jongens was een heel toegewijde vader, die enorm begaan was met het welzijn van de jongens. Uiteindelijk was hij het die met een voorstel kwam: hij stelde zijn huis ter beschikking van zijn ex, zodat zij de band met haar zonen kon herstellen.»

HUMO Wat met de ouders die niet staan te springen om mee te werken?
Van Dieren «Is er geen evolutie of verhindert één van de ouders het proces, dan kan de rechter tot sancties overgaan. Dat kan gaan van een boete als het kind niet op gemaakte afspraken komt opdagen, tot zelfs een omkering van de verblijfsregeling. Maar dat is een delicate beslissing, waar erg grondig onderzoek aan moet voorafgaan. Het zou bijvoorbeeld ook kunnen dat de verstoting van de ouder door het kind niet geheel onterecht is.»

HUMO Een groot probleem voor verstoten ouders is dat de parketten hun klachten over niet-naleving van het omgangsrecht seponeren.
Van Dieren «Dat is nooit een goed idee. Als er niet meteen wordt gereageerd, wordt het conflict alleen maar erger.»

Vaderkloek

HUMO Op welke manier heb je weer contact met Bas gekregen, Petra?
Van Den Hoeck «Toen Bas 18 werd, heb ik hem een sms gestuurd. Om hem te feliciteren, en of ik hem eens mocht bellen. Het antwoord was: ‘Ja.’ Ik heb hem de volgende dag gebeld. Blij, zenuwachtig, gespannen. Sindsdien hebben we, stilletjesaan, opnieuw contact. Toen we elkaar een paar keer hadden gezien, zei Bas: ‘Mama, ik zou graag hebben dat het weer goed komt tussen ons, zoals vroeger.’ – ‘Dat is goed, jongen.’ We gaan niks overhaasten, dat zal wel komen.»

HUMO Hoe kijk je vandaag op die jaren van strijd terug?
Van Den Hoeck «Ik ben er erg door veranderd. Ik ben ontzettend kwaad geweest op mijn ex-man. Er waren momenten dat ik hem bijna had kunnen vermoorden. Maar door de situatie ben ik ook verplicht geweest om aan mezelf te werken, en ik heb een hele evolutie doorgemaakt. Ik heb aanvaard dat alles wat gebeurd is, nu eenmaal zo gelopen is. Ik heb de vader van Bas vergeven, en daardoor vergeef je ook jezelf. Want ik heb ook fouten gemaakt, ik heb mijn ex ook pijn gedaan.

»Achteraf zie ik ook scherper waarom de vader van Bas reageerde zoals hij deed. Toen ik ruzie met Bas had over dat stofzuigen, had zijn pa gewoon moeten zeggen: ‘Ga terug naar je mama en praat het uit.’ Maar mijn ex-man is een echte vaderkloek. Dus zei hij: ‘Blijf maar bij mij.’ Toen hij me voor het vredegerecht daagde omwille van die fiets, was dat niet per se om mij dwars te zitten, maar uit overbescherming van zijn kind. Hij is een controlefreak, heb ik ontdekt. Als hij niet zelf de beslissing nam, was het niet goed. Ook dat was een soort overbezorgdheid.

»Toen ik er middenin zat, was de behoefte bij mij heel groot om Bas ooit op een dag uit te leggen hoe de vork precies in de steel zat en wat de waarheid was. Maar wat is de waarheid? Iedereen heeft de zijne. Als Bas erover wil praten, wil ik dat wel, maar het is geen must om onze relatie voort te kunnen zetten. De papa van Bas en ik praten nu weer met elkaar. We hebben zelfs al eens samen aan de toog gezeten, na een boogschutterstoernooi waar onze zoon aan deelnam, en we hebben samen gelachen. Bas zei achteraf: ‘Dat was leuk, mama. Alsof al die dingen nooit gebeurd waren tussen jullie.»

(*) Dit zijn niet de echte namen van de kinderen.


Crevits opent jacht op de eeuwige student

De Morgen – 2 maart 2015

Een student die aan een Vlaamse universiteit buist voor zijn eerste jaar zal zich niet meer zomaar aan een andere universiteit of hogeschool kunnen inschrijven. Voortaan krijgen alle instellingen van het hoger onderwijs inzage in het studiesucces van jongeren. “Dit zal studenten aanzetten om sneller een meer geschikte opleiding te kiezen.”

Momenteel hebben hogescholen en universiteiten geen weet van het studiesucces van een student die van een andere instelling afkomstig is. Dankzij de nieuwe beslissing zullen de instellingen in een databank kunnen zien welke vakken de instromende student bij zijn oude universiteit of hogeschool heeft gevolgd en welke punten daarbij werden gehaald.

Bindende voorwaarden

“Dit is een zeer goede zaak”, zegt Didier Pollefeyt, vicerector onderwijs aan de KU Leuven en voorzitter van de werkgroep onderwijs binnen de Vlaamse Interuniversitaire Raad. “Studenten worden zo gedwongen om zich vroeger te heroriënteren naar een studie die wel bij hen past. Ze zullen ook beseffen dat als ze elders met dezelfde opleiding willen beginnen, die andere instelling hen ook strenge voorwaarden zal opleggen.”

De verwachting is dat studenten daardoor eerder een nieuwe opleiding zullen kiezen aan hun eerste universiteit of aan een hogeschool. “Dat wij hun studievoortgang zullen kunnen volgen, is een positieve evolutie”, zegt Johan Veeckman, directeur van de Arteveldehogeschool en voorzitter van de Vlaamse Hogescholenraad. “Het is logisch gezien de maatregelen die de instellingen gaan nemen.”

Amper 30 procent van de jongeren behaalt op tijd zijn bachelordiploma. Om dit cijfer te verhogen, grijpen de instellingen elk op een andere manier in. Leuvense eerstejaars moeten minstens 30 procent van de opgenomen studiepunten halen. Als ze daar niet in slagen, dan mogen ze zich het jaar erna niet voor dezelfde opleiding inschrijven. Aan de UGent moeten studenten aan het eind van hun tweede jaar tenminste 75 procent van de punten van het eerste jaar hebben behaald als ze hun opleiding willen voortzetten.

Als zulke studenten van instelling veranderen, krijgen ze bij de herstart voortaan de bindende voorwaarden van hun nieuwe universiteit of hogeschool opgelegd en kunnen ze deze niet, zoals nu het geval is, ontwijken. Zo zullen ze bijvoorbeeld worden verplicht om voor een bepaald aantal vakken te slagen of moeten ze studiebegeleiding volgen.

“Het is belangrijk om studenten te stimuleren meer studiesucces te boeken en eventueel sneller een meer geschikte opleiding te kiezen”, zegt Crevits. “Dit zal jongeren aanzetten om een goed doordachte studiekeuze te maken.”


Hoe ga je als ouder om met een kind dat wil gamen?

Het Belang van Limburg – 26 februari 2015

Kinderen tussen de drie en de tien jaar gamen gemiddeld veertig minuten per dag, een kwart van de driejarigen doet het zelfs elke dag, zo blijkt uit een Vlaams onderzoek door iMinds. Maar dat is niet noodzakelijk problematisch, want veel hangt af van hoe je als ouder omgaat met een kind dat graag games speelt. Professor communicatiewetenschappen Jan Van Looy van de Universiteit Gent geeft concreet advies: ‘je moet als ouder vooral ondersteunend zijn’

‘Je kan als ouder twee dingen doen’, zegt Van Looy. ‘Wees actief betrokken, ga bij je kind zitten, praat en leg uit waarom een bepaald spel goed of niet goed is voor hem. Dat heeft een positief effect op hoe het kind omgaat met games. Daarnaast moet je als ouder regels opleggen: dat spel mag, dat spel mag niet, je mag maar een half uurtje per dag, … Die regels hebben ook een positief effect op het kind’

Mag je games verbieden?

‘Dat is niet zo’n goed idee. Een kind identificeert zich met zijn hobby: het vindt die hobby leuk, zijn vriendjes doen het, … Als je als ouder dan zegt dat die hobby slecht is, voelt het kind zich afgewezen, de vertrouwensband is doorbroken. Dan is de kans groter dat het kind gaat rebelleren: stiekem spelen, bij iemand anders, …. Als je als ouder uitlegt waarom bepaalde games wel en niet mogen, creëer je een kader dat het kind ook zelf kan gaan toepassen. Als een kind begrijpt waarom iets niet mag, kan het zelf de juiste reflexen leren maken. wees dus betrokken, leg regels op, maar doe het op een vriendelijke manier’.

Hoe lang mag mijn kind gamen?

Intensief gebruik is niet altijd problematisch: een uur gamen is niet noodzakelijk prpblematischer dan een half uur gamen. Het wordt pas problematisch als het kind alsmaar meer wil gamen, alsmaar langer wil gamen, zijn vriendjes verwaarloost, zijn huiswerk niet meer wil maken, … Het is belangrijker te kijken hoe het kind ermee omgaat dan naar de tijd die het doorbrengt met zijn games’.

Hoe weet ik welke games geschikt zijn voor mijn kind?

Op elk spel staan de zogenaamde PEGI-ratings, een internationale standaard voor leeftijden. Er staan ook labels op: of er geweld in voorkomt, seksualiteit, … Die ratings zijn indicatief: het is niet zo omdat het vanaf zes jaar is, dat je kind van vijf het niet kan spelen. je kan als ouder zelf oordelen of je kind vooruit is op zijn leeftijd. Maar geef zeker nooit games voor volwassenen aan kleine kinderen.

Moet je als ouder het goede voorbeeld geven?

Uit onderzoek blijkt dat kinderen van ouders die gamen, zelf ook meer gamen. Kinderen kopiëren dat gedrag, er is een context waarin games als iets positiefs worden gezien. Of dat ook geldt voor ouders die constant op hun tablet tokkelen, daar heb ik geen bewijs van, maar ik zou denken van wel.


Eerste vluchthuis voor mannen

De Morgen – 26 februari 2015

Mannen die het slachtoffer zijn van extreem familiaal geweld kunnen vanaf volgende maand terecht in een vluchthuis in de regio rond Mechelen. Dergelijke geheime opvangplaatsen voor vrouwen bestaan al langer in ons land, maar voor mannen is het een primeur. Dat bericht De Morgen.

Vorig jaar was een op de tien vrouwen het slachtoffer van partnergeweld. Bij mannen ging het volgens cijfers van het Steunpunt Algemeen Welzijnswerk om een op de twintig. Voor vrouwen bestaan vluchthuizen bijna veertig jaar, en vandaag is er ook voor mannen vraag naar opvang. De meest voorkomende aanleiding is partner- of eergerelateerd geweld, zowel binnen het gezin als in een bredere familiale context.

“Dan gaat het bijvoorbeeld om mannen die een relatie hebben met een vrouw uit een andere geloofsgemeenschap, terwijl de familie al een huwelijk heeft gearrangeerd met iemand uit de eigen gemeenschap”, vertelt Yolanda Switten van het Centrum voor Algemeen Welzijnswerk (CAW) Boom Mechelen Lier, dat het eerste Belgische vluchthuis voor mannen opricht. “Maar ook homoseksuele mannen kunnen gebukt gaan onder extreem fysiek of psychisch geweld uit de familiale omgeving. ”

 Geen extra middelen

Mannelijke slachtoffers die een tijdelijke en geheime opvangplaats nodig hebben, kunnen vanaf volgende maand terecht in Het Sam Huis, op een geheime locatie, waar twee appartementen zijn ingericht om hen voor een periode van drie maanden op te vangen.

“De aanpak zal niet veel anders zijn dan bij vrouwen”, zegt Switten. “We leren de slachtoffers om weer controle te krijgen over hun situatie, het liefst in samenwerking met partner of familie. Je kunt niet je hele leven op de vlucht blijven.” De aparte opvang voor mannen is nodig omdat het gevoelig ligt om vrouwen uit een gewelddadige relatie in dezelfde groepswerking als mannen te zetten, ook al komen die zelf uit een abusieve relatie.

Vlaams minister van Welzijn Jo Vandeurzen (CD&V) juicht de opening van het vluchthuis toe. “Mannenmishandeling is een bijzonder belangrijk thema, maar blijkt niet altijd even breed erkend en bespreekbaar.” Vandeurzen zal het vluchthuis en de respons erop bekijken, maar extra middelen heeft de minister voorlopig niet.

In Nederland opende het eerste zogenaamde ‘Blijf-van-mijn-lijfhuis’ voor mannen al in 2003. Vandaag zijn er vier. Dat het bij ons nu pas wordt opgericht, is volgens Switten te wijten aan een gebrek aan middelen. “De zes hulpverleners van het vluchthuis voor vrouwen zullen ook in Het Sam Huis werken. Ook voor de inkleding van de appartementen hebben we geld gebruikt uit ons bestaande budget.” Dat is meteen de reden waarom er slechts twee opvangplaatsen zijn voorzien.

Naast budgettaire beperkingen gaat het tenslotte om een moeilijk te doorbreken taboe. Toch verwacht Switten dat er in Vlaanderen nog vluchthuizen voor mannen zullen volgen. “Ze komen niet gemakkelijk naar buiten als slachtoffer van geweld, dus lijkt het alsof er geen probleem is, maar het geeft een vertekend beeld, want dit probleem bestaat wel degelijk.”


‘Jonge Vlaamse kinderen gamen gemiddeld 40 minuten per dag’

Het Belang van Limburg – 25 februari 2015

Kinderen tussen 3 en 10 jaar gamen gemiddeld 40 minuten per dag. Dat blijkt uit een bevraging bij 9.815 ouders die de iMinds onderzoeksgroep voor Media en ICT (UGent) uitvoerde in opdracht Wanagogo, de digitale speel- en leerwereld van Studio 100.

Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat 82 pct van de kinderen tussen 3 en 10 jaar tenminste één keer per week gamet. Van de 3-jarigen gamet 24 pct dagelijks en 14 pct nooit. Het percentage kinderen dat dagelijks gamet, stijgt naarmate ze ouder worden, waarbij 63 pct van de 10-jarigen dagelijks gamet. Gemiddeld spelen kinderen zo’n 40 minuten per dag en dit neemt toe met de leeftijd, van 21 minuten per dag bij de jongste kinderen tot 74 minuten per dag bij de oudsten. Bovendien gamen jongens gemiddeld langer dan meisjes, net als kinderen van laagopgeleide ouders en die uit grote gezinnen. Daarnaast werd ook onderzocht wat ouders doen om het gamegebruik van hun kinderen in goede banen te leiden. “Uit ons onderzoek blijkt dat ouders vooral bezig zijn met het in de gaten houden van welke games het kind speelt, en of ze wel geschikt zijn, “ zegt professor Jan Van Looy van iMinds – MICT – UGent uit. “Het actief bediscussiëren van games gebeurt minder. Daarnaast tonen de resultaten ook aan dat laagopgeleide ouders vaker samen gamen met hun kind dan hoogopgeleiden.”

Ouders blijken ook nood te hebben aan een gameomgeving waarin ze hun kinderen kunnen ondersteunen. Ze vinden vooral het educatieve aspect van games belangrijk.


‘Je bent een heks, oma. Papa heeft het gezegd’

De Standaard – 20 februari 2015

Eén op de tien kinderen van gescheiden ouders heeft nooit contact met de grootouders aan vaderskant. Aan moederskant is dat vijf procent, blijkt uit onderzoek van de VUB. Jaarlijks stappen enkele tientallen grootouders naar de rechter om hun omgangsrecht af te dwingen. DS Weekblad sprak met een rechter, met een onderzoeker en met grootouders zelf. Een getuigenis.

Marlène* (69) heeft nu meer dan anderhalf jaar haar kleinkinderen niet meer gezien of zelfs maar gehoord. De mama van de kinderen is overleden. De vechtscheiding waar Marlènes dochter jaren geleden in belandde, heeft zich na diens dood verder gezet tussen grootouders en ex-schoonzoon.

‘Toen mijn dochter nog in leven was, was er een week-weekregeling. Ook toen al ging dat gepaard met pesterijen. De jongens weghouden bij de mama als die naar het ziekenhuis moest, boekentasjes niet meegeven. In zo’n situatie is elk detail een bommetje. Zo zegt de jongen op een dag: “Oma, jij bent een heks. Papa heeft het gezegd.” Ik heb een bezemsteel genomen, ben erop gaan zitten en heb hem gevraagd om de toverformule uit te spreken. De jongen gaf me een knuffel: “Oma, jij bent toch geen heks.” Maar daarna moeten ze terug naar de andere kant waar het gestook herbegint.’

Pesterijen

Na het overlijden van haar dochter kreeg Marlène de kinderen één weekend om de drie weken te zien. Ze moest ze op vrijdagavond aan de schoolpoort afhalen. Maar dat liep al snel fout.

Op een dag, bij het begin van ‘haar’ weekend, staat ze aan de schoolpoort en blijken de kinderen ’s middags al van school gehaald door de nieuwe vriendin van de ex-schoonzoon. Een andere keer krijgt Marlène het bericht dat de kinderen vruchteloos aan de schoolpoort hebben staan wachten op háár terwijl het ‘zijn’ weekend was.

‘De kinderen vreselijk teleurgesteld, een moeder die was ingeschakeld om ze op te halen, geschokt. Dan stokt uw adem, want leg het maar eens uit dat hun papa zich vergist heeft.’

Drie keer herhaalt zich dit scenario. ‘Telkens moet je dat laten vaststellen door een deurwaarder en een klacht indienen bij de politie. Na de derde keer worden we opgeroepen voor een verzoeningscommissie. De papa houdt vol dat hij zich “gewoon” van weekend had vergist. De procureur heeft hem toen de oren gewassen. Hij stelde een papier op waarin we moesten verklaren het vonnis vanaf dan correct na te leven.’

‘Kunt u zicht de machteloosheid voorstellen?’

De spanning luwt niet. Integendeel, de pesterijen verergeren, de kinderen raken steeds verder verscheurd. Het eindigt voor Marlène met de schok van haar leven. Eerst moet ze op bezoek bij Jongerenwelzijn waar ze het hele verhaal nog eens uit de doeken doet, zes weken later wordt ze ontboden bij de jeugdrechter. Het vonnis? ‘Ik mocht de kinderen niet meer zien. Níét.’

Ze krijgt te horen dat ze het leven van haar ex-schoonzoon onmogelijk maakt. Naar eigen zeggen zonder mogelijkheid om zich te verweren en zonder dat het gedrag van haar ex-schoonzoon op z’n minst grondig wordt onderzocht, wordt het contact opgeschort.
‘Ik ben mijn dochter kwijt én haar kinderen. Elke dag moet ik nu verder met de wetenschap dat ze in slechte handen zijn en hoeveel meer ze moeten missen. Onze dochter is bij leven niet voor niets vertrokken bij haar man: ze vreesde dat er ongelukken zouden gebeuren. Kunt u zich de machteloosheid voorstellen?’

‘Pech gehad’

Behalve met rauw verdriet blijft Marlène zitten met een grenzeloos onrechtvaardigheidsgevoel. ‘Iedereen heeft mij achteraf verteld dat ik het ongeluk had om juist bij die ene jeugdrechter terecht te komen. Omgangsrecht voor grootouders wijst hij per definitie af. Hij heeft ons geïntimideerd om niet in beroep te gaan. We hebben het geprobeerd, maar we krijgen niet eens inzage in het dossier.’

‘Er is mij gezegd dat de rechter gewoon de wet heeft gevolgd. Maar welke wet? Vroeger, als de langst levende ouder bezwaar maakte tegen contact met de familie van de overleden ouder, had je de familieraad en de voogd. Dat is afgeschaft, maar er kwam niets voor in de plaats.’

Na het verdriet en de boosheid komen ook schuldgevoelens opzetten. ‘Had ik harder moeten vechten? Ik wou dat wel, maar ik ben bang, zo bang dat ik daar de kinderen pijn mee doe. Dat is het eeuwige dilemma. En daar profiteert hij schaamteloos van. Ik wil het allemaal verdragen, mochten de kinderen er beter van worden.’


‘Ouder kan ervoor zorgen dat kind de andere ouder echt begint te haten’

Het Belang van Limburg – 18 februari 2015

Nadat een 13-jarig meisje uit Veurne gisteren naar een instelling werd gestuurd omdat ze niet langer in contact wou komen met haar vader, stellen heel wat psychologen zich ernstige vragen. ‘Een ouder kan er ook voor zorgen dat het kind de andere ouder begint te haten.’

Uit een eerste reeks vaststellingen bleek dat het kind niet seksueel of lichamelijk misbruikt werd. Waarom een kind dan toch ervoor kiest om niet langer in aanraking te komen met zijn vader? ‘Vermoedelijk gaat het om een vorm van Parental Alienation Syndrom. Dat wordt bijna uitsluitend gebruikt bij echtscheidingen. Het koppel gaat vechtend uit elkaar, waarna de ene ouder probeert de andere zwart te maken. Dat gaat zo ver dat het kind, wiens persoonlijkheid nog niet volledig ontwikkeld is, op den duur zelf gelooft dat de andere ouder niet deugt’, aldus Lut Celie van het psychotherapeutische centrum De Bleekweide in Het Laatste Nieuws. ‘Er moet nu onderzocht worden of het gedrag van het kind beïnvloed wordt door de moeder.’


Soms is een kind van gescheiden ouders tijdelijk in een jeugdinstelling plaatsen de enige uitweg

De morgen – 17 februari 2015

Een dertienjarig meisje uit Veurne wordt volgende week, tot grote verontwaardiging van haar moeder en haar advocaat, in een jeugdinstelling geplaatst omdat ze elk contact met haar vader afblokt. Sinds de scheiding van haar ouders, vier jaar geleden, heeft ze steevast geweigerd haar papa op te zoeken, laat staan bij hem in te trekken. De reden is onduidelijk, en daarom heeft het Gentse hof van beroep geoordeeld dat het meisje tijdelijk naar een observatiecentrum moet, even weg van de moeder.

Een eerste reflex is dan dat je liefde niet kunt afdwingen, zoals de raadsman van de moeder uitroept, en dat hier een groot en onbegrijpelijk onrecht wordt gepleegd door een gevoelloos justitie-apparaat.

De werkelijkheid is meer dan waarschijnlijk genuanceerder. Wanneer een hof van beroep een dergelijke zware tijdelijke maatregel uitvaardigt, dan doet het dat niet van de ene dag op de andere, laat staan dat het er genoegen in zou scheppen. Dan moet er sprake van een lange voorgeschiedenis en van een gebrek aan alternatieven om tot een oplossing te komen.

Los van de precieze details van deze zaak, stellen advocaten en jeugdrechtbanken in heel het land vast dat tezamen met het groeiende aantal echtscheidingen, automatisch ook het aantal vechtscheidingen toeneemt. Waarin de passie van ex-partners van liefde naar haat is omgeslagen, en kinderen gebruikt worden als wapens om elkaar te treffen. Het zou lang niet het eerste geval zijn waarin kinderen door één van de oud-partners geïndoctrineerd worden met verhalen over de ex die dan als een baarlijke duivel wordt voorgesteld. Waarna het jonge en beïnvloedbare kind ieder contact met die andere partner gaat weigeren.

Niet alleen is een echtscheiding op zich al een van de meest stresserende en moeilijke situaties in een mensenleven – gevoelsmatig scoort het net onder het overlijden van een partner – hier komt er nog eens een verscheurende keuze bovenop. Aanvaard je dat de ex-partner moedwillig de kinderen van je verwijdert, neem je afscheid van je kinderen, en beloon je zo de ex-partner voor zijn/haar opstelling, daarbij een zelfopoffering tonend die behoorlijk groot is? Of begin je een juridisch gevecht voor de kinderen, waar zij hopelijk niet al te veel trauma’s aan gaan overhouden?

Echtscheidingen, zeker diegenen waarbij de partners hun haat voor elkaar belangrijker vinden dan het belang van hun kinderen, zijn wespennesten van emoties. Als een hof van beroep, gespecialiseerd in de materie, nog als enige – moeilijke – uitweg ziet om even een kind in een neutrale situatie te plaatsen, zodat kan onderzocht worden wat er juist allemaal speelt, is dat zeker geen harteloze beslissing, maar misschien net een in het belang van het kind.


Dochter (13) in instelling omdat ze papa niet wil zien

HLN – 17 februari 2015

Een 13-jarig meisje uit Veurne wordt volgende week geplaatst in een jeugdinstelling omdat ze niet op bezoek wil bij haar vader, die gescheiden leeft van haar moeder. Dat besliste de jeugdkamer bij het Gentse hof van beroep. “Onbegrijpelijk”,zegt de raadsman van de moeder. “Liefde kan je niet afdwingen.”
De plaatsing van het meisje in het Onthaal-, Oriëntatie- en Observatiecentrum (OOOC) ‘De Zandberg’ in Varsenare, is het opmerkelijke hoogtepunt van een juridische strijd tussen de moeder en de vader die nu al ruim vier jaar aansleept. De ouders gingen uit elkaar toen X. 9 jaar oud was. Volgens de moeder was er nooit een hechte band geweest tussen de vader en het meisje. “De vader ging er kort na onze scheiding mee akkoord dat X. bij mij zou blijven wonen”, vertelt de moeder. “Hij stelde zich tevreden met bezoekrecht. Later wilde hij co-ouderschap en nog later het hoederecht. Feit is dat X. vanaf het begin steevast geweigerd heeft om bij haar papa op bezoek te gaan, laat staan bij hem in te wonen.

De tegenpartij (de vader en zijn ouders, red.) beweren dat wij X. hebben opgepookt, maar wij kunnen alleen maar blijven herhalen dat het haar wil was én is. We hadden ook liever minder problemen gehad.”

‘Ik wil niet. Punt’
Na de scheiding van de ouders startte de vader een burgerlijk geding voor de jeugdrechtbank in Veurne. Ook de grootouders langs vaderszijde deden dat. De inzet van de procedure was omgangsrecht te verkrijgen met X. Het meisje werd gehoord en specialisten bogen zich over haar koppige weigering contact te hebben met haar vader, maar dat bracht geen zoden aan de dijk. Voor X. bleef het “neen”. Zonder verdere uitleg. Op alle waarom-vragen volgden langs de kant van X. alleen maar lange stiltes. “Er werden de jongste jaren ook meer dan honderd ontmoetingen georganiseerd tussen X. en haar vader in een speciale, neutrale ruimte in Brugge, maar ook dat leverde niets op”, zegt de raadsman van de moeder. “Als X. haar vader ziet, dan draait ze haar rug naar hem toe en zwijgt ze. Ze leest dan in een boek of stort zich op haar breiwerk. Van elke ontmoeting wordt er telkens een verslag gemaakt, maar er is niet de minste vooruitgang. We kunnen alleen maar vaststellen dat X. zeer standvastig is in haar mening: ‘Ik wil niet naar mijn vader. Punt.'”


Iets om aan te werken op Valentijn: dagelijkse irritaties in relaties

Knack – 14 februari 2015

Dagelijkse conflictjes verzuren het leven van veel koppels. Bekijk ze eens door een filosofische bril, stelt de Zwitsers-Britse denker Alain De Botton voor.

Je komt afgepeigerd thuis na een lange werkdag en je partner vraagt afwezig hoe je dag was. Je bespeurt zijn desinteresse en reageert geprikkeld. Even later dekt hij de tafel en legt hij de messen links en de vorken rechts. Je merkt fijntjes op dat hij het verschil tussen links en rechts niet kent (je zegt dat niet voor het eerst) en hij smakt alles in het midden van de tafel en vertrekt geïrriteerd naar zijn werkkamer. De sfeer is verpest…

Het zijn die dagelijkse irritaties die het leven van veel koppels verzuren. Een andere context. Je bent leerkracht wiskunde in het secundair onderwijs en zet je met hart en ziel in om je lessen interessant te maken. Je ziet aan de gezichten van je leerlingen dat sommigen zich stierlijk vervelen en hoort iemand zeggen dat wiskunde stom is. Je blijft er kalm onder en legt uit waarom je denkt dat hij ongelijk heeft, en gaat door met je les.

Waarom zijn we in het ene geval zo makkelijk boven ons theewater en kunnen we in het tweede wel tegen een stootje?

Angst

Volgens filosoof Alain De Botton worden we gelukkiger wanneer we leren die dagelijkse irritaties door een filosofische bril te bekijken. ‘Dat mensen vallen over onbenulligheden die hun partner uitkraamt, heeft te maken met angst’, schrijft hij, ‘angst dat we de rest van onze dagen moeten slijten met iemand die niet zo denkt en voelt als wij en over wie we riskeren de controle verliezen.’

Dat de leerkracht niet gekwetst is door de botte reactie van zijn leerling, komt doordat die leerling geen enkele macht heeft over zijn leven. ‘Dus’, verduidelijkt de filosoof, ‘een partner die geprikkeld reageert op een onbenullig feit, ziet zijn of haar zelfwaardegevoel bedreigd. Macht en controle houden, speelt ons parten.’

Bij veel paren leeft onderhuids het onuitgesproken idee dat je de ander door en door kent, dat je weet wat hij denkt of hoe hij zal reageren in diverse dagelijkse situaties. ‘Daar ligt de fout’, stelt Alain De Botton. ‘Je partner is geen verlengstuk van jezelf, maar een ander persoon, met eigen ideeën en een eigen psyche.’

De oplossing ligt erin het hele plaatje te zien. ‘Beseffen dat je partner anders in het leven staat en anders over de dingen nadenkt, brengt rust.’ Gemakkelijker gezegd dan gedaan? ‘Trek bij een volgend irritatiemoment een halfuurtje uit en kijk samen van een afstand hoe je over dat feit voelt en denkt. Op die manier leer je je partner weer als ander persoon te zien.’

Het laten sudderen heeft een omgekeerd effect. ‘Elk onopgelost conflict is als een klontertje dat een bloedvaatje verstopt in het liefdeshart’, waarschuwt hij treffend. ‘Herstel de stroom met een liefdevol gesprek.’


 

Radio1 Hautekiet – 13 februari 2015

6 koppels op de 10 praten niet over hun financiën. Dat blijkt uit onderzoek van het ILIV (het Kenniscentrum over het belang van thuis). Een groot deel van de partners weet niet hoeveel de ander verdient of hoeveel er op zijn of haar spaarrekening staat. Dat is een vreemde vaststelling, want veel koppels hebben wel samen een huis en beschouwen dat huis ook als een belangrijke pensioenbuffer. Experten pleiten ervoor dat koppels duidelijke afspraken maken over ‘het geld’. “Je ziet elkaar niet minder graag omdat je duidelijke afspraken maakt.”
Hoe zit het bij jou? Hoe is het geregeld, de afbetalingen en de rekeningen? Praat jij thuis over ‘het geld’? Weet jij wat je partner verdient? En wat er op de spaarrekening van de ander staat?


Een op tien schoolklassen zit in container

De Standaard – 13 februari 2015

Bijna negen op de tien scholen geeft aan (over)vol te zijn. Ze plaatsen steeds meer containerklassen.

Ons scholenpatrimonium is verouderd, krap en duur in onderhoud. Dat blijkt uit de schoolgebouwenmonitor 2013, die gisteren in het Vlaams Parlement voorgesteld werd.

Bijna een derde van de respondenten geeft aan dat de klaslokalen overbezet zijn. 60 procent geeft aan dat de leslokalen ‘volledig bezet’ zijn, dat er met andere woorden plaatsgebrek is.

Het gebrek aan plaats heeft als gevolg gehad dat er heel wat tijdelijke eenheden, zeg maar containerklassen, geplaatst zijn. Die maken al bijna tien procent van het gebouwenpark uit. Maar ze blijken niet allemaal recent of tijdelijk te zijn: bijna een op de drie staat er al van voor 1970.

Wat veiligheid en hygiëne betreft, geven de directies de scholen een score van iets meer dan zeven op tien. Dit aspect komt er het beste uit, net zoals in 2008. Het minst tevreden zijn de scholen met de hoge kosten voor onderhoud.

De Vlaamse minister van Onderwijs, Hilde Crevits (CD&V), heeft zich geëngageerd om een half miljard euro extra in scholenbouw te pompen.


Alarmbellen voor gezinsdrama’s werken niet

De Morgen – 13 februari 2015

Gezinsdrama’s zoals in Lennik moeten door een onafhankelijk orgaan bestudeerd worden. Dat zegt referentiearts kindermishandeling Johan Marchand (UZ Brussel), nu iedereen zich afvraagt hoe het kan dat drie meisjes, ondanks tal van tussenkomsten van hulpverleners, toch omkwamen.

Wat er precies gebeurd is woensdagmiddag aan de Zwartenbroekstraat in Lennik is nog steeds onduidelijk. Sonja T.M., die ervan verdacht wordt door brandstichting haar drie dochtertjes om het leven te hebben gebracht, weigert voorlopig een verklaring af te leggen. Wat wel vaststaat volgens het parket is dat er binnen het gezin al eerder problemen waren. Zo zouden er sinds 2012, omwille van familiale twisten, vijftien interventies door de politie zijn gebeurd. Vijf processen-verbaal werden aan het parket Halle-Vilvoorde overgemaakt. In die vijf gevallen bleken er kinderen uit het gezin betrokken: als getuigen of omdat ze gevaar liepen.

Nochtans heeft het parket op basis van die pv’s geen actie ondernomen. “Dat gebeurde conform het nieuwe decreet integrale jeugdhulp”, klinkt het. Dat decreet van minister van Welzijn Jo Vandeurzen (CD&V), sinds maart vorig jaar van kracht, zet de vrijwillige medewerking van de ouders voorop. Als een samenwerking mogelijk blijkt, wordt enkel eerstelijnsbijstand verleend, aldus woordvoerder Gilles Blondeau. Volgens hem zou er onder meer een sociaal onderzoek bij het gezin hebben plaatsgevonden en werd er een beroep gedaan op het Centrum voor Leerlingenbegeleiding (CLB). Ook zouden er sinds december wekelijks bezoeken zijn afgelegd door De Loper, een centrum voor thuisbegeleiding.

Hoe het dan toch kon dat er woensdag zulke dramatische gebeurtenissen plaatsvonden, daar heeft niemand een antwoord op. Noch het CLB noch De Loper was bereikbaar voor commentaar.

Commissie van experts

Volgens dokter Johan Marchand, referentiearts kindermishandeling bij het UZ Brussel, zou dat uitklaren echter niet alleen binnen de gerechtelijke sfeer moeten gebeuren. Marchand dringt aan op een commissie van experts die in actie komt bij dossiers als deze. “De bedoeling ervan is niet om mensen met de vinger te wijzen, wel om te leren en om het beleid en de werking bij te sturen.” In Groot-Brittannië werken ze volgens hem al met zogenaamde Child Death Review Teams (CDRT): die gaan heel precies na wat er bij dossiers met een fatale afloop is gebeurd, wat welke betrokken partijen anders hadden kunnen doen en hoe gelijkaardige situaties herkend en voorkomen kunnen worden.

Marchand gelooft evenwel niet dat er een groot draagvlak is voor zo’n orgaan hier. “Omdat het blootlegt waar de problemen liggen. Dat lijkt niemand in deze sector echt graag te horen. Ons eigen functioneren evalueren we liever niet.”

Het decreet van Vandeurzen noemt Marchand een stap achteruit. “Het zwaartepunt ligt veel meer op vrijwilligheid dan op veiligheid. Voor gezinnen die zelf een duidelijke hulpvraag kunnen formuleren, is dat een goede zaak. Maar er zijn evenzeer gezinnen die dat niet kunnen: niet alle ouders en niet alle kinderen geven zomaar toe dat er sprake is van verwaarlozing, van mishandeling, van gevaarlijke situaties. Voor de hulpverleners die hierbij betrokken zijn, is het ook niet vanzelfsprekend altijd een even goede inschatting te maken. Dat is niet erg, dat is menselijk. Maar we moeten dat ook durven toegeven.”

Gevraagd naar een reactie op de kritiek klinkt het op het kabinet-Vandeurzen: “Het is een feit dat we nog beter kunnen samenwerken met de verschillende actoren, maar dit is zeker voor ons een beleidsprioriteit.” De minister benadrukt dat het Vlaams Forum voor Kindermishandeling al een eerste rapport klaar heeft rond Child Death Review Teams, waarvoor Marchand pleit. “In dat Forum zijn zowel Justitie als Welzijn als politie als Onderwijs betrokken.”


Vader hoort doodsstrijd van drie kindjes door de telefoon

Nieuwsblad – 12 februari 2015

In alle kalmte lokte moeder Sonja gisteren in Sint-Kwintens-Lennik haar kinderen Omy (2), Abbygail (4) en Madyson (6) naar een bergruimte vol brandbare stoffen. Ze sloot hen op en stak het hok in brand. Met het gehuil van de kinderen op de achtergrond, belde ze haar man op om hem te vertellen wat ze had gedaan, en dat hij toch te laat zou komen.

‘Hoor je ze schreeuwen? Je kan maar beter naar huis komen. Maar het zal toch te laat zijn. Ze zullen het toch niet overleven.’ Vader Hellmut Ulin stond op een werf, tientallen kilometers van huis, toen zijn Afrikaanse vrouw Sonja hem opbelde met deze gruwelijke boodschap.

Net voordien had de vrouw drie van haar vier kinderen meegelokt naar een van de bijgebouwen in de grote tuin van het gezin in de Zwartenbroekstraat in Sint-Kwintens-Lennik, bij Brussel. Het vierde kind, geen biologisch kind van Hellmut, was op dat moment op school, maar de drie jongsten – Omy, Abbygail en Madyson – waren al de hele week ‘ziek’ thuis.

Hun moeder sloot hen op in een bergruimte die vol rommel stond, vooral chemische, uiterst brandbare producten. Daarna stak ze het gebouwtje in brand. De drie kinderen – twee, vier en zes jaar oud – konden geen kant meer uit. Terwijl ze in doodsangst huilden en schreeuwden, belde hun moeder even verder haar man op, met woorden die ook zijn leven zouden verwoesten. Volgens onze informatie deed het haar weinig.


 

Radio1 Nieuwe Feiten – 9 februari 2015

Een geheime spaarpot, een soort noodfonds om een mogelijke relatiebreuk mee te betalen. Uit onderzoek blijkt dat 1 op de 10 Britten in een vaste relatie zo’n noodfonds heeft. Ook in ons land gebeurt het volgens Rika Ponnet.

(vanaf minuut 23)


Het beleid heeft nood aan een single-reflex, zodat alleenstaanden eindelijk gelijke kansen krijgen

De Morgen – 9 februari 2015

Bart Somers is fractieleider van Open Vld in het Vlaams Parlement. Carla Dejonghe is Brussels volksvertegenwoordiger voor Open Vld en voorzitter van de Raad van de Vlaamse Gemeenschapscommissie. “Het klassieke gezin met mama, papa en twee kindjes is allang niet meer de norm, maar wel in de regelgeving”, schrijven ze.

Onlangs maakte de studiedienst van de Vlaamse regering de nieuwe bevolkingsprognoses bekend. Daaruit blijkt dat het aantal eenpersoonsgezinnen in Vlaanderen verder zal toenemen. In 1997 telde Vlaanderen nog 614.000 alleenwonenden. Dat aantal is in 2008 gestegen naar 770.000 en zal verder stijgen tot 934.000 in 2028. In dertig jaar tijd zal het aantal eenpersoonsgezinnen dus met meer dan 50 procent gestegen zijn.

Niet alleen hun absolute aantal stijgt, ook hun relatieve aandeel in de Vlaamse gezinnen gaat erop vooruit. Tegen 2028 zal één op de drie gezinnen in Vlaanderen bestaan uit slechts één persoon. In de meeste steden zal hun aandeel zelfs vlot over de 40 procent gaan, in Brussel zelfs tot de helft van alle gezinnen. Het klassieke gezin met mama, papa en twee kindjes is dus allang niet meer de norm in Vlaanderen en Brussel.

Toch is dat klassieke gezinnetje vandaag nog de norm in onze regelgeving. De groeiende groep van alleenstaanden is hiervan de dupe. Cijfers van de OESO geven aan dat alleenstaanden zonder kinderen in België de zwaarst belaste mensen ter wereld zijn. In 2013 ging maar liefst 55,8 procent van hun brutoloon naar belastingen en sociale zekerheid. Daarnaast betalen singles vaak torenhoge successierechten.

Maar ook op tal van andere vlakken benadeelt de regelgeving alleenstaanden. Zo hebben singles slechts recht op 175 aftrekbare dienstencheques voor poetshulp, terwijl samenwonenden recht hebben op het dubbele. Nochtans is de nood aan poetshulp bij werkende singles soms groter dan bij samenwonenden. En ook de woonbonus is voor koppels dubbel zo groot, hoewel de woningprijzen dezelfde zijn en singles het sowieso al moeilijker hebben om een lening te krijgen bij de bank.

En wat met onze ruimtelijke ordening? Die gaat ook nog te veel uit van de klassieke gezinsvormen. Nieuwe woonvormen, zoals friends-wonen of co-housing – vaak de enige manier voor singles om toch een ‘eigen’ woning te verwerven – botsen nog te vaak op stedenbouwkundige regeltjes.

Het zijn maar enkele voorbeelden van hoe we het de vele alleenstaanden in Vlaanderen en Brussel soms knap lastig maken. Het wordt hoog tijd om daar iets aan te doen. Het is een taak voor al wie verantwoordelijkheid draagt in het gelijkekansenbeleid.

Een systematische doorlichting van onze bestaande regelgeving zou al een goede start zijn. Op die manier kunnen we de pijnpunten blootleggen en voorstellen uitwerken om alleenstaanden niet langer te benadelen. Geen gemakkelijke oefening, want ondoordachte wijzigingen kunnen onbedoelde en zelfs ongewenste effecten veroorzaken. En soms zijn ze ook erg kostelijk, wat zeker in deze financieel krappe tijden niet evident is. Daarnaast is het tijd voor een ‘single-reflex’ bij nieuw beleid. Dit houdt in dat men nieuwe beleidsbeslissingen toetst aan hun (soms zware) gevolgen voor alleenwonenden.

Niet alleen op regionaal niveau, maar ook federaal en zelfs lokaal is er dus werk aan de winkel. De confrontatie met deze nieuwe cijfers doet immers ook een burgemeester nadenken over zijn beleid. ‘Happy single’ moet meer zijn dan een leuk concept, de overheid moet die singles met meer gelijke kansen ook meer uitzicht geven op happiness.


Week tegen Pesten: ‘Speelplaats lijkt wel een survival of the fittest’

Knack – 6 februari 2015

Tijdens de Week tegen Pesten lanceren de kinder- en jongerentelefoon Awel en Cartoon Network een platform voor kinderen die met pesten te maken hebben.

Pesten is een probleem waar bijna alle kinderen tijdens hun schooltijd mee te maken krijgen. In 2013-2014 voerden de vrije centra voor leerlingenbegeleiding (CLB) 10.363 interventies uit over pesten en gepest worden. De Vrije-CLB-Koepel wil dat dat aantal naar omlaag gaat, en pleit dan ook voor een meer preventieve langetermijnaanpak.

Naar aanleiding van de week tegen Pesten (van 6 tot 13 februari) roepen ook Cartoon Network en actrice Tine Embrechts kinderen op zich actief in te zetten tegen pesten. In samenwerking met Awel, creëert Cartoon Network een platform voor kinderen die met pesten te maken hebben. Zowel kinderen, ouders als leerkrachten kunnen er terecht voor advies.

‘Als mama van twee zonen merk ik dat pesten nog altijd veel te hard aanwezig is op school. De speelplaats lijkt wel een survival of the fittest, en we kunnen kinderen er niet genoeg op wijzen dat pesten gewoon not done is’, zegt actrice Embrechts in een persbericht.

Haar eigen ervaringen overtuigden haar om mee te doen aan de campagne. ‘Ik werd vroeger hier en daar ook wat nageroepen, maar ik probeerde mij dat niet aan te trekken en gebruikte vooral humor om mij te wapenen tegen de pesters. Ik wil kinderen dan ook meegeven dat ze zich niet moeten laten opjutten door pesters, en wil hen erop wijzen dat het belangrijk is dat ze er vooral onmiddellijk over moeten praten met hun ouders of leerkrachten, zodat het probleem meteen aangepakt kan worden.’

Gevoelig onderwerp

De campagne maakt deel uit van een Europees initiatief ondersteund door Cartoon Network in Europa. In het Verenigd Koningrijk werkt de zender onder meer samen met de Britse rapper Tinie, terwijl popster Mika de campagne ‘Stop Bullismo: Parla’ in Italië kracht bijzet.

‘We weten dat pesten een probleem is waar veel van onze jonge kijkers mee te maken hebben’, zegt Hannes Heyelmann, Managing Director van Turner Broadcasting, Centraal- en Oost-Europa en Benelux. ‘Door te werken met partners zoals Awel willen we kinderen aanmoedigen om in actie te komen tegen pesten en niet bang te zijn om het aan iemand te vertellen als ze eronder lijden. We willen dit gevoelige onderwerp op een manier behandelen die kinderen aanspreekt.’

Ook professoren kaarten het probleem van pesten aan. In een Open Brief pleiten achttien professoren voor een Vlaams kenniscentrum tegen (cyber)pesten. Op dit moment worden kinderen soms ‘aan hun lot overgelaten’, klinkt het.


Wat als mijn kind een pestkop is?

Nieuwsblad – 6 februari 2015

Vrijdag 6 februari begint de Week tegen het Pesten. Volgens een onderzoek van het tijdschrift Klasse blijkt dat drie tot acht procent van de kinderen gepest wordt. Maar wat doe je als je kind een van die pestkoppen is? Deskundige Gie Deboutte geeft een aantal tips.

Begin een gesprek

“Als je als ouder hoort dat je kind iemand pest, praat er dan mee. Het is belangrijk eerst te horen wat er juist aan de hand is. Kinderen pesten niet altijd uit slechte wil, maar regelmatig ook in opdracht van iemand anders of als verweer. Pesten kan soms ook een reactie zijn op ander pestgedrag. Ouders moeten dus eerst proberen te begrijpen waar het pestgedrag vandaan komt.”

Pesten is niet oké

“Als je kind een pestkop is, moet je als ouder laten zien dat je ontgoocheld bent. Je moet je kind duidelijk maken dat het niet oké is om iemand te pesten. Uiteraard moet je ook duiding geven bij waarom het niet oké is. Probeer je kind duidelijk te maken wat voor een impact pesten heeft op het slachtoffer.”

Doe iets voor het slachtoffer

“Het is belangrijk je kind te overtuigen dat het iets moet doen om het goed te maken met het slachtoffer. Zorg dat je kind zich verontschuldigt en dat het slachtoffer zich terug beter voelt. De pester moet ervoor zorgen dat het slachtoffer weer een respectabele plaats krijgt en zich veilig voelt.”

Betrek de school

“Ga samen met de school rond de tafel zitten. Ze kunnen helpen zoeken naar een oplossing. Een kind gaat sneller geneigd zijn om te luisteren naar meerdere volwassenen.

Als al deze tips niet werken, kan je best op zoek gaan naar een expert die kan helpen. Dat kan bijvoorbeeld een psycholoog of het CLB zijn. Als deze tips niet helpen, is er een dieper probleem.”


Wat als Saartje telkens als laatste wordt gekozen in de turnles

De Morgen – 6 februari 2015

Open brief van achttien pest-experts van de verschillende Vlaamse universiteiten: aanpak pesten is kwestie van willen, kennen, kunnen én doen

Saartje heeft er al lang spijt van. De jongste maanden werd ze aanhoudend gepest, buitengesloten, uitgelachen door een kliekje rond Esme. In de turnles wordt ze elke keer als laatste gekozen. In de refter zit ze vaak alleen. Via Instagram werden er foto’s van haar verspreid terwijl ze zich aan het omkleden was.

Moegetergd deed ze na lang aarzelen haar verhaal. Haar moeder schrok zich een ongeluk en nam de volgende dag contact met de school. Esme werd meteen op het matje geroepen. Er volgde nog diezelfde dag een kringgesprek in de klas. Saartje dacht dat ze door de grond zou zinken. Nu was zij de grote klikspaan.

Scholen die het bij een ad hoc-beleid houden, trappen onbedoeld in vele valkuilen. Pesterijen aanpakken is makkelijker gezegd dan gedaan…

Naar aanleiding van de Vlaamse Week tegen Pesten maakte de Vlaamse Onderwijsraad (VLOR) zijn advies over de preventie en aanpak van pesten bekend. Dat advies kwam er op aandringen van de Vlaamse Scholierenkoepel.  Die vindt dat het dringend tijd is om iets aan het probleem te doén.

Het advies van de VLOR inzake de preventie en aanpak van pesten zet een belangrijke stap. De onderwijspartners erkennen samen dat er wat schort aan de Vlaamse aanpak van (cyber)pesterijen tussen kinderen en jongeren. De VLOR dringt aan op een geïntegreerd, structureel en multidisciplinair onderbouwd beleid en richt zich hiervoor tot de ministers van Onderwijs, Welzijn, Jeugd en Media. Alle partners engageren zich tot samenwerking en het opnemen van hun verantwoordelijkheid.

De opstellers van het VLOR-advies kiezen voor de rol van vuurtoren: ze brengen belangrijke pijnpunten onder de aandacht en suggereren welke richting Vlaanderen uit moet  om het (cyber) pestprobleem tussen kinderen en jongeren beter aan te pakken. De overheid moet stimuleren en faciliteren. De VLOR wil in het hele proces een katalysatorrol vervullen door een permanent intern overlegplatform te organiseren.

Het advies is van oordeel dat de geldende decretale en structurele contouren volstaan om de verhoopte  doelstelling te realiseren. Minder duidelijk is welke nieuwe impulsen helpen garanderen dat alle Vlaamse scholen hun taak inzake pestpreventie, – detectie en -aanpak in de toekomst sterker zullen opnemen. Volstaat een krachtige intentie- of engagementsverklaring om het verschil te maken?

Gezien de aard, de omvang en het risico op negatieve gevolgen van (cyber)pesterijen dringen we  aan op meer assertieve keuzes: de oprichting van een Vlaams Kenniscentrum (Cyber)pesten en een explicieter verwachtingskader ten aanzien van scholen.

Kenniscentrum (Cyber)PestenVeel Vlaamse scholen houden het bij vluchtige sensibiliseringsacties en hanteren ad hoc-oplossingen als het fout loopt. Van een structureel anti-pestbeleid is meestal geen sprake. Eén van de voornaamste redenen hiervoor is het ontbreken van knowhow. Vlaamse scholen willen het pesten wel aanpakken, maar weten niet hoe en ervaren een gebrek aan professionele ondersteuning. Zij kijken uit naar een betaalbaar, werkbaar en wetenschappelijk onderbouwd aanbod van trainingen, instrumenten en materialen op het vlak van preventie, detectie, curatie en disciplinering.

Een gespecialiseerd kenniscentrum laat toe om de kennislacunes diepgaand en duurzaam aan te pakken. Alleen zo kan de Vlaamse aanpak op macro-, meso- en microniveau naar een hoger niveau worden getild en wordt een duurzame verankering van het thema in het beleid mogelijk gemaakt.  Voorbeelden uit het buitenland (Nederland, Zweden, Ierland, VS, …)  tonen aan dat een onafhankelijk multidisciplinair kenniscentrum aan de anti-pestaanpak een gezicht kan geven. Scholen (en andere actoren) weten dan dat er een plaats is waar alle beschikbare knowhow wordt gebundeld, en waar ze met hun vragen terecht kunnen.

Het onderwijsveld reageert erg terughoudend op suggesties om het verwachtingskader met betrekking tot het anti-pestbeleid van scholen te expliciteren. Het uitdrukken van minimale vereisten waaraan een schoolaanpak moet voldoen, zou echter geen taboe mogen zijn. Landen als Zweden, Nederland, Engeland, Finland, … maken veel duidelijker wat ze van elke school verwachten. Het kenniscentrum kan scholen voorzien van een adaptief, richtinggevend verwachtingskader waarop zij hun actieplan en alle daaraan gekoppelde initiatieven kunnen afstemmen.

De oprichting van een kenniscentrum reikt veel verder dan wat het VLOR-advies voorstelt en kan een mijlpaal zijn voor de aanpak van (cyber-)pesterijen tussen kinderen en jongeren. Investeren in dit kenniscentrum is eigenlijk kiezen voor een kostenbesparing. Vlaamse scholen steken nu immers energie, tijd en middelen in het zoeken of zelf ontwikkelen van anti-pestacties waarvan de (hopelijk positieve) impact niet eens gekend is. Door te zorgen voor een betere uitwisseling van evidence-based programma’s en “best practices “, die ook slagen in het reduceren van de prevalentie en de impact van pesten op het welbevinden van jongeren, scholen en gezinnen, kan Vlaanderen alleen maar winnen. Waarom nog langer wachten?!

Of als het anders was gelopen; Saartje heeft geluk gehad. De jongste maanden werd ze aanhoudend gepest, buitengesloten, uitgelachen door een kliekje rond Esme. In de turnles wordt ze elke keer als laatste gekozen. In de refter zit ze vaak alleen. Via Instagram werden er foto’s van haar verspreid terwijl ze zich aan het omkleden was.

Moegetergd  deed ze na lang aarzelen haar verhaal. Haar moeder schrok zich een ongeluk en nam de volgende dag contact met de school. De school koos voor een behoedzame aanpak en lichtte die meteen ook toe. Leerkrachten werden verwittigd om toe te kijken op wat zich rond Saartje afspeelde.

Zo leerden ze de situatie beter begrijpen en konden ze ingrijpen als wat fout liep.  Een incident in de refter zorgde voor een doorbraak. Esme en Dieter kwamen als pestkop in beeld. Nu kon er met hen worden verder gepraat. 

De ondertekenaars

Gie Deboutte (Universiteit Antwerpen, UC Leuven-Limburg, KU Leuven), Heidi Vandebosch (Universiteit Antwerpen),  Karolien Poels (Universiteit Antwerpen), Michel Walrave (Universiteit Antwerpen), Wouter Vandenhole (Universiteit Antwerpen), Peter Van Petegem (Universiteit Antwerpen), Lieven  Annemans (Universiteit Gent) , Ilse De Bourdeaudhuij (Universiteit Gent), Nicole Vettenburg (Universiteit Gent), Hilde Colpin (KU Leuven), Eva Lievens (KU Leuven, Universiteit Gent), Elfi Baillien (KU Leuven), Stefaan Pleysier (KU Leuven), Anne Groenen (UC Leuven-Limburg), Davy Nijs (UC Leuven-Limburg), Maurits Wysmans (UC Leuven-Limburg), Nadine Engels (VUB), Elke Van Hoof


“Ingrijpen op pestgedrag is zo moeilijk omdat het een groepsproces is”

De Morgen – 6 februari 2015

Een op de drie meisjes werd het afgelopen jaar gepest. In een open brief pleitten achttien professoren in onze krant vandaag dan ook voor een beter antipestbeleid. Maar wat zijn nu eigenlijk de gevolgen van pestgedrag voor het verdere leven van een kind? En waarom is het als gezaghebbende zo moeilijk om hierop in te grijpen?

Volgens de Nederlandse Stichting Aandacht voor Pesten worden de gevolgen van pesten vaak schromelijk onderschat. “Slachtoffers van pestgedrag dragen daar vaak levenslang de gevolgen van”, zeggen zij. Dat stellen ook verschillende academische studies, waaronder ook een recent onderzoek van JAMA Psychiatry. De grootste problemen van kinderen die langdurig gepest worden bevinden zich natuurlijk op het sociaal-emotionele vlak.

“Op korte termijn lopen deze kinderen meer risico op een verlaagdzelfbeeld, depressieve gevoelens, gaan ze zich vaak terugtrekken uit sociaal contact en ontwikkelen ze soms angsten“, zegt Hilde Colpin, docente Schoolpsychologie en Ontwikkelingspsychologie van Kind en Adolescent aan de KU Leuven en één van de ondertekenaars van de open brief.

 Gezondheidsproblemen

Daarnaast blijkt pesten ook een invloed te hebben op het academische leven van de kinderen. “Zo gaan ze soms minder graag naar school, voelen ze zich minder betrokken bij het schoolsegebeuren en behalen ze zelfs minder goede resultaten.” Slachtoffers van pestgedrag blijken de schoolbanken daarom – vaker dan andere leerlingen – vroegtijdig te verlaten.

De gevolgen van pesten op lange termijn reiken dan ook veel verder dan het sociaal-emotionele veld. “Personen die in hun kindertijd gepest werden, lopen in hun volwassen leven meer risico op problemen van allerlei aard”, zegt Colpin. Zo ondervinden ze vaker moeilijkheden bij het aangaan van relaties met personen in hun nabije omgeving – zoals hun partner en ouders – hebben ze vaker financiële en sociale problemen (bv. laag inkomen, werkloosheid) en worden ze vaker geconfronteerd met gezondheidsproblemen (bv. een ernstige ziekte, een psychiatrisch probleem).

Moeilijke preventie

Omdat de gevolgen van pestgedrag zo vergaand zijn, lijkt een betere preventie en bestrijding van het fenomeen dan ook hoognodig. Gemakkelijk is dat echter niet. “Omdat pesten een groepsproces is dat zich afspeelt binnen een welbepaalde groep kinderen, is het voor opvoeders van buitenaf niet makkelijk om daarop in te grijpen”, zegt professor Colpin. Veel pestincidenten worden door volwassenen ook niet opgemerkt.” Maar het kan wel degelijk, zegt ze, dat bewijzen landen als Finland en Nederland. Volgens Colpin komt het er in feite op neer de focus in de bestrijding van pestgedrag te veranderen.

“Je kan pesten zien als een manier waarop bepaalde kinderen binnen de groep, hun macht over de rest proberen te laten gelden. Dat doen ze door de sociaal zwaktste schakels uit de groep te viseren.” Pesters kunnen hun macht op slachtoffers echter maar botvieren, omdat er ook een grote groep van omstanders is die de daders in hun acties bevestigt. “Die omstanders moeten daarom nog niet actief meepesten. Gewoon al door niet in het proces in te grijpen, bouwen ze mee aan de macht van de sterksten. Het is dan ook aan de beleving en het gedragvan deze zogenaamde neutrale omstanders dat we iets moeten veranderen”, zegt Colpin.

Schoolbrede aanpak

“Concreet moet ervoor gezorgd worden dat neutraleomstaanders zich bewust worden van hun impact en leren om het pesten niet meer te bekrachtigen, maar de slachtoffers net te steunen. Ook kan men bevorderen dat de sociaal meest kwetsbare kinderen, beter in de groep komen te liggen, door ze te koppelen aan de meer populaire leerlingen uit die groep.”

Als zich dan toch nog pesten voordoet, is het belangrijk dat leerkrachten consequent ingrijpen. “Leerkrachten kunnen bijdragen aan goede relaties tussen leerlingen door positief met hen om te gaan en dus het goede voorbeeld te geven.” Om dat soort dynamische veranderingen binnen een groep teweeg te brengen, is echter wel een schoolbrede aanpak nodig. “En dat is waar wij nu voor pleiten”, aldus Hilde Colpin.


Meer eenoudergezinnen bij OCMW

Knack – 6 februari 2015

Steeds meer eenoudergezinnen moeten aankloppen bij het OCMW. In acht op de tien gevallen bestaat dit gezin uit een alleenstaande moeder met meerdere jongere kinderen.

Steeds meer eenoudergezinnen moeten aankloppen bij het OCMW. In acht op de tien gevallen bestaat dit gezin uit een alleenstaande moeder met meerdere jongere kinderen. Dat blijkt uit een analyse van de programmatorische federale overheidsdienst (POD) Maatschappelijke Integratie.

Dit komt overeen met de interfederale armoedebarometer 2013 waarin werd vastgesteld dat 17,2 procent of ongeveer één kind op de vijf deel uitmaakt van een gezin dat leeft onder de armoedegrens. Een deel hiervan doet een beroep op het OCMW.

Financiële crisis

In de periode tussen 2006 en 2012 is het aantal gezinnen met kinderen dat maandelijks moet rondkomen met een leefloon fors toegenomen. Hun aantal steeg van 22.676 in december 2006 tot 31.671 in december 2012. Dat komt door de financiële en economische crisis.

Voor een diepgaander analyse werden deze data gekruist met gegevens van databanken via de Datawarehouse Arbeidsmarkt en Sociale Bescherming (DWH) van de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid. Op basis van de kruising met het DWH telden we in december 2012 64.653 kinderen in het stelsel van het leefloon. Delen we de kinderen op naargelang verschillende leeftijdsklassen, dan treffen we in gezinnen met een leefloon meer jonge kinderen aan dan in een doorsnee Belgisch gezin.

Meer kinderen

Globaal genomen hebben gezinnen die moeten rondkomen met een leefloon meer kinderen: 25,6 procent hebben drie of meer kinderen, tegenover slechts 16,5 procent in de Belgische bevolking.


Steeds meer kleuters met rotte melktandjes

Nina – 5 februari 2015

Steeds meer kleuters moeten onder narcose om gaatjes in hun tanden te laten vullen. Kinderen hebben vaak zelfs tien rotte tandjes tegelijk, tot frustratie van tandartsen. Zij waarschuwen ouders: “Stop met kinderen zo veel gesuikerde drankjes te geven.”

“Kindermondjes vol etter, melktanden die getrokken moeten worden: we zien hier echt ongelofelijke dingen”, vertelt professor Luc Martens, hoofd van de afdeling kindertandheelkunde aan het UZ Gent. Steeds meer kleuters tussen 3 en 5 jaar komen er aan met méér dan 10 gaatjes, bijna een hele mond vol. “Omdat ze zo jong zijn en ze zo veel cariës hebben, kunnen ze onmogelijk op de tandartsstoel behandeld worden. Ze moeten dan vaak terugkomen en worden bang van de tandarts. En dus vullen we onder narcose de gaatjes.” Meer dan 500 kinderen ondergaan elk jaar de ingreep in het UZ Gent. “Het probleem wordt steeds groter: enkele jaren geleden was de wachttijd voor zo’n operatie 2 à 3 maanden, nu is dat al 4 à 5 maanden. Het gebeurt ook in alle lagen van de bevolking: ook kinderen van hooggeschoolde ouders behandelen we hier.”Dat kleuters zo veel rotte tanden hebben is opmerkelijk omdat de mondgezondheid er – over de hele bevolking genomen – de laatste jaren op vooruitgaat. Martens: “Het grote probleem is dat ouders na de melkfles overschakelen op zoete drankjes. Die zijn écht niet goed voor de tanden. Niet alleen bij kleuters maar ook bij oudere kinderen zien we een tendens naar opnieuw méér gaatjes. Ook dat zou gepaard kunnen gaan met de enorme stijging van verbruik van gezoete dranken de laatste tien jaar. België staat immers in de top 5 van grootste verbruikers in Europa.”

Radio1 Hautekiet – 2 februari 2015

Ook binnen een gezin moeten er regelmatig afspraken gemaakt worden, en daar heeft ieder zo z’n eigen systeem voor. In het ene gezin gebeurt dat erg informeel, in de auto op weg naar school of tijdens het afwassen. Anderen beleggen gezinsvergaderingen. Ja, een gezinsvergadering.
Vanessa Vannijvel en Wim Van Loon kiezen ervoor om met hun kinderen te vergaderen. “Het zijn nuttige, leuke en gezellige momenten die we niet meer willen missen. De gezinsvergaderingen zorgen voor rust en structuur.”

oe overleggen jullie binnen het gezin? Eerder informeel, of organiseren jullie ook heuse gezinsvergaderingen?
Wat zijn de voordelen van een vaste gezinsvergadering? En de nadelen?
(vanaf minuut 38)


Heppee, een app voor kinderen en gescheiden ouders

iCulture – 2 februari 2015

Heel wat kinderen zitten in de situatie dat ze met gescheiden ouders te maken hebben. De ene keer zijn ze bij papa, de nadere keer bij mama. In Nederland overkomt het 45.000 kinderen per jaar, die in de leeftijd tussen 0 en 14 jaar zijn. Om te zorgen dat de communicatie soepel verloopt is er binnenkort de Heppee-app. Met Heppee kunnen gescheiden ouders activiteiten beter plannen, bijvoorbeeld met een todo-list die irritaties voorkomt (“jij zou toch met ze naar de tandarts gaan?”). Ook kun je met Heppee makkelijker allerlei gegevens delen, zoals kledingmaten, medische gegevens en allergieën. Co-ouderschap verloopt dan een stuk soepeler.

App voor co-ouderschap

Bij geschieden gezinnen zijn er drie aspecten die extra aandacht moeten krijgen: organisatie, communicatie en emoties. Voor kinderen is een scheiding een heftige ervaring. Hun veilige en georganiseerde leven is ineens verdwenen. Ze moeten op twee plaatsen gaan wonen, komen in een loyaliteitsconflict en krijgen in het ergste geval ook nog te maken met ruziënde ouders. Met Heppee kunnen kinderen aangeven als ze niet lekker in hun vel zitten. Dat doen ze via een moodbutton in de app. Want soms is het nou eenmaal makkelijker om met een knopje aan te geven hoe je je voelt, dan een gesprek aan te knopen met een gestresste ouder. Daarbij speelt ook mee dat kinderen vaak te kort bij hun ouders zijn om te laten merken wat er mis is. Als je als ouder weet dat het niet lekker gaat, kun je daarop inspelen met een gesprekje.

Heppee zorgt ervoor dat de organisatie en communicatie van twee huishoudens beter op elkaar worden afgestemd. Vraag je je af welke kleding er moet worden meegegeven in verband met een sportdag of andere activiteiten van het kind, dan kan je dat regelen via de app. Je kunt er ook een schema mee bijhouden wanneer het kind bij welke ouder is en op welke momenten er van het schema moet worden afgeweken. Je kunt er ook foto’s en video’s mee opslaan, bijvoorbeeld van het eerste tandje of het eerste ritje op de fiets. De Heppee-app was een van de zes winnaars van de Mobiles for Good Challenge en was ook genomineerd voor de Accenture Innovation Awards. Met het gewonnen prijzengeld van Mobiles for Good wordt momenteel een app ontwikkeld, die al bij testgezinnen in gebruik is. Later komt de app beschikbaar voor iedereen.


Extra veel echtscheidingen op komst

Express Business – 28 januari 2015

Door de nakende afschaffing van de ‘miserietaks’ besloten in het laatste kwartaal van 2014 heel wat koppels het nog eventjes bij elkaar uit te houden. Het aantal echtscheidingen ligt daarom nu in januari een pak hoger.

Heel wat koppels hebben in het voorbije 2014 hun echtscheidingsplannen ‘on hold’ gezet om te wachten op de verlaging van de miserietaks vanaf 1 januari dit jaar. Dat uitstel kon hen immers al snel een verschil van 2.000 à 3.000 euro opleveren aan ‘miserietaks.’ Dat is de verdeeltaks die moet worden betaald wanneer gezamenlijke eigenaars van een pand – bijjvoorbeeld de gezinswoning – beslissen dat een van hen de andere uitkoopt.

Deze verdeeltaks is vanaf 1 januari 2015 in ons Vlaams Gewest opnieuw verlaagd naar 1 procent. Tot 1 augustus 2012 was het tarief van 1 procent van het registratierecht uniform in de drie gewesten van België. De Vlaamse regering besloot evenwel in 2012 om dit tarief meer dan te verdubbelen van 1 naar 2,5 procent en dit om louter budgettaire redenen.

Verhuis uit gezinswoning

Vanuit menselijk oogpunt was deze ‘miseriemaatregel’ onaanvaardbaar. Koppels werden – zonder echt aanvaardbare reden – plots geconfronteerd met een extra tax waarmee ze dienden rekening te houden. Dit had voor gevolg dat in de praktijk de ex-partner die bijvoorbeeld het aandeel in de gezinswoning van zijn toekomstige ex-partner wenste over te kopen, dit net niet kon omdat hij bijvoorbeeld juist geen herfinanciering kon krijgen bij de bank. Wat gevolgen had voor de kinderen en zelfs voor de afspraken rond hun verblijfsregeling. Beide ex-partners dienden zich te voorzien in een nieuwe woonst (in plaats van één), waardoor de kinderen uit de vertrouwde gezinswoning moesten verhuizen, met allerhande andere dubbele kosten tot gevolg.

Deze miserietaks werd dan ook terecht fel bekritiseerd. De Vlaamse regering zag dit in en trok de verhoging nu in. Uit de echt gescheidenen met onderlinge toestemming of op grond van onherstelbare ontwrichting en de ex wettelijk samenwonenden genieten voortaan vanaf 1 januari 2015 opnieuw van de verlaagde verdeeltaks van 1 procent. Evenwel voor koppels die in het Vlaamse Gewest nog voor 31.12.2014 een regeling rond hun verdeling hebben getroffen en een overeenkomst hebben ondertekend, blijft de miserietaks van 2,5 procent van toepassing, ook wanneer hun echtscheiding pas in 2015 ingeschreven wordt.

Buitenverblijven

Voorts is de nieuwe verlaagde verdeeltaks niet alleen van toepassing op de gezinswoning, maar op alle onroerende goederen die moeten verdeeld worden. Tweede verblijven, buitenverblijven, enz … vallen dus ook onder de regeling. Ook het afstaan of de verdeling van het vruchtgebruik of van de naakte eigendom valt onder de nieuwe tariefverlaging van 1 procent.

Nog enkele nieuwigheden. De verdeeltaks van 1 procent blijft ook geldig wanneer er na de echtscheiding geen einde komt aan de verdeeldheid, hetgeen betekent dat wanneer de omstandigheid zich voordoet dat een koppel beslist om nog een tijd in onverdeeldheid te blijven na de scheiding, deze taks van 1 procent gehandhaafd blijft. Koppels die in België onroerend goed hebben, maar in een andere Europese lidstaat uit de echt scheiden, genieten voortaan ook van de nieuwe verlaagde verdeeltaks van 1 procent.

Tenslotte moet nog vermeld worden dat voor de feitelijk samenwonenden die scheiden helaas nog niets werd voorzien door de Vlaamse regering. Zij vallen dus uit de boot en genieten niet van het verlaagd tarief. Voor hen blijft de miserietaks van 2,5 procent momenteel nog van toepassing.


 

162 doden door partnergeweld in 2013: ‘Vraag hulp voor het te laat is’

Nieuwsblad – 26 januari 2015

In 2013 vielen er in België 162 slachtoffers van partnergeweld. Dat zei Marijke Weewauters van het Interfederaal Gelijkekansencentrum maandag in de Senaat. ‘Partnergeweld moet veel sneller gemeld worden’, zegt ze.

Volgens de politiestatistieken waren er in 2013 39.746 aangiftes van partnergeweld. Dat is echter maar het topje van de ijsberg omdat heel wat feiten niet aangegeven worden. Uit de cijfers is gebleken dat het partnergeweld voor 162 mensen fataal afgelopen is. Dat cijfer ligt in de lijn van vorige jaren, maar is opnieuw heel wat hoger dan in Frankrijk en Spanje. Dat zijn twee veel grotere landen, maar het cijfer ligt er gevoelig lager. ‘Vergelijken met andere landen is moeilijk. In bepaalde landen wordt bijvoorbeeld pas over partnergeweld gesproken als het voorkomt in een huwelijk. Bij ons is een relatie hebben al voldoende.’

Sneller melden

Een slachtoffer kaart partnergeweld pas aan na gemiddeld 35 incidenten. ‘En dat is vaak te laat, want dan is het al levensbedreigend’, zegt Weewauters. De gemiddelde aangiftebereidheid bij de politie is laag (3,3 procent). ‘Huisartsen moeten daar een belangrijkere rol in spelen. Zij zijn gemachtigd om het te melden als ze vermoeden dat er in een gezin sprake is van partnergeweld, maar ze doen dat nog veel te weinig. Er zou een instrument moeten komen waarmee ze dat makkelijker kunnen doen.’

In vier op vijf gevallen worden kinderen blootgesteld aan dit geweld en in drie op de vijf gevallen ondervinden zijzelf ook geweld. 45 procent van deze kinderen lopen het risico dat ze later slachtoffer of dader worden van geweld. Een aanpak op alle niveau’s – federaal, gemeenschap, lokaal – dringt zich volgens Sabine de Bethune en Brigitte Grouwels (beiden CD&V) op om partnergeweld efficiënt te bestrijden, zegden ze na afloop van de commissievergadering.


Homans: ‘Kinderopvang is er vooral voor wie werkt’

Nieuwsblad – 26 januari 2015

‘Gesubsidieerde kinderopvang dient in de eerste plaats voor mensen die werken. Voor kinderen die in armoede opgroeien, kan de overheid andere oplossingen uitwerken.’ Dat zegt Vlaams minister voor Armoedebestrijding Liesbeth Homans (N-VA).

Liesbeth Homans (N-VA), Vlaams minister voor onder meer Inburgering, Gelijke Kansen en Armoedebestrijding, lichtte afgelopen weekend haar visie op kinderopvang toe. Ze vindt dat kinderen van werkende ouders voorrang moeten krijgen. Maar voor kinderen van niet-werkende ouders, moet de overheid nieuwe initiatieven voorzien. ‘Het klopt dat het beter is voor kinderen die in armoede opgroeien dat ze naar de kinderopvang gaan, in plaats van thuis te zitten of meegenomen te worden op café. Maar de overheid kan voor hen andere oplossingen uitwerken.’

Op de vraag of Homans dan pleit voor aparte circuits binnen de kinderopvang, antwoordde haar woordvoerder Jochem Govaerts gisteren negatief. ‘Soms vraagt de sociale context van een kind om kinderopvang en dan is het wenselijk dat daar aparte initiatieven voor in het leven geroepen worden, bijvoorbeeld via OCMW’s.’

Voor Frederic Vanhauwaert, algemeen coördinator van Netwerk tegen Armoede, ruikt dit toch naar een apart ‘armoedecircuit’. ‘Voor de kinderen is het nochtans belangrijk dat ze in een omgeving terechtkomen die overeenkomt met de toekomstige schoolomgeving en maatschappij.’

Bea Cantillon, directeur van het Centrum voor Sociaal Beleid Herman Deleeck aan de UA, is onthutst. ‘De uitspraak dat kinderen in armoede anders toch maar op café zitten, is ronduit denigrerend.’


Homans na storm van kritiek: ‘Aanvullende initiatieven voor élk kind’

Nieuwsblad – 26 januari 2015

Een nieuwe rel rond uitspraken van minister voor onder meer Armoedebestrijding Liesbeth Homans (N-VA) is een feit. ‘Gesubsidieerde kinderopvang dient in de eerste plaats voor mensen die werken. Voor kinderen die in armoede opgroeien, kan de overheid andere oplossingen uitwerken’, meent ze. Reacties van de oppositie, het middenveld én coalitiepartners gaan van ‘Gruwelijk idee’ en ‘Pleidooi voor apart circuit’ tot ‘Hier zijn geen worden voor’. Homans zelf begrijpt de hele heisa echter niet. ‘Het kan interessant zijn om ook naar lokale initiatieven te kijken. Hoe men dit kan interpreteren als een pleidooi voor gescheiden omvang, is me een raadsel.’

Alles begon met een interview afgelopen weekend in De Zondag, waarin Homans onder meer haar visie op kinderopvang, en dan vooral op de gesubsidieerde kinderopvang, uit de doeken deed. Volgens de minister dient die in eerste instantie voor mensen die gaan werken, die ons sociaal systeem mee in stand houden dus. Voor kinderen die in armoede opgroeien, kan de overheid andere oplossingen uitwerken, klonk het, want het is beter voor hen dat ze naar de kinderopvang gaan dan dat ze thuis zitten of worden meegenomen op café.

‘Homans zet werkenden op tegen niet-werkenden’

Het duurde echter niet lang of Homans werd zowat bedolven onder een storm van kritiek. In de eerste plaats vanuit het middenveld, onder meer van Frederic Vanhauwaert, algemeen coördinator van Netwerk tegen Armoede, en Bea Cantillon, directeur van het Centrum voor Sociaal Beleid Herman Deleeck aan de Universiteit Antwerpen. ‘Hier zijn geen woorden voor. Homans gaat haar boekje te buiten op meerdere vlakken. En de uitspraak dat kinderen in armoede anders toch maar op café zitten, is ronduit denigrerend’, klonk het.

Maar ook in politieke hoek bleef het niet stil. Niet bij de oppositie, en opvallend: niet bij CD&V en Open VLD, nochtans coalitiepartners van N-VA in de regering. ‘De oplossing is niet om bepaalde kinderen te weren uit de reguliere opvang’, reageerde voormalig Vlaams minister Freya Van den Bossche (SP.A). ‘Kinderen uit kansarme milieus hebben net nog meer nood aan goede opvang. Het is een gruwelijk idee om hen op te vangen in een apart circuit en de mensen te verdelen in zij met en zonder geld.’

‘Een kind is een kind’, tweette dan weer Open VLD-parlementslid Mathias De Clercq: ‘Geen kind, welke afkomst ook, verdient stigma, apartheid, noch segregatie’. Bij Brussels staatssecretaris Bianca Debaets (CD&V) klonk het als volgt: ‘In #Brussel gn aparte kinderopvang vr ‘arme’ kinderen. Goede mix NL-taligen, éénoudergezinnen, gezinnen met lager inkomen blijven stimuleren’.

Groen-parlementslid Elke Van den Brandt vroeg Jo Vandeurzen (CD&V), minister van Welzijn in de Vlaamse regering en dus de enige die echt bevoegd is voor deze thematiek, om zich duidelijk tegen de uitlatingen van Homans uit te spreken. ‘Homans zet werkenden op tegen de niet-werkenden, in plaats van voldoende plaats te voorzien voor beide groepen’, klonk het.

En-en-verhaal

Fel was de gevraagde reactie van Vandeurzen echter niet bepaald. Het enige wat de minister kwijt wil, zo zei zijn woordvoerster, is dat het de bedoeling is van de regering om stap voor stap voloende en kwaliteitsvolle opvang te voorzien die voor iedereen toegankelijk is, zoals het regeerakkoord ook bepaalt. Absolute voorrang gaat hier naar kinderopvang voor ouders die werken en een beroepsgerichte opleiding volgen, maar de toegankelijkheid voor kinderen die leven in kwetsbare gezinnen wordt wel degelijk verzekerd. ‘Want kinderopvang heeft een minstens even belangrijke, sociale functie.’

De woordvoerder van Homans, Jochem Goovaerts, haastte zich maandagmiddag alvast om een en ander te verduidelijken. ‘De minister is geen voorstander van een gescheiden systeem voor kinderopvang’, klonk het in een mededeling. ‘Wat ze bedoelt, is dat er voldoende kinderopvang moet zijn, zeker voor de mensen die werken, maar ook voor niet-werkende mensen. Zo staat het ook in het regeerakkoord.’ Maar net omdat de zoektocht naar voldoende aanbod een en-en-verhaal is, kan het dus interessant zijn om ook naar lokale initiatieven te kijken, meent Homans. ‘Die kunnen aanvullend op de Vlaamse initiatieven een meerwaarde betekeken.’

Of Vlaanderen op die manier niet een deel van de verantwoordelijkheid afschuift op de lokale besturen, die financieel aan de grond zitten? ‘De discussie over middelen is nu niet aan de orde’, reageert Goovaerts. ‘Het is momenteel vooral zaak om te bekijken hoe ook lokaal voldoende aanbod kan worden gerealiseerd met aanvullende initiatieven. Initiatieven voor élk kind, dus zonder onderscheid tussen kinderen van werkende of van niet-werkende ouders.’


Homans: ‘Geen pleidooi voor gescheiden circuits’

Knack – 26 januari 2015

Vlaams minister voor Gelijke kansen en Armoedebestrijding Liesbeth Homans (N-VA) begrijpt niet hoe haar visie op kinderopvang als ‘een pleidooi voor gescheiden circuits’ geïnterpreteerd kon worden. ‘Aanvullend op de Vlaamse kunnen we op zoek gaan naar lokale initiatieven.’

‘Hoe men dit kan interpreteren als een pleidooi voor gescheiden circuits van kinderopvang is me een compleet raadsel.’ Zo reageert Vlaams minister voor Gelijke kansen en Armoedebestrijding Liesbeth Homans (N-VA) op de commotie rond haar interview in De Zondag.

‘Het is inderdaad zo, dat het beter is voor kinderen die in armoede opgroeien om naar de kinderopvang te gaan in plaats van thuis of op café te zitten’, beaamt Homans. ‘Ik pleit niet voor een gescheiden systeem van kinderopvang.’

‘En-en-verhaal’

Het gaat om een ‘en-en-verhaal’, meent de minister. Er moet voldoende opvang zijn voor niet-werkende mensen, maar zeker ook voor de werkende mens. ‘De overheid kan andere oplossingen uitwerken voor kinderen in armoede. Net om in een voldoende aanbod te kunnen voorzien, kan het interessant zijn om ook naar lokale initiatieven te kijken’, vindt Homans. ‘Die kunnen aanvullend op de Vlaamse initiatieven een meerwaarde betekenen.’

In De Zondag lichtte Homans haar visie op kinderopvang toe. Daarbij stelde ze, dat gesubsidieerde opvang in eerste instantie ‘dient voor mensen die gaan werken, die dus bijdragen tot het instandhouden van ons sociaal systeem’.

‘Geen kind verdient stigma, apartheid, noch segregatie’

Het interview lokte al verschillende reacties uit, ook vanuit de meerderheid. Zo tweette Open VLD-parlementslid Mathias De Clercq: ‘Een kind is een kind. Geen kind, welke afkomst ook, verdient stigma, apartheid, noch segregatie’. Brussels staatssecretaris Bianca Debaets (CD&V) liet via de microblog dan weer verstaan: ‘In #Brussel gn aparte kinderopvang vr ‘arme’ kinderen. Goede mix NL-taligen, eenoudergezinnen, gezinnen met lager inkomen blijven stimuleren’. Mechels burgemeester Bart Somer tweette: ‘voor VLD telt niet afkomst maar toekomst van elk kind. Geen aparte circuits, maar met minder regeltjes #kinderopvang voor iedereen’. Volgens minister van Welzijn Jo Vandeurzen (CD&V) moet er ‘voldoende, kwaliteitsvolle kinderopvang gerealiseerd worden, die voor iedereen toegankelijk is’. Hij stelde wel dat daarbij ‘absolute voorrang’ geldt voor ouders die werken en een beroepsgerichte opleiding volgen. Maar dat ook voor ‘kinderen die leven in kwetsbare gezinnen de toegankelijkheid verzekerd moet worden’.

Vanuit de oppositie reageerde Vlaams parlementslid Freya Van den Bossche (SP.A) al. Zij noemde het voorstel een nogal ‘gruwelijk idee’: ‘We moeten elke mens als mens bekijken en niet kijken naar hoeveel geld hij heeft.’


 

Vandeurzen oneens met Homans: “Niet alleen kinderopvang voor wie werkt”

De Morgen – 26 januari 2015

Vlaams minister van Welzijn Jo Vandeurzen (CD&V) heeft in een communiqué gereageerd op de uitspraken van minister van Inburgering, Gelijke Kansen en Armoedebestrijding Liesbeth Homans (N-VA). Voor Vandeurzen moeten ook ouders die niet werken gebruik kunnen maken van kinderopvang.

“Zoals aangegeven in het Vlaams Regeerakkoord is het onze doelstelling om stap voor stap voldoende, kwaliteitsvolle kinderopvang te realiseren die voor iedereen toegankelijk is. Hierbij geven we absolute voorrang aan kinderopvang voor ouders die werken en een beroepsgerichte opleiding volgen en verzekeren we de toegankelijkheid voor kinderen die leven in kwetsbare gezinnen”, aldus minister Vandeurzen.

Hiermee zet Vandeurzen zich duidelijk af tegen Homans, die het voorbije weekend haar visie op kinderopvang toelichtte. “Gesubsidieerde kinderopvang dient in eerste instantie voor mensen die gaan werken, die dus bijdragen tot het in stand houden van ons sociaal systeem. Het klopt dat het beter is voor kinderen die in armoede opgroeien dat ze naar de kinderopvang gaan, in plaats van thuis te zitten of meegenomen te worden op café. Maar de overheid kan voor hen andere oplossingen uitwerken”, klonk het.

“Geen pleidooi voor gescheiden circuits”

“Hoe men dit kan interpreteren als een pleidooi voor gescheiden circuits van kinderopvang is me een compleet raadsel”, reageert Homans vanmiddag.

Er moet volgens de minister voldoende opvang zijn voor niet-werkende mensen, maar zeker ook voor mensen die werken. “Net om in een voldoende aanbod te kunnen voorzien, kan het interessant zijn om ook naar lokale initiatieven te kijken”, zegt ze. “Deze kunnen aanvullend op de Vlaamse initiatieven een meerwaarde betekenen.”

Kritiek

Homans’ uitspraak werd op kritiek onthaald. Onder meer Bea Cantillon, directeur van het Centrum voor Sociaal Beleid Herman Deleeck (Universiteit Antwerpen) was naar eigen zeggen onthutst. Ook oppositiepartij Groen reageerde scherp. “Is dit de samenleving waar mevrouw Homans voor staat?”, vroeg Groen-parlementslid Elke Van den Brandt zich af. Volgens haar zet minister Homans “werkenden op tegen de niet-werkenden, in plaats van voldoende plaats te voorzien voor beide groepen”.

Open Vld-parlementslid Mathias De Clercq: “Een kind is een kind. Geen kind, welke afkomst ook, verdient stigma, apartheid, noch segregatie”. Brussels staatssecretaris Bianca Debaets (CD&V) liet via Twitter dan weer verstaan: “In #Brussel gn aparte kinderopvang vr ‘arme’ kinderen. Goede mix NL-taligen, eenoudergezinnen, gezinnen met lager inkomen blijven stimuleren”. “Voor VLD telt niet afkomst maar toekomst van elk kind. Geen aparte circuits, maar met minder regeltjes #kinderopvang voor iedereen”, tweette Mechels burgemeester Bart Somers.


 

2 keer meer kleuters te vaak afwezig

VTM nieuws – 24 januari 2015

Het aantal kleuters dat te vaak afwezig was, is vorig schooljaar opvallend gestegen. Dat blijkt uit cijfers die Groen vroeg aan onderwijsminister Crevits. Vooral kinderen uit kansarme gezinnen of met een migratie-achtergrond blijven vaker weg. Het kabinet gaat nu bepaalde doelgroepen stimuleren hun jongere kinderen naar school te sturen, schrijven de kranten van Mediahuis.

Het stijgende aantal afwezigheden bij kleuters deed zich vooral voor in steden als Genk, Hasselt, Brussel en Gent. “In grote steden is er een capaciteitsprobleem en moeten ouders soms hard op zoek naar een school. Maar je ziet ook dat de stijging hoog is in steden met een grote allochtone bevolking. Daar moet men ouders soms overtuigen van het belang van de kleuterschool”, zegt Willy Bombeek van de katholieke koepel. Dat zegt ook Vlaams Parlementslid Elisabeth Meuleman (Groen), die de cijfers opvroeg.


‘Wereldoriëntatie’ bestaat niet meer

De Tijd – 23 januari 2015

Vanaf volgend schooljaar splitsen de basisscholen het lesonderdeel wereldoriëntatie op in ‘wetenschap en techniek’ en ‘mens en maatschappij’. De hervorming moet de basisscholen toelaten een groter accent te leggen op wetenschap en techniek.

De onderwijswereld toonde zich er in het verleden geen voorstander van, maar de Vlaamse regering heeft toch doorgeduwd. De Vlaamse ministerraad gaf vrijdag groen licht voor de opsplitsing van het onderdeeltje wereldoriëntatie in ‘wetenschap en techniek’ en ‘mens en maatschappij’. Wereldoriëntatie bracht de leerlingen in contact met natuur, ruimte, tijd, techniek, mens en maatschappij.
Die maatregel was nog een besluit van de vorige Vlaamse regering. Hij maakte deel uit van het omstreden masterplan voor de hervorming van het secundair onderwijs en paste ook in het STEM Actieplan 2012-2020. Dat actieplan heeft tot doel om kinderen actiever in contact te brengen met wetenschap en techniek.
Jongeren kiezen nu immers nog te weinig voor wetenschappelijke en technologische beroepen. Zo heeft de technologiesector jaarlijks zo’n 9.000 profielen nodig, maar dat streefdoel haalt ze lang niet. Ook de sectoren die op zoek zijn naar wetenschappelijke profielen, zoals de chemiesector, lijden aan bloedarmoede.
Duidelijkheid

De Vlaamse regering wil de basisscholen nu toelaten een groter accent te leggen op wetenschap en techniek door het als een apart onderdeel te profileren. ‘Door ‘wetenschappen en techniek’ vanaf volgend schooljaar als een apart leergebied te benaderen kan een school een groter accent leggen op wetenschappen, technologie en techniek. Het lerarenteam zal zo nog sterker kunnen focussen op STEM’, klinkt het bij Vlaams minister van Onderwijs Hilde Crevits.
Voor de leerlingen van de basisscholen verandert er op zich niet zo heel erg veel. Wetenschap en techniek waren al opgenomen in de algemene eindtermen. Crevits zegt met deze maatregelen vooral ‘duidelijkheid te willen brengen’. ‘Door nu de bestaande ontwikkelingsdoelen en eindtermen op te splitsen voeren we deze beslissing verder uit en brengen we duidelijkheid’.


‘Dochtertjes al acht weken niet gezien door vechtscheiding’

Het Belang van Limburg – 22 januari 2015

Een vrouw uit Houthalen heeft al acht weken haar twee dochters, van 8 en 9 jaar, niet meer gezien door een compleet uit de hand gelopen echtscheidingszaak. Haar ex-man (33) uit Alken, moest op 30 november de kinderen terug naar zijn ex brengen maar deed dat niet. “Ik heb ze sindsdien niet meer gezien. Hun cadeautjes van sinterklaas en kerst liggen hier nog ongeopend”, zucht de Houthalense Loredana Possanza (31). De meisjes zijn al die tijd ook niet op school geweest.

De Houthalense Loredana Possanza (31) begon tien jaar geleden aan wat een mooi avontuur leek met J., een nu 33-jarige man uit Alken. De twee stapten in 2005 in het huwelijksbootje en kregen op korte tijd samen twee dochters. Maar twee jaar later liep het huwelijk op de klippen. De twee kwamen tot een omgangsregeling voor de kinderen. De twee dochters werden gedomicilieerd bij hun moeder in Houthalen en de vader mocht zijn dochters – ondertussen 8 en 9 jaar oud – om de twee weken een weekend zien. Acht jaar ging dat goed, tot twee maanden geleden.


Hoger onderwijs gaat aanbod opleidingen inperken

De Standaard – 20 januari 2015

Het hoger onderwijs moet snoeien in het opleidingsaanbod, wat tot gevolg kan hebben dat studenten een eind verder moeten reizen voor hun opleiding.

Het hoger onderwijs zet zich schrap. Nadat het een besparing moest verteren, dringt zich nu een rationalisering van het aanbod op. In het Vlaams regeerakkoord staat dat de universiteiten en hogescholen zelf voorstellen moeten doen om ‘tot een sober en transparant opleidingsaanbod’ te komen. In interviews liet de minister van Onderwijs, Hilde Crevits (CD&V), al verstaan dat er in de honderden afstudeerrichtingen gerust gesnoeid kan worden.

De universiteiten hebben nu binnen de Vlaamse Interuniversitaire Raad (Vlir) gezamenlijk de ‘principes van de mogelijkheden’ opgelijst. De Standaard kon het document inzien.

In de tekst staat dat er nog ingegrepen kan worden op drie manieren: door kleine groepen studenten die vergelijkbare vakken volgen, samen te voegen; door voor gespecialiseerde opleidingen meer samen te werken met andere instellingen in Vlaanderen en daarbuiten; en door het aantal opleiding af te bouwen. Dat laatste kan alleen als het spoort met de maatschappelijke behoeften en als de onderzoeksexpertise niet in gevaar komt.

‘Vanzelfsprekendheid moet eruit’

Meer samenwerken tussen de instellingen kan tot gevolg hebben dat een bepaalde, vooral meer gespecialiseerde opleiding op minder plaatsen aangeboden wordt. De studenten zullen dan bereid moeten zijn meer afstand af te leggen. ‘Die mentaliteitswijziging is nodig’, zegt Anne De Paepe, rector van de UGent. ‘We vinden het in dit land evident dat je op een boogscheut alle denkbare opleidingen vindt, maar die vanzelfsprekendheid zal eruit moeten.’

De kleinere instellingen zijn er beducht voor dat de discussie in kwantitatieve termen gevoerd zal worden: dat opleidingen met te weinig studenten opgedoekt zouden worden.

In april moet het hoger onderwijs een voorstel presenteren aan de minister van Onderwijs, Hilde Crevits (CD&V).


1 op 8 gemeenten plant ‘schoolstraat’

Nieuwsblad – 20 januari 2015

Zestig procent van de Vlaamse steden en gemeenten plant deze regeerperiode verkeersmaatregelen om bewoners op de fiets te krijgen. Vooral ‘schoolstraten’, waar het verboden is om bij het begin en aan het einde van de schooldag met de auto te rijden, zijn in opmars.

In de buurt van scholen ontstaat vaak verkeerschaos. Ouders zetten hun kinderen af met de auto, leerlingen komen te voet of met de fiets toe en ondertussen moet het gewone verkeer er nog door. Daardoor voelen ouders en kinderen zich vaak onveilig aan de schoolpoort.

De Vlaamse steden en gemeenten hebben dit blijkbaar ook begrepen, want uit een grootschalige enquête van Fietsberaad Vlaanderen blijkt dat twaalf procent deze regeerperiode ‘schoolstraten’ gaat invoeren. Bedoeling is zo meer ruimte aan de kinderen te geven, en de veiligheid aan de schoolpoort te verhogen.

Voorlopig werkt nog maar een handvol gemeenten al met het principe van een schoolstraat, waaronder Gent.


Miserietaks zorgt voor uitstel echtscheidingen

De Standaard – 15 januari 2015

In het vierde kwartaal van 2014 is het aantal echtscheidingen gehalveerd. Koppels stellen hun echtscheiding uit tot 2015, om te kunnen genieten van een lagere miserietaks. Dat blijkt uit cijfers van de Koninklijke Federatie van het Belgisch Notariaat.

Het aantal echtscheidingsovereenkomsten daalde in het vierde kwartaal met 48,9 pct tegenover het vierde kwartaal 2013.

Reden is de verdeeltaks of miserietaks die moet betaald worden als bij een scheiding één van de partners de woning overneemt. Die daalde vanaf 1 januari van 2,5 naar 1 pct. Dat scheelt al gauw 2.000 à 3.000 euro. Met als gevolg dat koppels hun echtscheiding uitstellen tot 2015

De notarissen merken dan ook in de eerste weken van 2015 een forse toename van het aantal echtscheidingen.

Jaarlijks vinden 20.000 à 25.000 echtscheidingen plaats in België. Bij de helft daarvan is onroerend goed gemoeid. Die zijn dus in het laatste kwartaal zo goed als allemaal uitgesteld naar 2015.


West-Vlaamse student is de slimste

De Standaard – 14 januari 2015

De slaagcijfers van studenten uit West-Vlaanderen in het hoger onderwijs zijn beter dan die van studenten uit andere provincies. Ze maken een nuchtere studiekeuze en in hun middelbare scholen heerst meer rust en discipline.

Veertig procent van hen slaagt erin zijn bachelor in de voorziene drie jaar af te ronden, gemiddeld is dat 34 procent. De prestaties van andere provincies liggen dichter bij dat gemiddelde.  In Oost-Vlaanderen gaat het slechts om 33 procent, in Vlaams-Brabant om 34 procent, in Antwerpen en Limburg om 32 procent en in het Brussels Gewest om 21 procent. Dat blijkt uit cijfers die Vlaams parlementslid Koen Daniëls (N-VA) verzameld heeft.

Net als iedereen gaan de West-Vlamingen er op achteruit – in 2005-2006 haalde nog 48 procent het in drie jaar – maar ze blijven onbetwistbaar de koploper.

Onderzoekers en waarnemers schrijven die verschillen onder meer toe aan een meer geïnformeerde studiekeuze. Dat is ook af te lezen uit het feit dat West-Vlamingen in verhouding meer voor de hogeschool dan voor de universiteit kiezen. Ook de vaststelling dat er meer discipline heerst in de klassen van het West-Vlaams secundair onderwijs wordt een verklaring genoemd.

‘Verbazend’, vindt socioloog Mark Elchardus (VUB), die het fenomeen tien jaar geleden al eens bestudeerde. ‘Vlaanderen is klein en het schoolsysteem heel uniform. Toch doen er zich grote regionale verschillen voor.’


“Hannes en Thijsje hebben nu ook voor de wet twee ouders”

Gazet van Antwerpen – 11 januari 2015

Zogenaamde ‘meemoeders’ moeten vanaf nu hun eigen kind niet meer adopteren. De meemoeder is vanaf nu, samen met de biologische moeder, meteen de juridische ouder van het kind. Kathleen en Gerd uit Essen zijn heel blij met deze regel. Hun kindjes Hannes en Thijsje zijn nu ook officieel van hen beiden.

Lesbische koppels konden tot nu toe hun kind niet samen gaan aangeven. Enkel de biologische moeder kon dat. De meemoeder kon het kind pas erkennen na een omslachtige adoptieprocedure. Ook voor Kathleen (32) en Gerd (45) uit Essen was het een periode van juridische onzekerheid tegenover de kinderen.

Meemoeders zijn vrouwen met een lesbische partner die een kindje heeft gekregen en die dat kind samen met de biologische moeder als ouder opvoedt. Tot voor kort moesten meemoeders hun kindje adopteren om juridisch ouder te worden. Dat is nu eindelijk van de baan. Vanaf 1 januari geldt namelijk dat wanneer een gehuwd lesbisch koppel een kindje krijgt, beide moeders automatisch juridisch ouder zijn van hun kind. Bij niet-gehuwde koppels kan de niet biologische moeder of meemoeder haar kind simpelweg erkennen bij de burgerlijke stand. Net zoals bij heterokoppels dus.

Gemeente goed op de hoogte

Kathleen en Gerd zijn de ouders van Lucas (13), Hannes (4) en Thijsje (1). Lucas is de zoon van Gerd, Hannes en Thijsje waren officieel enkel de kinderen van Kathleen. Vanaf 1 januari is daar wettelijk verandering in gekomen. “Toen Kathleen zwanger was van Hannes, heb ik een adoptiecursus gevolgd”, vertelt Gerd. “Adoptie vereist een lange procedure, die vaak meer dan een jaar aansleept. De meemoeder moet een cursus volgen, er worden psychologische tests afgenomen en sociale enquêtes uitgevoerd. Ik wist dat er een wetsvoorstel op tafel lag om de meemoeders officieel te erkennen als ouder. Voor mij was dat een reden om te wachten tot die procedure helemaal rond was. Toen Kathleen zwanger was van Thijsje, was het zover. Het was enkel nog wachten tot de Senaatscommissie Justitie het voorstel goedkeurde.”


 

Radio1 Hautekiet – 9 januari 2015

Gaan koppels te snel uit elkaar als het even wat minder goed gaat? Die vraag stelt Dora Garsia zich op haar blog. “Na de weddingboom en de babyboom, ben ik nu willens nillens in een verschrikkelijke echtscheidingsgolf beland.”
Scheiden mensen te snel? Doen we te weinig moeite om een relatie in leven te houden?
Heb je zelf al spijt gehad van je scheiding (of die van anderen in je omgeving)? Of helemaal niet?


“Echte liefde zit niet in grote romantische gevoelens, wel in je samen vervelen op de bank”

De Morgen – 7 januari 2015

De ware, duurzame liefde: voor eeuwig en altijd. Voor sommigen een werkelijkheid, voor velen een bijna utopisch verlangen. Maar waaruit bestaat zij? En waarom is ze zelfs voor hen die haar gevonden hebben zo moeilijk te behouden?

Als u hoopt in de komende 100 of wat regels te ontdekken wat ware liefde is, of waar zij zich precies voor u verschuilt, dan stopt u beter maar meteen met lezen. Want de liefde, die laat zich niet vertellen. Volgens systeemtherapeut en psychiater Dirk De Wachter is dat misschien nog wel ons grootste probleem met de liefde: “We willen altijd alles maar begrijpen, alles rationeel vatten en analytisch uit elkaar halen. Maar de liefde laat zich niet begrijpen”, zegt hij. “Ze is mysterieus en broos. Krimpt ineen als er te veel naar haar gevraagd wordt.”

Meer dan een poging tot de liefde door te dringen, probeert hij in zijn laatste boek (Liefde. Een onmogelijk verlangen?) dan ook ‘zachtjes om haar heen te praten’: “Want meer dan haar fundamentele onzegbaarheid omzwachtelen met woorden en beelden kunnen we niet doen. Het mysterie hier en daar heel even proberen aan te raken, dat is alles.”

Kunstige liefde

ooral niet te luid roepen wanneer het om liefde gaat, lijkt dan ook de kernboodschap van De Wachter te zijn. Haar niet te hard achterna hollen, of er al te zeer naar verlangen. Dat advies geldt overigens niet alleen voor de zoekenden onder ons: “Zelfs mensen die al jarenlang in liefde samenleven kan zij plots ontglippen.”

Liefde is dan ook niet iets waar we zelf de hand in hebben, merkt De Wachter op. Eerder is ze een “noodlottige genade”: iets dat berust op veel geluk en een beetje toeval. Ons hullen in al te veel te trotse zelfgenoegzaam is volgens hem dan ook gevaarlijk: “We moeten ons voor de liefde vooral niet te veel feliciteren, want voor je het weet is ze dood en blijven alleen pijn en een beschuldigende vinger achter. “Speak low when you speak on love”, is dan ook het motto dat hij zelf vrij letterlijk ter harte lijkt te nemen.

Zijn gezworen stilte heeft echter niet alleen met de liefde zelf te maken, maar ook met onze taal, zo zegt hij. “Waneer het om de liefde gaat, zijn woorden ontoereikend. Taal spreekt enkel onze ratio aan: drukt uit wat we kunnen weten en begrijpen. Maar de essentie van het mens-zijn, en dus ook van liefde, zit net in het niet-weten:  in het mystieke, datgene dat buiten het denken om, alleen gevoeld kan worden.” Waar taal de zinderende stilte mist om het onvatbare toch uit te drukken, draagt kunst die spreekwoordelijke veelzeggendheid wel met zich mee: “Veel meer leren we over de liefde uit een gedicht van Pessoa of een poëtische lyric van Cohen dan uit een ontleding”, zegt hij.

In erotiek en ongeluk

Of er echt niets essentieels uit liefde te ontwaren valt? “Als we dan toch één wezenskenmerk van liefde moeten aanraken, laat het dan zijn dat zij altijd een paradoxis”, zegt hij. Echte liefde kenmerkt zich volgens De Wachter dan ook maar in het samen voorkomen van twee ogenschijnlijk tegenstrijdige dingen. “Aan de ene kant is liefde het rauwe, het erotische en passionele, dat net als in de grote romantische verhalen als een illusoire vlucht uit de werkelijkheid geldt.” Maar aan de andere kant is écht liefhebben, ook net tevreden zijn met het kleine levenvan alledag: de jengelende kinderen die weer naar school gebracht moeten, de stilte aan de keukentafel, het kleine gekibbel achteraf. “De lieve bescheidenheid in de banaliteit kunnen zien en het graag hebben: daar zit duurzaamheid in.”

Echte liefde toont zich volgens de psychiater dan ook maar in tijden van verdriet. Op momenten van rouw of verlies, waarop het leven zo zwaar is dat het alleen nog maar moeilijk te dragen is. “Dan kunnen steunen op het onvoorwaardelijk vertrouwen van een ander, is een kostbaar iets.”

Onmogelijke liefde

In dat laatste lijkt mij dan ook de grootste onmogelijkheid van ‘ware liefde’ te liggen: hoe immers kan je passioneel naar de ander blijven verlangenals die je vierentwintig uur op vierentwintig zijn meest eerlijke en ongecensureerde vormen onder de neus duwt? Als dé liefde in een ochtendlijke roes van onbezonnenheid halfnaakt en op witte kousenvoeten slaapdronken naar het toilet strompelt en zelfs daar de deur op een kier laat staan? Hoe dan, kan de bewondering anders dan in totale ontnuchtering verdrinken?

Volgens De Wachter hoeft die dualiteit echter niet per sé in onmogelijkheid te verzanden. Het geheim van een duurzame relatie waarin ook de erotiek niet verloren gaat, bestaat er volgens hem in, altijd als een soort minnaar voor elkaar te blijven bestaan: “Het komt er op aan het verlangen naar de ander in stand houden. Dat kan alleen door het nooit volledig in te lossen.”

Generatie Y: te veel kicks, te veel verlangen

Gelukkig voor ons, is elke persoon dan ook absoluut en radicaal anders, zegt hij. “Dat we elkaar ooit volledig kunnen kennen is – zelfs in een liefdesrelatie – een illusie.” Het is dat tikkeltje onvoorspelbaarheid dat ervoor zorgt dat we altijd naar de ander kunnen blijven verlangen.” Alleen omdat ons lief ons ook na 25 jaar huwelijk nog kan verrassen, kunnen we hem of haar ook zo lang aan onze zijde verdragen.

Toch is het precies met dat blijvende verlangen dat wij Y’ers het meeste last blijken te hebben. “We leven in een tijd van kicks en drives”, zegt De Wachter. “Alle verlangen moet zo snel mogelijk worden ingelost.” Daardoor gaan we niet alleen erg hard en snel leven, het zorgt er ook voor dat we steeds hevigere en intensere ervaringen nodig hebben om bevredigd te blijven. “Het leven wordt een rollercoaster aan emoties.”

Ook de manier waarop we liefhebben wordt door die snelle, maar vluchtige aanpak gedomineerd, zo blijkt. “Jongeren neigen steeds vaker naar seriële monogamie: een relatie is maar goed tot ze niet langer aan forse emoties tegemoetkomt. Wanneer het saai of vervelend wordt, geven mensen er de brui aan en kiezen ze voor een tweede (of derde, of vierde) poging.” Of dat dan een probleem is? “Dat weet ik niet”, zegt De Wachter. “Ik zie alleen dat zo’n aanpak in de praktijk in veel gevallen toch vooral veel pijn en verdriet veroorzaakt.”


 

Radio1 Hautekiet – 6 januari 2015

Al gehoord van “de zachte landing”? Die geeft ouders en kleuters de kans om rustig afscheid van elkaar te nemen op een schooldag. Ouders mogen een kwartiertje mee in de klas, zodat de kindjes beter kunnen “acclimatiseren”.
Een geniaal idee? Of hou je het afscheid beter kort? Misschien is het zelfs pijnlijk voor de ouders die er geen tijd voor hebben, omdat ze naar hun werk moeten? Hautekiet had het er vanmorgen over.


Medisch onderzoek op school weigeren voor je kinderen: mag dat?

De Morgen – 6 januari 2015

Kinderen die samen in hun ondergoed moeten wachten en nadien bij een vreemde arts moeten komen: Lia S. uit Opglabbeek, die geciteerd wordt door Het Belang van Limburg, ziet dat niet zitten voor haar kroost. Ze vertikt het dan ook om haar drie kinderen naar het medisch onderzoek van het Centrum voor Leerlingenbegeleiding (CLB) te laten gaan. Maar mag je dat wel weigeren? We zochten het voor u uit.

“Ik wil het debat openen”, zegt Lia S. in Het Belang van Limburg. Zij heeft zelf niet al te aangename herinneringen aan haar eigen ‘Medisch Schooltoezicht’-ervaringen (het MST ging eind jaren 90 op in het CLB, nvdr). “Ik weet nog goed hoe ik zelf in mijn onderbroek bij de rest van de klas moest staan. Ik zat in het vijfde leerjaar en had al borsten. En dan alleen naar een vreemde dokter… Ik denk dat er weinig mensen zijn die dat fijn vonden.”

Ook haar kinderen wil ze daarom niet in ondergoed op een bankje droppen en alleen bij een vreemde arts laten binnengaan. “De manier waarop deze onderzoeken gebeuren is toch niet meer van deze tijd”, luidt het.

Verplicht

Lia S. is een hele grote uitzondering, bevestigt ons woordvoerster Annelies De Graeve van de Vrije-CLB-Koepel (VCLB). Cijfers heeft ze niet, maar “naar dergelijke gevallen is het zoeken als naar een speld in een hooiberg”.

Niet echt verwonderlijk, want de zeven medische onderzoeken die een kind tijdens zijn schoolcarrière moet ondergaan, zijn verplicht. “Maar je mag er wel voor opteren om het onderzoek door een andere arts te laten uitvoeren. De vereiste daar is wel dat dat op dezelfde wetenschappelijke manier gebeurt. Het grote nadeel is natuurlijk dat je dan zelf voor de kosten opdraait, terwijl het CLB-onderzoek gratis is.”

Instantbeloning

De Graeve spreekt geen waardeoordeel uit over de mening van Lia S., maar verdedigt wel het doel van de CLB-consultaties. “We willen die zaken opsporen die de groei of de ontwikkeling van het kind in gevaar kunnen brengen. Het onderzoek is dus puur preventief.”

Ze ziet er ten dele een verklaring in waarom sommige ouders het nut niet echt zien, zeker als ze tijdens het schooljaar zelf enkele keren met hun kinderen bij een arts belanden. “Voor veel kinderen zijn de resultaten van een medisch onderzoek steevast goed. Zo ondervinden ouders daar niet echt een ‘instant beloning’ van. Het is pas als kinderen echt doorverwezen moeten worden, dat het nut zich manifesteert.”

Ook bij minder positieve resultaten van het onderzoek kan soms enige wrevel of ontevredenheid de kop opsteken bij de ouders. “Sommige vaststellingen liggen nu eenmaal gevoelig, bijvoorbeeld als het gaat over overgewicht.”

Indianenverhalen

En dan is er nog de eigen herinneringen aan en enkele indianenverhalen over die medische onderzoeken blijven doorleven. “Ook ik stam nog uit de tijd van ‘plassen in het potje'”, grinnikt De Graeve. “Maar die methodes zijn allemaal aangepast en veel meer bij de tijd nu.”

Ze bevestigt daarmee de woorden van Christine Tielemans van VCLB Limburg in het Belang van Limburg: “Vandaag gebeurt alles heel waardig en met respect voor de kinderen”, ondersteepte zij. “De inspectie waakt ook heel streng over de privacy. Kleuters zitten om praktische redenen wel nog samen in hun hemdje, maar de grotere kinderen niet meer. Eenmaal ze beginnen te puberen vermijden we dat.”

Arresteren

En als je, zoals Lia S., het verplichte medisch onderzoek blijft weigeren? Kan de overheid dat dan afdwingen? Het CLB probeert eerst op ouders in te praten en een oplossing te zoeken. Mocht dat niks uithalen, dan moet CLB dat melden aan het Departement Onderwijs van de Vlaamse overheid. In het ergste geval stuurt het Departement dan een aanmanende brief naar de ouders, zo bevestigt de juridische dienst van het VCLB.

Niet bijster afschrikwekkend voor een hardnekkige weigeraar, geeft De Graeve toe. “Maar je kan mensen daarvoor toch ook moeilijk gaan arresteren?”


Maanden wachten voor bezoekruimte bij vechtscheiding

De Standaard – 6 januari 2015

Bezoekruimtes waar ouders in een vechtscheiding hun kinderen in een veilige omgeving kunnen zien, zijn zo ‘populair’ dat er wachtrijen voor bestaan. Dat is het geval bij acht van de elf Centra voor Algemeen Welzijnswerk (CAW’s).

Bij probleemscheidingen komt het regelmatig voor dat het contact tussen ouders en kinderen thuis of elders niet kan doorgaan. De bezoekruimtes van de CAW’s dienen om het contact tussen ouders en kinderen te herstellen, al dan niet met begeleiding van een medewerker. Vaak komen ouders er via de rechter terecht, maar ze kunnen zich er ook vrijwillig melden.

Maar de wachttijden voor de bezoekruimtes lopen op van twee maanden tot een half jaar. Tijdens die periode is geen contact tussen ouder en kind mogelijk. Het probleem van de wachtlijsten voor de bezoekruimtes is aangekaart in het jaarverslag van de kinderrechtencommissaris. Vlaams parlementslid Martine Taelman (Open VLD) vroeg nu bijkomende gegevens over de wachttijden op bij minister van Welzijn Jo Vandeurzen (CD&V).

Die wachttijden verschillen per regio. In de meeste provincies duurt het wachten twee of drie maanden. In Zuid-West-Vlaanderen is dat zelfs drie tot vier maanden. In Oost-Vlaanderen is er voor een bezoekruimte een wachttijd van minstens drie maanden, voor een tweede bezoekruimte vijf tot zes maanden.


 

10 tips voor blokkende studenten

De Standaard – 6 januari 2015

Voor studenten in het hoger onderwijs is de blokperiode aangebroken. Wij vroegen studentenadviesbureau Studentor om tien bloktips.

1. Verzamel al je studiemateriaal (cursussen, boeken, notities, examenvragen, samenvattingen) en breng structuur in de hoofdstukken aan door middel van tussenschotjes, post-its enz… Kopieer voor elk vak je inhoudstafel naar A4-formaat.

2. Wees realistisch. Maak een eerlijke stand van zaken en bekijk of alle vakken afleggen in januari überhaupt wel mogelijk is. Vakken waarvoor je bij wijze van spreken nog niets hebt gedaan, laat je best vallen om andere wel haalbare vakken niet te compromitteren en om je slaagkansen te vergroten.

3. Maak een goede blokplanning: tel hoeveel halve dagen je beschikbaar hebt om te blokken, zowel in de examenperiode zelf als tijdens de blok. Bedenk hoeveel halve dagen je idealiter zou willen spenderen aan elk af te leggen vak. Begin van je laatste examen richting je eerste examen de beschikbare halve dagen te verdelen volgens noodzaak. Verdeel het aantal te studeren hoofdstukken over de uitgetrokken tijd en bouw herhaalmomenten in.

4. Creëer voorspelbaarheid door routine: 7.00u opstaan en ontbijten, 8.00u tot 12.30u blokken (met 2 x 15’ pauze), lunch, 13.30 tot 18.00u blokken (met 2 x 15’ pauze), diner, 19.00u tot 21.00u uur herhalen, ontspanning en 8 uur slapen. Vermijd cafeïnehoudende dranken of energy drinks na 18.00u.

5. Creëer een prikkelarme omgeving: zet je gsm en laptop volledig uit tussen 8 en 21 uur. Facebook, Whatsapp, Twitter en Snapchat zijn dodelijk voor een aangehouden concentratie en kunnen wachten tot ’s avonds. Maak duidelijk aan vrienden en familie dat je tussen 8.00u en 21.00u offline bent en dus onbereikbaar.

6. Tijdens het blokken zelf is je inhoudstafel essentieel: situeer elk hoofdstuk binnen het geheel. Voeg in potlood kernwoorden toe aan je inhoudstafel zodat je de uren voor je examen alleen nog je inhoudstafel moet bekijken. Schematiseer je materie en studeer in samenhangende stukjes in plaats van ineens een hoofdstuk van 50 pagina’s. Schrijf bij abstracte, droge theorie een verduidelijkend concreet voorbeeld.

7. Activeer en toets jezelf: loop rond, herhaal luidop de hoofdzaken en de titelstructuur van de ingestudeerde materie. Probeer aan jezelf uit te leggen wat je net geleerd hebt en duid op je inhoudstafel aan waar je nog moeilijkheden mee hebt.

8. Heb geen zelfmedelijden en geef niet op wanneer het wat minder vlot gaat. Shit happens, maar laat je er niet door demotiveren. Studeren is saai, eenzaam en onaangenaam. Punt aan de lijn. Vraag aan je omgeving om je te steunen in je zelfdiscipline.

9. Eet gezond. Zorg dat je voldoende eten en drinken in huis of op kot hebt, zodat je je luttele vrije tijd niet in de supermarkt moet doorbrengen. Laat je niet verleiden om enkel junkfood te eten. Kies voor licht verteerbare maaltijden en zorg voor voldoende gezonde tussendoortjes zoals fruit en yoghurtjes.

10. Na 21.00u ’s avonds nog blokken is onproductief dus spreek af met je kotgenoten of met je familie om iets leuks te doen. Vermijd impulsen van computers of gsm’s. Geef je hersenen wat rust en ga rond 23 uur slapen.


Kinderen met een oudere broer of zus doen het beter op school

De Morgen – 5 januari 2015

Een studie aan de universiteit van Essex toont aan dat wie een oudere broer of zus heeft die het goed doet op school, zelf geneigd is het nog beter te doen. Zo zouden de resultaten van de jongere broer of zus gemiddeld vier procent hoger liggen, dan die van hun voorgangers. De onderzoekers spreken van een ‘sibling spillover’-effect.

Kinderen of jongeren die binnen hun schoolloopbaan kunnen rekenen op de cognitieve steun van een oudere broer of zus, lijken daar aardig wat voordeel uit te halen. Een recente studie aan de universiteit van Essex ontdekte namelijk dat jongere kinderen, dankzij het stichtende voorbeeld van hun genetische voorgangers, betere studieresultaten behalen dan kinderen die niet op broers of zussen kunnen terugvallen.

De studie, die vier jaar lang de onderwijsresultaten van 220.000 Britse kinderen opvolgde, toonde aan dat de resultaten van de jongere broer of zus gemiddeld zo’n vier procent hoger liggen dan die van de oudste kinderen. Waarschijnlijk omdat die in het doorlopen van hun studieloopbaan volledig op zichzelf aangewezen zijn.

Stichtend voorbeeld

Onderzoekers Cheti Nicoletti en Birgitta Rabe van het instituut voor Sociaal en Economisch onderzoek zijn de eersten die het zogenaamde ‘vermeerderingseffect’ aan nader onderzoek onderwierpen. Uit de resultaten bleek dat er een aantal factoren zijn, die de mate van ‘spill-over’ kunnen vergroten. Zou zouden de resultaten van de jongere broer of zus het best zijn, wanneer het oudste kind hen bijstond in het maken van huistaken en wanneer die daarenboven regelmatig schoolgerelateerde informatie of kennis deelden binnen het gezin.

Ook de mate waarin de jongere broer of zus het gedrag van oudere telgen probeerde te imiteren, speelde een versterkende rol. Vreemd genoeg was eenzelfde positief effect ook merkbaar wanneer de jongste kroost zich uit rebellie net afzette tegen het gestelde ‘goed gedrag en zeden’ van broer of zus.

Armoede-factor

Een laatste factor die de sterkte van het ‘spillover’-effect lijkt te bepalen, is de economische staat van welvaart binnen het gezin. Zo bleek het effect twee tot vier maal zo sterk bij families die het financieel iets minder breed hadden, dan bij gezinnen die het economisch wel stelden. De reden voor dat verschil? “Waarschijnlijk de verschillende mate waarin beide gezinstypes toegang hebben tot kennis over het onderwijssysteem, studiekosten, verschillende onderwijstypes en ook over de inhoudelijke materie die er gegeven wordt”, zeggen de onderzoekers.

Wanneer jongere kinderen binnen minder financieel gegoede gezinnen kunnen terugvallen op kennis van oudere broers of zussen, is die kennis – relatief gesproken – dan ook van meer waarde. “Want”, zo klinkt het, “kinderen die opgroeien in een sociaal-economisch gunstig klimaat, hebben sowieso al meer toegang tot dat soort van informatie”.

Kenmerken die de minder gegoede gezinnen uit het onderzoek met elkaar gemeen hadden, was niet alleen dat ze over een lager inkomen beschikten, maar ook dat ze in meer achtergestelde gebieden woonden. “Ook het feit dat Engels er binnenshuis meestal niet als moedertaal gold, kan van invloed geweest zijn”, aldus de onderzoekers.


Tablets en smartphones beroven kinderen van hun slaap

Datanews – 5 januari 2015

Kinderen met tablets en smartphones in hun slaapkamer genieten minder slaap dan degenen die er niet over beschikken. Ook tv’s zijn boosdoeners.

Dat blijkt uit een Amerikaanse studie bij 2.048 kinderen tussen 10 en 13 jaar die school lopen in Massachusetts. Het onderzoek is verschenen in het Amerikaanse blad Pediatrics.

Smartphones en tablets in de slaapkamer: 21 minuten minder slaap

Van de onderzochte tieners slapen diegenen met tablets en smartphones in hun slaapkamer gemiddeld 21 minuten minder lang dan zij die niet in hun kamer niet over zulke toestellen beschikken.

Tv in de slaapkamer: 18 minuten minder slaap

Kinderen met een televisie aan het voeteneinde van hun bed zien hun slaap met 18 minuten geamputeerd in vergelijking met leeftijdsgenoten die geen afstandsbediening binnen handbereik hebben.

Onderzoekers: ‘Dit is een waarschuwing tegen beeldschermen in kinderkamers’

‘Deze resultaten moeten waarschuwen tegen onbeperkt toegang tot beeldschermen in kinderkamers’, benadrukken de wetenschappers onder leiding van Jennifer Falbe van het Instituut voor Volksgezondheid aan de Universiteit van Californië.


Vlaamse regering wil kinderen meer fruit doen eten

Knack – 4 januari 2015

De schoolfruitregeling wordt uitgebreid naar het buitengewoon secundair onderwijs zodat de leerlingen kunnen genieten van gratis fruit op school.

De Vlaamse regering heeft op initiatief van CD&V-ministers Joke Schauvliege en Jo Vandeurzen de uitbreiding van de schoolfruitregeling goedgekeurd. Leerlingen uit het basisonderwijs konden al genieten van gratis groenten en fruit op school. Dat wordt dit schooljaar nog uitgebreid naar het buitengewoon secundair onderwijs. Hiervoor wordt 520.000 euro uitgetrokken.

“De schoolfruitactie wil op een positieve manier het eetgedrag van kinderen en jongeren beïnvloeden en de aandacht van de scholen voor gezonde voeding versterken”, aldus de ministers.

Het is de bedoeling dat leerlingen minstens één keer per week samen een groente of een stuk fruit eten en leren kennen.


2014

Ouders onterven binnenkort mogelijk?

De Standaard – 26 december 2014

De Vlaamse liberalen hebben een wetsvoorstel ingediend om het napoleontische erfrecht te moderniseren. Zo wordt het mogelijk je ouders te onterven.

De invoering van een modern erfrecht is een van de zaken die Open VLD graag op haar conto wil schrijven. ‘Zo geven we de erflaters meer keuzevrijheid en vermijden we veel conflicten’, zegt Open VLD-kamerlid Carina Van Cauter.

Een van de speerpunten in het wetsvoorstel is dat het onterven van ouders mogelijk wordt. Vandaag krijgt elke ouder sowieso een vierde van de erfenis van zijn kind, als die zelf geen nakomelingen heeft. Volgens het nieuwe wetsvoorstel wordt het mogelijk dat ouders niets meer krijgen.

‘Wel zullen behoeftige ouders nog aanspraak kunnen maken op een onderhoudsuitkering die dan uit de nalatenschap komt’, vult Van Cauter aan. Volgens Open VLD is het ‘niet normaal’ dat middelen opklimmen, maar moet er wel nog een zekere solidariteit tussen generaties blijven bestaan.

De liberalen willen ook komaf maken met het verbod om overeenkomsten te sluiten over niet-opengevallen erfenissen, waarbij de erflater dus nog in leven is. ‘Om conflicten te vermijden, bepaalt ons wetsvoorstel dat men individueel bij de notaris komt om het akkoord te ondertekenen. Dat akkoord kan ook weer ingetrokken worden’, klinkt het.

Minister van Justitie Koen Geens (CD&V) heeft zich nog niet concreet uitgesproken over de hervorming die híj voor ogen heeft.


Hoe omgaan met de feestdagen als je om iemand rouwt?

Knack – 22 december 2014

Hoewel mensen die rouwen om het verlies van een geliefde het liefst kerst en nieuwjaar zouden willen overslaan, zijn er toch manieren om zich enigszins voor te bereiden op de feestdagen.

Eindejaar is niet voor iedereen een reden tot feesten. Zij die een geliefde verloren, hebben het vaak moeilijk met het feestgedruis dat kerst en nieuw met zich meebrengen. Niet alleen het verlies van een geliefde, maar ook hoe de omgeving op het rouwproces reageert, zijn in tijden van champagne en kaviaar zwaar om slikken.

‘De recente campagne ‘Oe ist’ van de provincie West-Vlaanderen toont aan dat we niet altijd op de juiste manier reageren wanneer iemand met verdriet te maken krijgt’, legt Franky Debusschere, medewerker bij de vzw Mantelzorg van Ziekenzorg CM, uit aan Knack.be. ‘West-Vlamingen, maar ook bij uitbreiding de meeste Vlamingen, praten immers moeilijk over hun gevoelens of hebben niet altijd oren naar de problemen van anderen. Een vrouw drukte het ooit als volgt uit: “Bij thuiskomst na een vakantiereis krijg ik gemakkelijk de vraag: hoe is het geweest? Zelden krijg ik de vraag hoe het mij vergaat in mijn rouwproces.” Mensen vergeten soms dat in een boog om de rouwende heen lopen en de overledene doodzwijgen kwetsend kan werken.’

Een belangrijk aspect van het werk van Debusschere is nazorg bieden aan mantelzorgers. ‘Mantelzorgers lopen jarenlang op de tippen van hun tenen en verwaarlozen langzaam hun sociaal netwerk. Wanneer hun geliefde uiteindelijk sterft, worden ze plots geconfronteerd met de vraag “Wat nu?”. Wij proberen via rouwgroepen stil te staan bij het leren leven met gemis.’

Rouw is niet alleen dood

Volgens Debusschere is rouw niet alleen het antwoord dat we geven op het verlies van een man, een vrouw, een kind, een vader, een moeder, een broer, een zus, een vriend of vriendin die voor ons van betekenis is. ‘Vroeg of laat worden we allemaal met verlies geconfronteerd. Verlies kan ook een ontslag of een echtscheiding zijn, een mislukte zwangerschap of het stille verdriet van een minnaar of minnares.’

Debusschere pleit daarom voor een cultuur die rouw erkent als een gezonde reactie op verlies, voor een samenleving die een tolerante houding aanneemt tegenover verlies en pijn en respect heeft voor de unieke rouwbeleving van elke persoon. ‘Rouw is geen ziekte, maar hoort bij het leven. Rouwexpert Manu Keirse beschrijft rouw als een schaduw: het achtervolgt je, soms zie je hem niet meer en plots staat hij opnieuw voor je. Zo kan een begrafenis jaren later een trigger zijn voor verdriet dat opnieuw naar boven komt’, aldus de hulpverlener die meent dat op rouw geen tijd staat. ‘Naarmate je ouder en rijper wordt, kan je het verlies beter plaatsen. 90 procent van de mensen slaagt er uiteindelijk in om verder te gaan met het leven.’

Mythes uit het verleden

Toch waarschuwt Debusschere voor bepaalde mythes uit het verleden. ‘Vermijd clichés en dooddoeners zoals “je moet het vergeten”. Je hoeft helemaal niet te vergeten. Herinneringen aan de overleden persoon kunnen net de nodige kracht geven in periodes waarin het wat minder gaat. Ook een uitspraak als “je moet het loslaten” is achterhaald. Je moet het niet loslaten, maar juist ánders vasthouden. Maak tijd om stil te staan bij het verlies door bijvoorbeeld af en toe naar een liedje te luisteren waar de overleden persoon van hield.’

Hoe kunnen rouwenden tot slot het best de komende feestdagen doorkomen? ‘Een belangrijk aspect is zo helder mogelijk je wensen kenbaar te maken aan je omgeving’, adviseert Debusschere . ‘Sommigen organiseren het kerstfeest liever niet thuis, anderen verkiezen dan weer om op kerstavond herinneringen aan de overledene op te halen.’

Voor de familie en vrienden van de rouwende heeft Debusschere de volgende tips: ‘Ga uit van het unieke rouwtraject van elke rouwende en weet dat de manier waarop familie, vrienden, omgeving en maatschappij reageren wel degelijk een verschil kan maken. Een bezoek, een kaartje of een telefoontje op een belangrijke datum in het leven van de overleden persoon zoals een verjaardag of huwelijksdatum, kunnen een grote steun zijn. Daarnaast hoef je niet altijd te antwoorden. “Er zijn” betekent al heel veel.’


Daarom kunnen papa’s net zo goed voor een baby zorgen

Nieuwsblad – 22 december 2014

Mannen kunnen net zo goed voor een baby zorgen als vrouwen, zo blijkt uit een recente studie aan de universiteit van Yale. Spendeert een vader veel tijd met de pasgeboren baby, dan ontwikkelt hij – net als de moeder – extra grijze hersenmassa in de gebieden van het brein die verantwoordelijk zijn voor emotionele betrokkenheid en multitasking.

Onderzoekers aan de universiteit van Yale legden 16 kersverse vaders onder de MRI-scan. Een eerste onderzoek vond plaats in de eerste twee tot vier weken na de geboorte van hun baby. Twee à drie maanden later gingen de vaders een tweede keer onder de scanner. Wat bleek? Op de tweede scan werd een vergroting van drie delen van het brein vastgesteld: het stratium, de amygdala en de hypothalamus. Drie regio’s die helpen bij het reageren op signalen van de baby en het creëren van een emotionele band. Ook de laterale prefrontale cortex bleek groter op de tweede scan. Die zone wordt geassocieerd met het maken van complexe beslissingen.

De studie, die werd gepubliceerd in The Journal of Neuroscience, was het eerste onderzoek ooit dat fysieke verschillen in het brein van nieuwe vaders bestudeerde. Onderzoeker Ruth Feldman gaf aan dat er nog meer onderzoek nodig is: ‘We wisten al dat het vrouwelijke brein veel fysieke veranderingen ondergaat na de geboorte van een kind. Nu hebben we ook aangetoond dat het brein van de vader – als hij actief betrokken is bij de baby – zo verandert dat hij beter voor de baby kan zorgen, maar we weten nog niet hoe het vaderlijke brein op lange termijn evolueert.’


Een Reyers Laat – 19 november 2014

Over de hervorming van het erfrecht

Video


Meer vrijheid bij erfenissen

De Morgen – 18 november 2014

Vandaag gaat het grootste stuk van uw vermogen na uw overlijden automatisch naar uw kinderen. Maar dat hoeft straks niet meer zo te zijn. Minister van Justitie Koen Geens (CD&V) werkt aan een versoepeling van het erfrecht.

De tijden zijn veranderd, de familiale samenstellingen ook
Minister van Justitie Koen Geens (CD&V)
Heel veel keuze hebt u vandaag niet. Of u stelt geen testament op en uw volledige bezit wordt netjes evenredig onder uw kinderen verdeeld. Of u stelt wel een testament op en bent daarbij wettelijk verplicht om het gros van uw nalatenschap nog steeds aan uw kinderen te geven. Hebt u maar één kind, dan krijgt dat sowieso minimaal de helft van uw vermogen en kunt u de andere helft vrij besteden.

Maar dat vrij te besteden deel daalt naarmate u meer kinderen hebt. Bij twee kinderen is dat nog maar een derde. Hebt u drie of meer kinderen, mag u maar een kwart aan anderen of andere doelen nalaten. Wil u toch grotere delen aan bijvoorbeeld een stiefkind of een nieuwe partner nalaten, dan kunt u dat opnemen in uw testament. Maar uw kinderen hebben dan wel vetorecht.

Vrijheid

Minister van Justitite Koen Geens. ©BELGA
De wet is met andere woorden niet aangepast aan de moderne maatschappij. “En net daarom moet er meer keuzevrijheid komen”, zegt het kabinet van minister van Justitie Koen Geens (CD&V). Hij stelt morgen in het parlement zijn beleidsverklaring voor. Wat daar zeker deel van uitmaakt is de aanpassing van het erfrecht. “De huidige wetgeving is bijzonder verouderd. De tijden zijn veranderd, de familiale samenstellingen ook.”

Over de nieuwe verhoudingen wil Geens zich nog niet uitspreken, daarover moet er nog een dialoog gevoerd worden in het parlement. Maar in voorstellen die nog dateren van onder zijn voorganger Annemie Turtelboom (Open Vld) wordt uitgegaan van een 50/50-verdeling, ongeacht het aantal kinderen. De helft van uw vermogen zou dus altijd vrij besteed kunnen worden, de andere helft moet u wel nog verdelen onder uw kinderen.

Ook voor alleenstaanden zonder kinderen zou de wet overigens aangepast worden. Nu gaat er per nog levende ouder een kwart van het vermogen naar die ouder. De rest wordt verdeeld onder broers, zussen en hun kinderen. Ook in geval van testament hebben de ouders altijd recht op 25 procent per ouder, indien nog in leven. Dat voorbehouden recht voor de ouders zou onder de nieuwe wetgeving in principe sneuvelen.

Goed nieuws

De nieuwe wetgeving zou echt al veel meer bewegingsvrijheid geven
Notaris Bart Van Opstal
Volgens notaris Bart Van Opstal, ook erevoorzitter van de Koninklijke Federatie van het Belgische Notariaat, is dat bijzonder goed nieuws. Hij ziet een grote nood aan die wetgeving. Niet alleen uit de vele vragen die cliënten stellen in de praktijk, maar ook door de spectaculaire stijging van het aantal testamenten.

In 2014 legden 29 procent meer mensen hun wensen vast in een testament dan vier jaar geleden. “Daaraan zie je dat mensen veel actiever bezig zijn met hun nalatenschap”, zegt Van Opstal. “Maar het huidige kader laat niet altijd toe om een regeling te treffen zoals ze dat echt willen. De nieuwe wetgeving zou echt al veel meer bewegingsvrijheid geven.”


Radio1 Hautekiet – 22 oktober 2014

Hoe hebben kinderen van gescheiden ouders dit ervaren en vinden zij dat er genoeg naar hen geluisterd werd?